Wim Van Gansbeke

Leestijd 4 — 7 minuten

Wim Van Gansbeke

VRIJDAG 4.

Weer een jaar ouder.

Ik droom van een witte 4de februari, maar geen vlokje aan de einder. Sinds de tweede wereldoorlog lijken de winters nergens meer op. Dat was in 1938 wel even anders. Alles was toen wel even anders. In Duitsland hadden ze toen ook het theater niet dat ze nu hebben. In Vlaanderen hebben ze dat intussen nog altijd niet, maar in Vlaanderen is alles ook maar zelden even anders geweest. Behalve de winters dus, zoals dat hoort in een land van Treffelijke Tuinders, Biddende Boeren, Kakelende Kruideniers en Incestueuze Intellectuelen, waar alle meisjes, behalve die van de kust, een gedemodeerd wit vel hebben en waar alle hoeren van Oostende tot Tongeren Frans praten. Hoe kan je op zo’n manier tot een serieuze Vlaamse dramaturgie komen ?

Het feit dat we het voortdurend hebben over “theatervernieuwing” en niet over “theaterrevolutie” is een curiosum op zichzelf. Het duidt op een schoksgewijze ontwikkeling die niet uit wijsheid, maar uit boosheid geboren wordt en die achteraf zelfs geen ontwikkeling blijkt, maar een geïsoleerd, binnen een streng afgebakende tijd en plaats lokaliseerbaar feit. Een feit en geen verschijnsel: verschijnselen ontwikkelen zich in tijd en ruimte, feiten niet. Binnen een volmaakte stilstand wordt aldus van tijd tot tijd uit pure balorigheid een hoopgevende produktie geboren, maar die nooit een echte golfbeweging doet ontstaan. Immers: de balorigheid wordt al snel gerecupereerd, van haar revolutionaire wortels afgesneden, de barrikadisten van gisteren zijn de generaals van vandaag. Het verschijnsel theater in dit land is perfect te omschrijven als de rooms-katolieke stelling dat lekker neuken niet bestaat: neuken is altijd voor de voortplanting en verder geen diepzinnigheid, laat staan erotische fantasie. Wie, dat gedram uiteindelijk beu, een leuke variatie bedenkt, blijft met uitgeputte fantasie in die variatie steken of keert algauw terug naar het vertrouwde gedram. Vertrouwd: het woord alleen al! Het valse gevoel van veiligheid, het burgerlijk adagium, het ontbreken van vertwijfeling, het zich inkapselen in weldenkendheid of de uiteindelijke vertrouwdheid van een grondeloze frustratie, die voor creatieve motoriek wordt aangezien. Vanaf dat moment krijgt ook het begrip “kwaliteit” een kwalijke betekenis, omdat het label gehanteerd dreigt te worden voor alles en om het even wat vanuit de zijlijn komt en dus in letterlijke buitenspelpositie een doelpunt scoort. Hier wordt de leepheid gelauwerd en niet de kunde, laat staan het inzicht. Hier wordt de briljante leegheid voor vol aangezien. Hier wordt tot kwaliteitstheater verheven wat zich afzet tegen de jammerkloot (*), al is het even verhullend, onduidelijk, nietszeggend, koud, maatschappelijk bevroren, ver van duiding, kritiek, revolutionaire spiegelfunctie en biedt het geen andere lezing, geen inzicht en vooral geen alternatieven voor de grote samenzwering, het grote verhullingsmechanisme van deze samenleving. “Zich afzet tegen”: frustratie, zoals eerder geconstateerd. Deromantisering, poging tot ont-burgerlijking, vormvernieuwing als de zoveelste pietluttigheid van het ingekapselde ego, als een nieuwe mode, als een allang achterhaald en tot nieuwe burgerlijkheid verworden, want niets verduidelijkend cynisme, nihilisme en ga maar door, op het hooste toerental, terwijl de wielen zich gek blijven draaien in een weliswaar andere polderklei, maar polderklei evengoed.

Het is maar dat ik sinds het vorige nummer van dit blad in die alweer snel dichtgroeiende en alweer zo goed als onbewogen vijver van wat men “de nieuwse esthetiek” is gaan noemen – wat een rotterm, maar wat (o ironie) een letterlijk en perfect toepasselijke – een aantal dingen heb gezien die alleen maar wild om zich heen sloegen zonder alternatieven te bieden of die mij niet toestonden te weten te komen waar ze eigenlijk over gingen. De eerstgenoemde en de minst erge, omdat ze tenminste duidelijk zijn in hun bedoelingen, worden door mensen die er blijk van hebben gegeven toch wel enig inzicht in het verschijnsel theater te bezitten, terecht, zij het soms wat ongenuanceerd, afgeschreven voorbeeld: De Witte Kraai in Romeo en Juliette en Van een geestrijk ridder – in eerstgenoemd geval met meer recht afgeschreven dan in het tweede, en over het waarom daarvan moeten de contestanten maar eens grondig nadenken). De laatstgenoemde (waar gingen ze eigenlijk over?) dreigden door dezelfden voor vol te worden aangezien al is het onderwerp ervan weinig meer dan briljante leegte en ergerlijke modieusheid, opgeblazen tot een weliswaar kleurige ballon, maar die – ondoorgrondelijkheid van de fysica – bij het doorprikken zelfs geen knal geeft, zelfs geen scheet laat, zelfs nauwelijks, en dan nog binnensmonds, floep zegt (voorbeeld: Arca met Clavigo).

“Leute met Goethe”: de grappigheid slaat toe, het oneigenlijk gehanteerde Kamagurka-effect triomfeert, de ene vondst struikelt over de vorige, het Freek de Jonge-syndroom doet de schouwburgzetels dubbel klappen, maar Kamagurka is zichzelf, Freek de Jonge weet waarover hij het heeft en Goethe heeft godverdomme een TRAGEDIE geschreven, die dan nog niet eens meer van hem is, want er werd ook nog vrolijk met de tekst gesmoezeld. Welke betekenis heeft een dergelijke voorstelling dan nog? Dat Goethe een hoogst twijfelachtig toneelauteur was, weet eenieder sinds Decortes montering van Tasso, maar daar vloeit die conclusie “en passant” uit de montering voort, uit de lezing en de VERHELDERING van ZIJN tekst, niet uit een duw in de rug die hem de afgrond inkiepert. Is de moord op een auteur en zijn intenties een verheldering? Nee, want het is hem monddood maken in plaats van er een lezing van te bieden die onthullingen doet over theater en maatschappij vandaag – een consequent politieke lezing dus, en die de auteur en zijn tekst heel laat. Valt die auteur dan op zijn bek, dan is dat in het geval Goethe nog veelbetekenender voor de maatschappelijke relevantie van de voorstelling. En waar in het geval van Een geestrijk ridder bij De Witte Kraai maar eens moet over nagedacht worden is over het feit dat er, om een satire te maken, ook een satire als tekst gehanteerd wordt. OK, ik weet het, met het voorgaande stap ik het kader van dit dagboek ver te buiten, maar het is de hoogste tijd dat rond het verschijnsel van de zogenaamde “nieuwe esthetiek” en het begrip kwaliteit eens een SERIEZE polemiek op gang komt.

Laten we overigens wel wezen: zolang dit verschijnsel blijft rondhangen in vrije produkties en kleinere gezelschappen en niet stormenderhand de grote schouwburgen verovert, heeft het niets verontrustends en is het dus rijp voor een vervlakking binnen zichzelf. Dient eraan herinnerd dat in Vlaanderen de meest verontrustende produktie sinds Mistero Buffo (ook al zo geïsoleerd) Decortes montering van Hebbels Maria Magdalena was omdat toen bleek dat het “grote” en het “kleine” circuit samen konden functioneren – een theaterpolitieke constatering van de eerste orde in een adembenemende voorstelling, die Vlaanderen andermaal kon motiveren voor een grondige uitzuivering van de jammerkloterij. Maar de helft van Vlaanderen verliet de zaal, de helft van Vlaanderen vond dat slecht, de helft van Vlaanderen voelde zich domweg geprovoceerd in plaats van de provocatie te lokaliseren waar ze werkelijk gebeurt: bij (in alfabetische volgorde) de Antigone’s, de EWT’s, de Fakkels, de KNS-en, de Korre’s, de KVS-en, de MMT’s, de Meir’s, de Podium’s, de Raden van Advies, de Til’s en al die anderen die ik vergeet, maar die weten dat ik het ook over hen heb. EEN DAVERENDE POLEMIEK, ET QUE CA SAUTE, NOM DE DIEU!

(*) Zie Wim Van Gansbeke in Etcetera Jg. 1, nr. 1, januari 1983, p. 53, alinea 3, voorlaatste en voorafgaande regels.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

column
Leestijd 4 — 7 minuten

#2

15.03.1983

14.06.1983

Wim Van Gansbeke