© Danny Willems

Leestijd 8 — 11 minuten

Who’s Tupac? – Jr.cE.sA.r / NNT & KVS

En de verliezer is …

Jr. cE.sA.r zetten met Who’s Tupac? hun serie voorstellingen omtrent omstreden figuren voort. De vorm van een talentenjacht parodiërend, roepen ze kritische vragen op rond de vercommercialisering van het lijden van mensen van kleur. Is er binnen dat spektakel nog plaats om te rouwen?

Give us a sad story, crackers love that shit.’ Op slag waren alle twijfels van recensent dezes, hardly fly for a white guy, omtrent zijn geschiktheid de nieuwe voorstelling Who’sTupac? van Jr.cE.sA.r , nom de bataille van Junior Mthombeni en Cesar Janssens, te recenseren verdwenen. Deze twijfels waren niet ingegeven door huidskleur maar wel door mijn relatieve onbekendheid met het oeuvre van Tupac Shakur in het bijzonder en hiphop in het algemeen. Nog meer dan de persoon en het leven van de hiphoplegende bleek de voorstelling echter te thematiseren hoe de kunst van zwarte mensen steevast teruggebracht wordt tot het spektakel van de pijn die eraan ten grondslag ligt. De revolutionaire beloftes die in het werk van Tupac aanwezig zijn, lijken in de decennia sinds zijn dood vooral verkwanseld en vercommercialiseerd te zijn.

Who’s Tupac? is een voorstelling die niet al haar ambities weet te verzilveren. De humor valt al te vaak samen met datgene wat ze hoopt te parodiëren. Genre: love is like a fart. If you have to force it, it’s probably shit. Daarnaast verliest de voorstelling tussen de opzwepende nummers soms spanning. En het lichtontwerp mist scherpte in zijn zoektocht theater en concertsferen te verenigen.    Desondanks zijn dit slechts kleine gebreken in een avond die ons vooral door een wervelende rotvaart weet mee te slepen. Tot het moment dat de emotionele onderlaag expliciet aan de oppervlakte komt en de voorstelling doelbewust onderuit wordt gehaald. De emotionele impact van het stuk hangt af van hoe de toeschouwer deze ontsporing weet te duiden.

Television rules the nation

Regisseur Junior Mthombeni bedenkt voor zijn voorstellingen die gebaseerd zijn op historische, zwarte figuren (eerder al Muhammed Ali, Malcolm X en Winnie Mandela) steevast hybride vormen. Zo zoekt hij de vrijheid om het bronnenmateriaal, ook deze keer weer verzameld en verwerkt door schrijver Fikry El Azzouzi, leven in te blazen op een manier waarbij de meeste biografische theaterproducties verbleken. Mthombeni hanteert in Who’s Tupac? het televisie-format van de talentenjacht en dat werkt uitstekend. Het biedt hem de gelegenheid om de vraag te stellen naar wat er gebeurd is met de nalatenschap van een eens zo radicale kunstenaar als Tupac.

Televisie is bij uitstek een sentimenteel medium. Traditioneel gezien bevindt het toestel zich centraal in de woonkamer en wordt er met het hele gezin gekeken naar programma’s die ons enigszins moeten verzoenen met het leven dat we leiden. Zoals het succes van het fascisme, aldus Adorno, te danken was aan de massacommunicatieve mogelijkheden van de radio, zo is de televisie de grootste verantwoordelijke voor de ideologische overwinning van het kapitalisme. Want dit kapitalisme bedient zich van beelden; het is ongeletterd. Beelden dwingen tot consumptie, waarbij teksten eerder uit zouden kunnen nodigen tot reflectie. Het is misschien een open deur intrappen, maar alle televisie is reclame. En in talentenjachten wordt dit credo op exemplarische wijze duidelijk.

Wat talentenjachten ons voorschotelen heeft weinig met talent te maken. Des te meer met de uitverkoop van het verhaal achter dit talent. Niet diegenen die zich het beste van de opdracht weet te kwijten, zal door het publiek tot winnaar verkozen worden, maar diegenen die hun verhaal het meest behapbaar weten te verkopen. En dat verhaal moet ten alle koste met een triomf eindigen. Een overwinning ondanks alles. De kandidaten die in Who’s Tupac? voor het voetlicht treden, zijn stuk voor stuk behept met kwaliteiten die van hen fantastische performers maken.  Vanaf de beginmedley waarbij iedereen zichzelf aan de hand van die kwaliteiten – zij het rappen, zingen, dansen of een combinatie van de drie – mag voorstellen, weten de acteurs hun personages een vitaal elan mee te geven dat aanstekelijk werkt. Maar dat zal niet genoeg zijn om de gunst van hun talentenjacht-publiek te winnen.

De master of ceremony van de avond, A-Pimp-Named-Slick-Back (met sardonisch genoegen gespeeld door Zediam), houdt de touwtjes namelijk strak in handen. Pimp is de meeste cynische figuur van de bende. Gekleed alsof hij net uit de kleerkast van Flavor Flav rolde, houdt hij het verloop van de avond zo lang mogelijk strak in de hand. Totdat de stoppen doorslaan en hij in een grote ontknoping elke deelnemer ontmaskert als het hoopje verdriet dat hij van hen wil maken. Gepokt en gemazeld in het televisiewereldje weet hij exact hoe de goedgelovige deelnemers te manipuleren opdat zij het beste én slechtste van zichzelf geven. Zo weet hij de spektakelwaarde van zijn circus op te krikken. Geen moment verliest hij de aanwezigheid van zijn publiek uit het oog. Hij weet maar al te goed dat dit publiek hem bestaansrecht verleent en daarom veracht hij het ook, onderhuids en woedend.

Het is zijn job de deelnemers aan dit publiek uit te leveren. Hen telkens te dwingen zich te vormen naar het te verwachten patroon van de overwinning op een leven dat voor geen van hen rooskleurig is geweest. Wat hun aspiraties en dromen ook mogen zijn, de personages worden gereduceerd tot de biografische feiten van hun naakte bestaan. Dit is, aldus Pimp, wat het publiek verlangt en daaraan hebben de deelnemers dus te voldoen. Het heeft zelfs geen zin hier een geheim van te maken. Give them a sad story, they love that shit. De winnaar is diegene die zich het beste aan de verwachtingen conformeert. De kostuums zijn een verbeelding van deze ambities. Gehuld in het gangbare hiphop-plunje van sweatshirts en joggingbroeken, wordt elke outfit geaccentueerd met nepgouden sieraden die de algehele armoedigheid net extra in de verf zetten.

Eén van de ‘deelnemers’, Serpentina, draagt met haar fonkelende van vleugels voorziene jurkje niet alleen de mooiste outfit, zij weet zich van in het begin ook op te werpen als publieksfavoriete. Zij kan zingen, dansen, rappen en weet tijdens de vragenronde alle juist informatie over het leven van Tupac te debiteren. De geruchten willen dat ze hiervoor met Pimp geslapen zou hebben. Wanneer haar gevraagd wordt haar droevige achtergrondverhaal te vertellen, neemt ze het publiek volgaarne in de maling. Tongue very much in cheek, dist ze ons een verhaal van zombies en in vuilniszakken gevonden baby’s op waarbij ze haast stikt in het lachen. De afstand die zij tussen het publiek en haar achtergrond weet te bewaren, toont hoe goed zij weet wat er van haar verwacht wordt. “Geef het publiek schijnbaar alles wat ze willen, maar laat ze erom smeken.” Toch zal uiteindelijk ook zij zich rekenschap moeten geven van de kostprijs van haar overwinning. Wanneer zij in de laatste scène haar rechtmatige troon bestijgt, kijkt ze uit over een koninkrijk dat zich nauwelijks van een slagveld laat onderscheiden. Haar overwinningsspeech ontrafelt voor onze ogen tot incoherentie. Het rechtstreekse gevolg van de wending die het geheel in het laatste halfuur genomen heeft.

Een spektakel van pijn

Tupac Shakur werd neergeschoten toen hij 25 jaar oud was. Zijn leven stond in het teken van de strijd om emancipatie. Afeni Shakur werd een maand voor de geboorte van haar zoon nog aangeklaagd voor een aanslag die zij als lid van de Black Panthers gepleegd zou hebben. Uiteindelijk zou zij ook haar zoon herdopen met de naam waaronder we hem nu kennen als eerbetoon aan een revolutionaire Inca-leider. Túpac Amaru II kwam in opstand tegen de Spaanse kolonisators en werd om die reden gevierendeeld.

Via een voice-over wordt het verhaal van Tupac’s naam doorheen de voorstelling verweven als een sprookje dat, tegen de genreconventies in, geen gelukkige afloop kent. Een ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ wordt blijkbaar enkel gegund aan een specifiek soort held. Met het sprookjeselement wordt ook een nieuw genre met bijhorende conventies de voorstelling binnengebracht. Sprookjes zijn eens te meer verhalen waarin al dan niet onschuldige protagonisten gedwongen worden proeven te ondergaan die hen uiteindelijk zullen dwingen tot een transformatie die in zichzelf reeds de beloning is. Het koninkrijk en de prinses zijn dan veelal mooi meegenomen.

Het is misschien onwaarschijnlijk, maar ook hiphop zou als een sprookjes gelezen kunnen worden. Als meest recente loot aan de stam van Afro-Amerikaanse muziek, behoort zij tot een artistieke traditie waar het overwinnen van tegenslag, door middel van geloof in iets hogers, centraal stond. Of zoals Kanye West het reeds zei: Is hiphop just a eufemism voor a new religion, the soul music of the slaves that the youth is missin’? Na de neoliberale omwenteling onder president Reagan verschoof de thematische focus van het geloof in iets hogers, uit bijvoorbeeld de gospel, binnen de hiphop, en zeker de gangstarap waartoe Tupac gerekend wordt, naar een focus op de eigen ‘struggle’. De muziek uit de schaduwzijde van the American Dream zou deze droom nu net gaan bewieroken als ontsnappingsroute voor diegenen die door haar vergeten werden. In Who’s Tupac? wordt hiphop dan ook voorgesteld als een doelbewust spel met de karikaturen van de zwarte representatie. Het referentiekader van hiphop bestaat voornamelijk uit een geleefde ervaring getekend door de erfenis van 400 jaar slavernij, gettoïsering, the war on drugs als a war on black people en de droom aan dit alles te ontsnappen middels materieel succes. With my mind my money and my money on my mind. luidt het in Gin and Juice van Snoop Dogg.

Aldus worden de geplogenheden van het sprookje, de talentenjacht en hiphop verstrengeld tot een onontwarbaar kluwen waarin de deelnemers verstrikt zitten. Om hieraan te kunnen ontsnappen, om te kunnen winnen, worden zij des te meer aan de biografie gekluisterd waaraan ze nu net willen ontsnappen. Net als Tupac wordt het de deelnemers niet gegund boven hun tragische levensloop uit te stijgen. De focus ligt op hun pijn, die getransformeerd moet worden, tot spektakel voor een publiek dat vooral de maatschappelijke verhoudingen bevestigd wil zien. De enkeling die hieraan weet te ontsnappen is de uitzondering die, eerder nog dan de regel, de droom bevestigt.

Learning how to mourn

De sfeer slaat helemaal om wanneer Serpentina een monoloog ten beste brengt die woordelijk ontleend werd aan de beelden, die vorig jaar viraal gingen, waarin we George Floyd onverhoord om zijn leven zagen smeken.

De scène slaagt erin ons met dezelfde onthutsende impact te raken als de beelden van toen, onder meer door de ondraaglijke lengte. Opnieuw voelen we de onmacht van het toekijken. Het incorporeren van deze horror is verwarrend in een voorstelling die eerder lustig speelde met de fictionalisering van lijden om deze maar verkocht te krijgen: de beelden van George Floyd confronteren ons juist met een harde realiteit die niet vermarkt zou mogen worden. De referentie ernaar breekt de fictie open en dwingt ons in een confrontatie met “le réel” zoals Gilles Deleuze dat definieerde. “Le réel” is datgene wat zich achter elk discours, elke fictie ophoudt en pas zichtbaar wordt wanneer het discours ontmanteld wordt.

Wat komt dit “réel” hier doen? De voorstelling lijkt zichzelf te ontmantelen met deze breuk in haar fictie. Wordt met deze ingreep gesuggereerd dat alles uiteindelijk een verkoopbaar product wordt? Is deze voorstelling cynischer dan we tot nu toe wilden begrijpen? Who’s Tupac? werpt deze vragen op en laat ze in de lucht hangen.

De referentie naar de moord op George Floyd is een kantelpunt in de voorstelling. Hierna is er geen weg terug naar het speelse televisie-format, de elektriserende extase van de muzikale performances. De muziek van Cesar Janssens die tot nu toe in kruisbestuiving met de hele hiphopcatalogus swingde, flowde en tot dansen verleidde, balt zich samen tot een soundscape van beukende bassen. De scenografische installatie wordt tot Inca-piramide omgebouwd door de nu met rouwwit geschminkte acteurs. Ze plukken de prijzenkast van weleer kaal en brengen de bloemen, portretten en relikwieën naar het proscenium. Een ritueel wil zich hier voltrekken.

Het publiek wordt bedolven onder briefgeld en bloemen. Evenzeer een memento mori als de herinnering dat alles vanitas vanitatum is. Ondertussen dansen, strompelen en kruipen de acteurs over de scène. De bravoure waarmee ze hun lichamen droegen tijdens het rappen en zingen, hebben ze naast zich neergelegd. Nu lijken hun lichamen zich de pijn te herinneren die ze achter hun personages trachtten te verstoppen. Dansen als epileptische aanval. Een evocatie van de sociale kwetsuren waartoe het zwarte lichaam veroordeeld wordt.

Het ritueel doet me in al haar intieme pathos denken aan Benny Claessens’ voorstelling Learning how to walk. In het laatste deel, Learning how to die, werd ook een ritueel opgezet waarbij het de bedoeling was reeds een voorschot op het eigen sterven te nemen. In Who’s Tupac? moet echter niet geleerd worden hoe te sterven, maar hoe te rouwen om de stroom aan in de kiem gesmoorde levens waarvan Tupac Shakur slechts een van de meest bekende is.

Het medium theater indachtig zou dit ritueel een poging tot catharsis kunnen zijn. Maar voor wie? De dood van George Floyd heeft de fictie die aan deze catharsis ten grondslag zou moeten liggen, onbruikbaar gemaakt. Het publiek wordt achtergelaten met een schrijnend ongemak waarvan het niet helemaal duidelijk is of dit de verdienste van de voorstelling dan wel haar falen is.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!