Leestijd 4 — 7 minuten

Why We Fight? – Mirjam Devriendt & Alain Platel

Why We Fight? van choreograaf Alain Platel en videoartiest Mirjam Devriendt wordt aangekondigd als een documentaire, maar wat wordt er eigenlijk gedocumenteerd? Het ontstaansproces van een dansvoorstelling, jazeker, maar ook veel meer dan dat. De dynamiek van een gezelschap. De dada’s van een kunstenaar, de choreograaf, ook al komt die geen enkele keer in beeld. En voor alles: de Geist, de tijdsgeest waarin de voorstelling werd gemaakt, met zijn historische lijnen richting verleden – én toekomst.

Het begint bij het applaus. De dansers buigen nog een laatste keer, we zien hen van achteren gefilmd, op de operabalkons staat het publiek recht. Dan duiken we, samen met hen, de coulissen in. In 2016 creëerde de Belgische danscompagnie Les ballets C de la B de voorstelling nicht schlafen. Acht jonge mannen en één vrouw voeren daarin een onderzoek naar de vele facetten van agressie. Openingsscène was een gewelddadige confrontatie waarin de dansers elkaar minutenlang de kleuren van het lijf scheurden. Why we fight? – waarom vechten mensen eigenlijk? was een van de dragende vragen tijdens het repetitieproces. De documentaire toont niet alleen de vele antwoorden die op die vraag mogelijk zijn, maar tegelijkertijd ook hoe – waar, op welke niveaus – die antwoorden worden gezocht. In de persoonlijke verhalen van de dansers, bijvoorbeeld. Maar ook: in historisch archiefmateriaal, in filmpjes vanop internet, in natuurdocumentaires, in kunst. Het geweld schuilt binnen en buiten, in het autobiografische lijf én in de wereld. Zonder dat Platel iets toelicht onthullen Devriendt en monteur Dieter Diependaele zo indirect de manier waarop de choreograaf werkt: door te kijken naar ‘zijn’ mensen, naar de wereld, naar de kunsten, en de verbinding tussen dit alles te leggen.

Verschillende dansers komen aan het woord in Why we fight?, slechts drie komen geregeld in beeld: de Franse Samir M’Kirech, de Franse Bérengère Bodin en de Congolese TK Russell. Ze getuigen in soms filosofische bewoordingen van het geweld dat hen in hun leven te beurt viel – raciaal geweld, discriminatoir geweld – maar evengoed over het geweld dat in hen schuilt, en waarvan ze zelf soms schrikken. Kan moederliefde zo sterk zijn dat ze verkeert in geweld? Kan een dader tegelijk slachtoffer zijn? De cruciale uitdaging lijkt er niet in te bestaan het geweld te bannen, maar het te beheersen: het in te zetten als een veranderende kracht. Of als een vorm van aandacht, ‘bienveillance’. Het vechten kortom als een intieme vorm van toewijding’. Bodin gaat op dat punt uitgebreid in op het ontstaan van de heftige beginscène: acht mannen en een vrouw die zich aanvankelijk aan het animale overleveren, hoe de mannen haar eerst nog sparen, hoe de groep gaandeweg onuitgesproken regels ontwikkelt voor het geweld, en hoe in de loop van dat proces begrip en respect ontstaan. In Bodins getuigenis wordt meer dan ooit duidelijk op welke manier Platels repetitieprocessen ‘oefeningen’ zijn in het leven, hoezeer ze maatschappelijke processen comprimeren tot de schaal van het repetitielokaal. De vragen die de groep dansers zich stelt, de obstakels die opduiken, de manieren waarop gezocht wordt naar oplossingen: het is de samenleving in het klein. “Wat is de plaats van één danseres tussen acht dansers?” laat zich zo lezen als “Wat is de positie van een vrouw in een door mannen gedomineerde ruimte/samenleving?” Dat de vraag in zijn mini-context een relatief bevredigende uitkomst krijgt, is alvast een hoopvolle voorzet. 

Er zit veel ‘realisme’ in deze film, net zoals Platel zelf graag ‘de realiteit’ of ‘het echte’ binnenbrengt in zijn producties. Op het niveau van de voorstelling vertaalt zich dat in het dansidioom (met herkenbare, dagdagelijkse gestes als basis) maar ook – en dit valt me nu pas op door de detaillering van beelden – de grote mate van ‘emotioneel acteren’ bij de dansers. Ze lijken elke seconde emotioneel betrokken bij wat ze aan het doen zijn. Wellicht vindt die hoge mate van betrokkenheid zijn oorsprong in de inbreng van hun persoonlijke geschiedenissen tijdens het repetitieproces, te kaderen in de zoektocht naar geënsceneerde ‘authenticiteit’. Maar ook het idioom van de film zelf staat ver af van de vaak esthetisch nogal gestileerde ‘dansdocumentaires’, waarin vooral virtuositeit en perfectie in beeld worden gebracht. Why we fight? bevat prachtige beelden uit nicht schlafen, maar evengoed beelden van bewakingscamera’s, korrelige internetfilmpjes, archiefmateriaal van soms slechte kwaliteit of opnames van oude kunstprojecten, zoals het fascinerende Flower Serial Killer van Pascal Bernier (1960). Want oh ja: het onderzoek naar geweld stopt niet bij de grenzen van het menselijke: ook geweld tegen de natuur en breder klimaatgeweld krijgen een plaats.

Why we fight? heeft, net als nicht schlafen, een sterke historische dimensie – of eerder: resonantie, want het gaat er bij het inlassen van zwart-wit archiefmateriaal uit begin de twintigste eeuw nooit om feitelijke informatie te delen. Waar het om gaat is dat er een ‘levensgevoel’ wordt opgeroepen, een tijdsgeest die het mooist werd beschreven door Stefan Zweig in De wereld van gisteren (1944). Zweig zit op het scharnier tussen negentiende en twintigste eeuw waarbij hij de geweldsgruwel die eraan zit te komen voorvoelt, beschrijft – en later ook zal beleven. Filosoof Kurt Deboeuf duidt in de film dit soort ‘onrustige’ periode als de transitie van een ‘globale’ wereld naar een ‘tribale’, waarin nationalisme en religie de dominante en gemeenschapsvormende (gemeenschapsbeperkende!) stromingen zijn. Zo’n wereld in verandering wordt eveneens opgeroepen door Gustav Mahler, die de muzikale bodem legt onder nicht schlafen. Mahler, zo legt dirigent Teodor Currentzis uit, was een gespleten figuur, waardoor de schoonheid van zijn muziek nooit ontdaan was van een zekere ironie – voortvloeiend uit het besef dat de mens nietig is onder het oog van de kosmos. In nicht schlafen refereert het decor van kunstenaar Berlinde De Bruyckere, een compositie van opgezette paardenkarkassen, aan dezelfde periode: het begin van de twintigste eeuw, toen in de Eerste Wereldoorlog niet alleen soldaten maar ook zo’n zes tot acht miljoen paarden omkwamen op het slagveld. 

De ‘massaliteit’ van dit geweld vormt de tegenpool van het onderzoek naar het intieme, innerlijke geweld, maar opnieuw stelt zich diezelfde Platel-vraag: hoe verloopt het proces van binnen naar buiten? Hoe kan de gekwetste mannelijkheid van één persoon leiden tot, ik zeg maar iets: een grondoorlog? De dreiging van de massa en haar altijd potentiële geweld (zoals beschreven door Elias Canetti in Massa en Macht) is een thema dat Platel al eerder aanvatte, in C(h)oeurs (2012) bijvoorbeeld.

Maar noch in de voorstelling, noch in de documentaire is de historische lijn anekdotisch. Ze dient louter als onderzoeksmateriaal, en misschien ook als waarschuwing: na nicht schlafen hoort eigenlijk een uitroepteken. Blijf wakker! Toen, begin de twintigste eeuw, sliepen we blijkbaar, in 2016 – in de context van Trump en extreemrechts populisme – sliepen we nog steeds. Intussen is, tussen het maken van de documentaire en het uitkomen ervan, de wereld alweer veranderd. Kurt Deboeufs uitspraken over een nakend ‘mondiaal conflict’ bleken profetisch. Maar desondanks, ondanks een nieuwe westerse grondoorlog, slapen we nog steeds.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#167

15.03.2022

14.05.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!