© Koen Broos / KVS

Gilles Michiels

Leestijd 3 — 6 minuten

Who’s afraid of Virginia Woolf – Mesut Arslan & Platform 0090 / KVS

Spettende verbale stoelgang

Als ultieme scheldklassieker is Who’s afraid of Virginia Woolf een feest voor acteurs. Mesut Arslan zet met KVS en Platform 0090 een doorleefde versie van het stuk neer, maar zijn conceptuele aanpak en fascinerende beeldtaal voegen nauwelijks inhoudelijke verdieping toe.

Weinig regisseurs geven familiale conflicten in zulke originele ensceneringen vorm als Mesut Arslan. Eric De Volders Nachtelijk Symposium zette de Turkse Vlaming naar zijn hand in een indrukwekkende arena met houten tollen, een scenario van Nobelprijs-winnaar Orhan Pamuk liet hij plaatsvinden in het pikkedonker, tussen drie tl-buizen die de acteurs tot schimmen reduceerden.

Laat Who’s afraid of Virginia Woolf, de klassieker van Edward Albee die hij deze keer onder handen neemt, nu de populairste theatertekst van het jaar zijn. Na Compagnie De Koe, Dood Paard, een afstudeerlichting op KASK en Tom Lanoye en Koen De Sutter bij NTGent is Arslan al de vijfde in 2019 die ermee aan de haal gaat. En dus is zo’n onderscheidende regie waar hij een patent op heeft extra gewenst.

De populariteit van de theatertekst is ongetwijfeld te verklaren door de messcherpe dialogen – een godsgeschenk voor acteurs die graag de extremen opzoeken. Albee voert George en Martha op (hier vertolkt door Frank Dierens en Darya Gantura), een koppel van middelbare leeftijd dat zijn liefde belijdt door spelletjes vol treiterijen en vernederingen.

Op een avond ontvangen de echtelieden het jongere stel Nick en Honey (Rashif El Kaoui en Dorien De Clippel). Net als George is Nick een ambitieuze mannelijke academicus, net als Martha heeft Honey een kind verzonnen en profiteert ze van een steenrijke vader. Meer dan die confronterende spiegelconstructie, wat alcohol en de nodige schaamtes en frustraties hebben Albee en Arslan niet nodig voor verdubbeld verbaal vuurwerk.

Kibbelkabinet

Dat Who’s afraid of Virginia Woolf alomtegenwoordig is, is evenmin vreemd nu polarisering en verbale uithalen tot politieke orde van de dag uitmaken. Wat kan een kibbelend koppel ons vertellen over machtspolitiek en massamedia, over een maatschappelijk debat waarin de ene stem oververtegenwoordigd is en de andere genegeerd wordt? Die vraagstelling lijkt aan de basis te liggen van Arslans enscenering, die andermaal opvalt door zijn bijzondere beeldtaal.

In een podiumloze KVS Box is een wirwar van stoelen over de volledige zaal uitgestald. De acteurs zoeken nu eens dekking tussen het publiek en schelden elkaar dan weer verrot aan beide uiteinden van de zaal. Als toeschouwer tolt je hoofd alle kanten uit, alsof je live naar een tennismatch kijkt, en moet je geregeld ook je stoel afstaan, aangezien die wordt gebruikt voor een veranderend decor.

Tussen dat publiek zitten ook twaalf andere acteurs verstopt, anonieme toeschouwers die zich geleidelijk aan ontpoppen tot een stemmenkoor. Later in het stuk, als zij de chaotische opstelling inruilen voor twee tribunes, zullen ze de schreeuwende echtelieden om beurten bijvallen, tegenspreken of overstemmen, als voetbalsupporters of parlementsleden.

Wellicht wil Arslan zo ook de ‘echte’ toeschouwers uit hun passieve rol ontheven en een rijkere lezing mogelijk maken – wie moet je geloven als het ene woord tegen het andere opbotst? Waar is de objectieve grond nog in het opbod van meningen? – maar om de tekst van Albee niet alleen te verhevigen maar ook te verdiepen, is het koor te eenvormig en te functioneel ingezet.

Libera me

Overtuigen doet deze voorstelling wel met zijn memorabele beelden. Onder een lichtontwerp van Jan Maertens weten Arslan en scenograaf Pascal Leboucq klassieke decors te boetseren, die het huiskamerconflict tot mythische proporties (en tweeënhalf uur theater) opblazen. Zeker de slotscène, wanneer het koor Libera Me aanheft, een sacraal dodengebed op muziek van Peter Spaepen, en George en Martha elk aan één kant een gigantische stoelenmuur opklauteren, blijft lang op het netvlies gebrand.

Dat de voorstelling ondanks die grootsheid en de fysieke afstand toch een gevoel van intimiteit weet te behouden, is vooral te danken aan de acteurs, met op kop Frank Dierens en Darya Gantura. Hij blinkt uit met charismatische retoriek, zij met giftige beheersing: in hun demonische spel, waarvan alleen zij de regels bepalen, is elkaar tot op het bot vernederen net de grootste blijk van liefde – in de slotseconden flakkert zelfs een sprankel hoop op.

Ten slotte kun je je afvragen of de vrouwen in het stuk – na het overlijden van Albee in 2016, die streng toekeek op bewerkingen van zijn stuk – niet aan een update toe zijn, nu de tekst niet langer als tijdsdocument wordt ingezet, namelijk als satire op de Amerikaanse samenleving uit de jaren 60, maar ook als moderne commentaar dienstdoet. Meer uitgediepte nevenrollen, zoals die van Dorien De Clippel, die zowat de helft van de tijd ligt te braken, hadden de polarisering waarover de regisseur het wilde hebben misschien meer op het voorplan geplaatst.

Deze Who’s Afraid of Virginia Woolf? blijft dus niet bij door zijn politieke commentaar, maar wel omwille van zijn treffende visuele vertaling van een verbale veldslag. Daarin is de beeldendenker Arslan wonderwel opnieuw geslaagd.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Gilles Michiels

Gilles Michiels recenseert theater voor De Standaard en Etcetera, is lid van kunstkritiekcollectief De Zendelingen, redacteur bij rekto:verso en hoofdredacteur van OPENDOEK-magazine.

recensie