Wim Van Gansbeke

Leestijd 8 — 11 minuten

Wim Van Gansbeke

Dat dit theatertijdschrift, dat de mééste theatertijdschriften zich zelden of nooit hebben ingelaten met bespreking of analyse van de vertaling van een theatertekst, terwijl er toch heel doorwrochte stukken over die tekst zelf en over de voorstelling die ermee gemaakt wordt aan de pen van de commentatoren ontspruiten, is tekenend voor een hoogst verouderde opvatting over de genrebepaling van een theatertekst en een zeer dubbelzinnige houding vanwege theaterpractici ten opzichte van een schriftuur.

Theaterteksten zijn traditioneel altijd veel meer onderwerp geweest van literatuurkritiek dan van drama-analyse en daar hebben sinds de 18de eeuw de commentatoren en het onderwijs driftig aan meegeholpen. Molière, Corneille, Racine, Shakespeare, Sheridan, Wilde, Shaw, Hebbel, Schuier, Ooethe, Büchner, Schnitzler, Wedekind, Hooft, Vondel, Bredero, Vondel, Maeterlinck, Ghelderode, Fry, Eliot, O’Casey, Behan, Gogol, Tsjechov, Gorki, O’Neill, Miller, ja, zelfs Beckett, Ionesco, Handke, Bernhard, Strauss, Mamet, Christian Dietrich Grabbc, August von Kotzebue, Johann Nestroy, Eugène Scribe, Sardou en Feydeau, om nog niet te spreken van Claus, Koltcs of Mishirna, zij allen vullen in de eerste plaats de literatuurhandboeken waarin roman, poëzie, drama en tutti quanti op één hoop worden gegooid.

En natuurlijk heeft een goede theatertekst, naast zijn primordiaal theatraal-dramatische, ook literaire kwaliteiten. En natuurlijk is men het er vandaag over eens dat drama niet uitsluitend, of soms helemaal niet, in het vakje literatuur mag gestopt worden. Maar atavismen zijn hardnekkiger dan inzichten of overtuigingen. En dus ontstaat er een dubbelzinnigheid: terwijl de vertaling van bellettrie en poëzie b.v, gelukkig méér en méér aan vaklui overgelaten wordt — vaklui met grondige taalkennis, groot taal- en stijlgevoel en een prikkelende taalcreativiteit — voelen god en heel de wereld zich wèl geroepen om toneelstukken te vertalen. Met meestal desastreuze gevolgen. Een toneeltekst wordt dus op dat ogenblik plots niet meer beschouwd als literatuur. Hoogstens als derderangsschrijverij, waarmee men maar wat mag aanmodderen. En aangemodderd wordt er!

Wat is immers een goede vertaling? Dat is een vertaling die niet interpreteert, maar in een andere taal precies omzet wat er in de oorspronkelijke staat. Die dwars door die “omzetting”, het stijlbeeld van de schrijver en de elementen waaruit die stijl is opgebouwd, héél laat en laat proeven. Die een schrijver niet ‘Verbetert”, die zijn stijlmiddelen respecteert, de geladenheid van een bepaalde woordkeus, van een assonantie, een alliteratie weet te onderkennen en exact in een andere taal over te brengen. Vertalen is in grote mate “letterlijk” omzetten, maar niet tot dié prijs dat daardoor de oorspronkelijke tekst in de vertaling onzin wordt. Grammaticale of inhoudelijke, begripsmatige onzin. Vertalen vergt een groot inzicht in een tekst en zijn eventuele intertekstualiteit, én een grote zorgvuldigheid; het laat geen denkfouten toe.

Helaas geldt dat alles blijkbaar niet de theatervertaling. Zij is vogelvrij voor alle slag van amateurs en dilettanten, theaterdirecteuren en hun dramaturgen op kop, met niet méér dan middelbare-schoolkennis van een andere taal, zonder taaien stijlgevoel, zonder de creativiteit om de sfeer van een tekst op te snuiven en die sfeer, door de keuze van het ene vertaalwoord voor het andere, precies zó weer te geven als het origineel ze oproept.

Om nog maar te zwijgen van diegenen die de eigen taal zo weinig beheersen dat ze het nochtans correcte origineel de nek omwringen met kreupel Nederlands. En om het niet te hebben over tal van onnauwkeurigheden, leesfouten, denkfouten, het niet of maar half begrijpen van staande uitdrukkingen, het verkeerd lezen van eenzinsconstructies, het bij regel 600 niet meer weten wat er in regel 7 staat, het dus niet analytisch, maar domweg regl per regel vertalen en het trappen in allerlei grammaticale angels en voetklemmen. Vertalen is geen kattepis, maar in het theater wordt er wèl gedaan alsof; geen wonder dat het er stinkt. Zo wordt een oorspronkelijk heldere tekst vertroebeld, worden zogenaamde hermetismen nog hermetischer, wordt een volmaakt logische passus onbegrijpelijke wartaal.

 

Ter illustratie – en zonder een definitief oordeel te willen uitspreken over de “Gesamtqualität” van de vertaling — wil ik hier een “poging tot” analyse maken van de vertaling van Verkommenes Ufer, de aanhef van het Medea-drieluik van Heiner Müller, zoals afgedrukt in de programmabrochure van het Kaaitheater 1987-1988, waarbij ik — zeer occasioneel want zeer vermetel – ook de Nederlandse en de Franse vertaling met elkaar vergelijk.

Ik geef hierbij een aantal onnauwkeurigheden en discutabele vertalingen ter overweging, waarbij ik vooraf nog wil opmerken dat het hier om een bijzonder moeilijke tekst gaat. Reden te meer om er zeer zorgvuldig mee om te springen!

Een eerste onnauwkeurigheid. De titel luidt “Verwaarloosde oever”. Hetzelfde wordt in de eerste regel “Verkommerde oever”. Waarom? Ongetwijfeld probeert in het tweede geval de vertaler — terecht — de klank en de struktuur van het Duitse “verkommen” vast te houden, want anders was er, naast “verwaarloosd”, nog de keuze tussen b.v. “vervallen”, “onderkomen”, “onverzorgd’*. De vertaling “verkommerd’* krijgt overigens nog een plezierige bijbetekenis; in jagerstaal — en we bevinden ons aan de oever van een meer – heeft “kommer” de betekenis van “haze-uitwerpselen”, “Verkommerd” zou dan evenveel kunnen betekenen als “bezaaid met, bedolven onder konijnestront”. Met andere woorden, “verkommerd” is als vertaling van “verkommen” vrijwel perfect naar klank, betekenisgelaagdheid en gevoelswaarde, maar dat eindresultaat zal de vertaler niet zomaar uit zijn duim hebben kunnen zuigen.

“Van de Argonauten met plat voorhoofd.” De Duitse tekst — “flachstirniger Argonauten” — vermijdt het lidwoord om een onbepaald getal aan te duiden. De Nederlandse vertaling houdt zich daar niet aan, de Franse wèl. en dat lijkt mij correcter. Het is ook jammer dat er geen poging wordt ondernomen om “flachstirnig” anders te vertalen dan met de wat platte bijstelling “met plat voorhoofd”. Het Duits verwijst hier naar Griekse voorbeelden, waar dezelfde “met”-constructie ook met één woord wordt aangeduid (b.v. de snelvoetige). Toegegeven, “vlakvoorhoofdige” is geen Nederlands en hoe dan ook vandaag nog moeilijk te gebruiken, maar één correctie had wel gekund: “plat” vervangen door “vlak”. Het is even correct en de vl-medeklinkerverbinding staat dichter bij de fl-verbinding in het Duits.

“Rietstekels van dode takken”. Hier is “van” te veel. Het Duits heeft het immers niet over “Schiltborsten toten Geästes” (een genitief die overigens plantkundige onzin zou zijn), maar over twee afzonderlijke begrippen: “Schilfborsten” en “totes Geäst”. De Franse vertaler heeft dat correct gezien maar maakt een andere fout met “brosses de roseau”, waarbij het Duitse “Borste” (stekel, stijf haar), verward wordt met “Bürste” (borstel).

“Dieser Baum wird mich nicht überwachsen”. De hele context wijst erop – en zo heeft de Franse vertaler het ook begrepen – dat “überwachsen” hier niet mag vertaald worden met “over mij heen groeien”, maar met “boven mij uitgroeien”. Niet “inkapselen” dus, maar “groter worden”.

“Vislijken schitteren in de modder”. Waarom niet “glanzen in het slijk?” Müller had hier o.m. de keuze tussen “glänzen”, “strahlen”, “leuchten”, “glitzern”, “flimmern”. Hij gebruikt “glänzen”. Zeer natuurlijk: in de modder en gedeeltelijk erdoor bedekt, ziet men vislijken eerder een zachte glans hebben dan dat ze schitteren. Maar er is een betere reden om “glanzen” en “slijk” te gebruiken Ín plaats van “schitteren” en “modder”. De klank van eerstgenoemde woorden staat dichter bij “glanzen” en “Schlamm” en in allebei wordt de ook in het Duits voorkomende dubbele medeklinkerverbinding op vergelijkbare wijze behouden.

 

“Duw me kom zoetje”. Dit is een voorbeeld van onduidelijke en verhullende vertaling. “Stossen” betekent inderdaad “duwen”, maar ook “stoten”, wat in het Nederlands duidelijker seksuele connotaties heeft en in wat ruwere taal letterlijk staat voor “geslachtsgemeenschap hebben”. Dit als overdrachtelijke betekenis van “schokkende of telkens afgebroken bewegingen maken”. In het licht van de voorafgaande zin kan “stossen” hier niets anders betekenen dan “neukend” maar aangezien er in het Duits niet “ficken” staat, lijkt “stoten” een meer aangewezen vertaling dan het te zwakke en verhullende “duwen”. De Franse vertater gaat mij daar met het zeer uitdrukkelijke “baise-moi” óók te ver. Een woord als “branler” ware hier, denk ik, eerder op zijn plaats.

“Und Kotplatz der Geier im Wartestand”: “en strontplaats de gier in wachtstand”. Opnieuw een voorbeeld van hoe de vertaling de tekst hermetischer maakt dan hij is. “Der Geier” moet niet gelezen worden als een nominatief enkelvoud (wat óók kan) maar als een genitief meervoud. Dus “strontplaats van de gieren”, De vraag is zelfs of “Kotplatz” hier niet moet vertaald worden met een “aktief” woord, d.w.z. bijvoorbeeld “schijtplaats” of plek waar de gieren hun behoefte doen. In het Duits staat er weliswaar niet “Scheissplatz”, maar dat is te verklaren uit de onduidelijk-overdrachtelijke betekenis die dat woord in deze context zou krijgen, terwijl Muller hier duidelijk heel concreet wil zijn.

Onaanvaardbaar is bovendien de vertaling van “Wartestand” door “wachtstand”. Ten eerste is dat geen Nederlands. Ten tweede “staan” gieren niet, zoals flamingo’s, op gestrekte poten, maar “zitten” ze. (Even later staat er: “sie hoeken”, wat “hokken”, maar ook “hurken” en “zitten” betekent). Ten derde is “Wartestand” ontleend aan de staande uitdrukking “in den Wartestand versetzen” of “op wachtgeld stellen”. “De gieren op wachtgeld” lijkt mij dan een mooie vertaling van een Mülleriaanse ironie. (Een andere mogelijkheid is “in afwachtende houding”, maar dat lijkt mij te omslachtig en een stilistische vervalsing van Müllers taalgebruik). “Gieren op wachtgeld” krijgt overigens nog méér betekenis door de daaropvolgende passus: “Ze hokken in de treinen gezichten uit dagblad en speeksel” en de hele daaropvolgende Meinburgermaskerade, die Müller hier in één geniale zin samenperst. Maar “Sie hoeken in den Zügen Gesichter aus Tagblatt und Speichel” zou ook heel anders kunnen vertaald worden, “Sie” slaat onvermijdelijk op de voorafgaande “gieren”. “Zug” betekent inderdaad “trein”, maar ook “trek”, “gelaatstrek” en wordt meteen gevolgd door “Gesichter”. Het ontbreken van interpunktie laat in het ongewisse of “Gesichter” hier een nominatief is dan wel een genitief meervoud (er is in de verbuiging tussen beide geen verschil). Het geheel zou dus wel eens kunnen luiden: “Ze hokken (zitten) in de (gelaats)trekken van gezichten, (gemaakt) uit dagblad en speeksel”. Ik geef echter meteen toe dat dit zeer speculatief is en het beeld van de “treinen”, vooral in het licht van de daaropvolgende zinnen, ten minste even geldig en misschien ook wel concreter is.

“Kinderen uitstotend in stoten” is correct, maar een lelijke en arme vertaling wanneer blijkt dat Muller niet twee keer “stoten” gebruikt, maar “ausstossen” en “Schüben”. Het is een lastig vertaalprobleem: de vertaling geeft wèl duidelijk de bedoeling weer, maar verarmt het origineel. Maar “Schub” betekent b.v. ook “lading”. “Kinderen uitstotend bij ladingen” is dan een mogelijk alternatief. Of waarom niet “kinderen uitstotend in gulpen”?

“Bloedbesmeurd” is een ergerlijk germanisme. “Met bloed besmeurde vrouwen” is even goed en correct Nederlands. De vertaler doet dit overigens wèl voor “flachstirnig” in de tweede regel (met plat voorhoofd). Waarom hier dan ook niet?

“Ze trommelen niet op de miskraam (WC)”. Het Duitse “Abort” heeft inderdaad beide betekenissen, naargelang het accent op de tweede (miskraam) of de eerste (WC) lettergreep ligt Maar in het licht van de concrete beeldenreeks die Muller hier neerzet, lijkt “miskraam” me ver gezocht, hoewel Muller misschien wel beide betekenissen gelijktijdig hanteert (een tollet is een bekende plek voor het plegen van abortus), Weliswaar gaan aan “Abort” de “met bloed besmeurde vrouwen” vooraf, maar dan volgt: “De doden staren niet in het raam, ze trommelen niet op (de deur van) het schijthuis” en meteen daarna komt het woord “beschissen”. Vanaf “de doden” tot en met “beschissen” is dit één concrete beeldenreeks met een samenhang die door de betekenis “miskraam” verbroken wordt, en dat lijkt mij niet logisch.

“Dat zijn ze aarde van de overlevenden bescheten”. De vertaler maakt hier een lees- en denkfout. In de vertaling lees ik letterlijk (met interpunctie): “Dat zijn ze, aarde van de overlevenden, bescheten”. Dat kan niet. Voor “aarde van de overlevenden” had Muller nooit “Erde von den überlebenden”, maar “der überlebenden” geschreven. Een gewone genitief dus. Derhalve moet de zin gelezen worden als “Das sind sie Erde, von den überlebenden beschissen”. Wat dan geeft: “Dat zijn ze, aarde, — door de overlevenden bescheten”. Misschien bedoelde de vertaler het ook wel zo, maar werd er verkeerdelijk (en onder invloed van het Duits) “van” i.p.v. “door” gebruikt.

“Aan lichtpalen”. Was de vertaler hier nodeloos bang voor een germanisme? “Lichtmast” bestaat in het Nederlands wèl, maar “lichtpaal” niet! Wèl “verlichtingspaal”.

Tot daar deze zeer oppervlakkige analyse, waarbij ik nog een boel dingen, zoals een mogelijke discussie over de Nederlandse zinsbouw in sommige fragmenten, buiten beschouwing heb gelaten.

Het was niet de bedoeling van deze kroniek de besproken vertaling te “zerstücken”, noch een absoluut valabel alternatief voor te stellen. De vertaaltekst van Verkommenes Ufer diende enkel als voorbeeld voor vertaalproblemen en als uitgangspunt van een pleidooi voor zorgvuldigheid, het weigeren van haastwerk, inleving, taalcreativiteit, het juist lezen in een juiste en goed ontlede context het hanteren van goed Nederlands, het zo dicht mogelijk op de huid zitten van het origineel naar taal, stijl en intenties. Met andere woorden: een pleidooi voor in alle opzichten vakkundige en creatieve toneelvertalingen.

De Müllertekst werd gebruikt omdat de lezers van dit blad hem ongetwijfeld allemaal bij de hand hebben en omdat het de moeite loont er een (vertaal)analyse van te maken.

Ik heb geprobeerd aan te geven hoe makkelijk het is fouten te maken, het origineel te versluieren, het te ontdoen van zijn taal- en stijlkenmerken. En ik beweer dat dit bij theatervertalingen, in tegenstelling tot bellettrie en poëzie, doorlopend gebeurt.

Er lopen in dit land een paar zeer behoorlijke vertalers rond. Ze hebben nauwelijks werk, en beslist al niet in het theater, waar dilettanten en beunhazen van alle slag het mooie weer uitmaken en zelfgenoegzaam vertaalrechten binnenrijven voor werk van absoluut minderwaardige kwaliteit. Want vertalen is geen kattepis, alhoewel in het theater wèl gedaan wordt alsóf. Geen wonder dat het er stinkt!

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

column
Leestijd 8 — 11 minuten

#21-22

15.05.1988

14.08.1988

Wim Van Gansbeke