Itch & Fear SALVA SANCHIS, DECEMBER 2000

Arne Lievens

Leestijd 10 — 13 minuten

Wat doe je overdag?

‘Er was telefoon voor jou. Van een regisseur, ik kon zijn naam niet verstaan. Hij sprak over een productie tijdens de komende zomer, met veel toeters en bellen. Hij belt overmorgen terug!’ Dat was het eerste wat ik van onder de douche te horen kreeg over een voorstelling die inderdaad zou uitgroeien tot een gigantisch multimediaal openluchtspektakel.

‘Waarom overmorgen pas?’ vroeg ik me ongeduldig af. Voorlopig moest ik het stellen met de wetenschap dat iemand ergens op een bepaald ogenblik iets groots met veel licht gerealiseerd wilde zien.

Twee dagen later, het telefoontje. Regisseur X, productie Y. Wat begon als een heldere uitleg over tekst, locatie, acteurs, dansers, muzikanten enz., eindigde nogal verward in een klaagzang over onvoldoende subsidies, gebrek aan goede technici, onzekerheid over de nodige vergunningen en een gedemotiveerde promotieploeg. ‘Maar,’ voegde hij er in één adem aan toe, ‘ik zou het fantastisch vinden als jij voor dit project het licht wilt maken.’ Impulsief zei ik ja.

Meestal vraag ik bedenktijd of gebruik ik de smoes dat mijn planning nog niet vastligt en dat ik dus eerst moet checken of ik in de voorgestelde periode vrij ben. Een handige leugen, die bovendien de indruk wekt dat je een héél erg begeerd ontwerper bent. Deze keer echter konden mijn gemengde voorgevoelens mijn enthousiasme niet temperen. Ik wou er stante pede aan beginnen, maar het startsein liet jammer genoeg nog lang op zich wachten. ‘Vergeet nooit, mijn jongen, geduld is een schone deugd,’ hoorde ik mijn grootmoeders stem troostend door mijn hoofd galmen.

Intussen kon ik wel de locatie verkennen: de ruïnes van een grote, laatmiddeleeuwse abdij, waarvan alleen de muren moeizaam de eeuwen hadden overleefd. Midden in een stuk bos. Ik vond het prachtig. Een hoop beschimmelde stenen en verder niets! Geen elektriciteit, geen leidingwater, geen verwarming, geen vlotte toegangsweg. Alleen varens, véél varens, spinnenwebben en gezonde lucht. Dit zou allesbehalve een makkelijke klus worden. Toch kwamen er meteen enkele embryonale ideeën bij me opborrelen. Ik krabbelde ze zeer professioneel op de achterkant van een oud treinticket, wat me later, tijdens één van de vele brainstormmomenten, behalve wenkbrauwgefrons ook een verrassende schouderklop van de regisseur opleverde. ‘Ik doe dat op servetten en bancontactpapiertjes,’ fluisterde hij.

We zaten blijkbaar op dezelfde golflengte.

Spotvrij

Op de eerste medewerkersvergaderingen, aan het begin van het productieproces, kwamen het positivisme en de goodwill rijkelijk uit de hemel vallen. Er werd volop nagedacht, overlegd en afgesproken en soms leek het of de ganse meute gezamenlijk op vakantie zou vertrekken. Ik was vooral blij met de hapjes én met de contractuele bevestiging die ik na een hoop gezeur eindelijk op zak had.

Vanaf toen trok ik regelmatig naar de plek des onheils. Daar was een stevig team wekenlang zoet met het bouwen van de ingewikkelde podiumconstructie annex tribune, die de decorontwerpster bedacht had. Ik probeerde tegelijkertijd alle openingen onder, naast en achter dit gevaarte te reserveren voor het licht. Ook elk voldoende groot gat in de oude dikke muren werd door mij in beslag genomen. Ik had namelijk besloten om de natuurlijke sfeer van de ruïne en haar omgeving zo goed mogelijk intact te laten door geen enkele lichtbron zichtbaar binnen het gezichtsveld van het publiek op te stellen. Naast en achter de tribune vormde dat geen probleem, daar kwamen toch verschillende tien meter hoge torens te staan voor de regie van licht, geluid en video en voor het frontlicht en een pak speciaaltjes. Zolang de mensen echter recht voor zich uit naar het geboden schouwspel keken, moest hun beeld spotvrij zijn.

Dit was nieuw voor mij. Tot dan toe had ik precies het tegenovergestelde gedaan: alles wat met licht te maken had, moest zichtbaar zijn. Soms plaatste ik zelfs statieven met lampen op de scène. Tussen de acteurs, pal op hen gericht. Oorspronkelijk had ik dat een keer gedaan om te zien hoe ze zouden reageren, maar ik vond het uiteindelijk nog mooi ook. En wat de reacties betrof: blijkbaar vielen acteurs beter mee dan ik toen verwachtte!

Een andere belangrijke keuze die ik gaandeweg maakte, was het niét gebruiken van bewegend licht. Ondanks de ruimte die mijn budget hiervoor bood en ondanks de aard van deze voorstelling. Of net dankzij eigenlijk, want tijdens het zoeken naar en tekenen van een basislichtplan realiseerde ik me dat het spectaculaire sowieso overvloedig aanwezig zou zijn. Het geheel kon dus veel beter ondersteund worden door eenvoudige, sterke beelden dan door heen en weer zwierende macho-lichtbundels. Zodoende kregen ook de andere elementen de kans om zich te profileren, waardoor de voorstelling een rijk èn evenwichtig evenement kon worden.

Het vervelende van zo’n redenering is natuurlijk dat je niet zeker weet of het uiteindelijk zo zal uitdraaien. Maar ik vertrouwde op mijn intuïtie en negeerde de smeekbedes van enkele technici. Voor hen waren de computergestuurde lieverds uiteraard het gedroomde speelgoed. Hadden ze nu eindelijk de kans om er mee te… eh spelen en dan vond zo’n verwaand lichtmanneke die technologische wondertjes overbodige ballast! Alleen in déze context, drukte ik hen op het hart. Maar ik kon ze niet overtuigen.

‘Waarschijnlijk kan hij er niet eens mee werken,’ fezelde één van hen opzettelijk te luid.

‘Dat zal voor jou eeuwig een raadsel blijven,’ repliceerde ik.

Daarna volgde een periode van relatieve zenuwstilte. De lichttorens werden probleemloos in elkaar gezet en ik kon stilaan beginnen aan het veldwerk: plaatsen van extra buizen voor ophanging van de spots, graven van greppels voor bekabeling, in orde brengen van het weinige lichtmateriaal van het gezelschap en aanbrengen van regenbescherming. Ook een aantal belangrijke logistieke problemen raakten opgelost. Elektriciteit kwam niet langer uit een veel te lichte noodbatterij, maar uit een geruisloze dieselgenerator. Nu ja, geruisloos, dat begrip was blijkbaar met oorwatjes gedefinieerd. Er kwam ook een grote mobiele tank met drinkwater en voor de verwarming… tja, daarvoor moest het publiek zelf zorgen. Op de flyers zou men uitdrukkelijk dikke kousen, laarzen en warme kledij aanraden.

De promotie kwam verder nog op het idee om iedereen op voorhand een deken en achteraf een warme grog met citroen aan te bieden. Hun motivatie was bijlange zo slecht niet, constateerde ik opgetogen.

De regieassistente, een charmante verschijning overigens, kwam in die dagen regelmatig informeren naar de stand van zaken. ‘Voorlopig gaat het goed,’ was iedere keer mijn droge standaard antwoord, beseffende dat het moeilijkste nog moest komen. ‘Voorzichtigheid is immers de moeder van de porseleinen olifantjes!’ Opnieuw mijn grootmoeder. Met haar eigen versie.

350 spots

‘Wanneer gaan we eindelijk eens op locatie repeteren? Ik ben dat kot hier kotsbeu!’ schreeuwde één van de hoofdrolspelers na de wekelijkse doorloop op vrijdagnamiddag. Anderhalve maand hadden de acteurs gerepeteerd in een oude, verwaarloosde balzaal in het dichtstbij gelegen dorp en nu hadden ze zuurstof nodig.

Ik was elke week een paar keer langs geweest om de nieuwste ontwikkelingen te volgen en voelde ook de behoefte om alles samen te voegen. Decor, acteurs, licht, dansers, muziek, video en kostuums: deze ingredienten moesten stilaan samen in de pan.

Alleen, er waren technische problemen gerezen. Het decor zat onverwacht achter op schema en het licht was er niet. ‘Hoezo,’ beet de regisseur me toe, ‘het licht is er niet? Het moet! Ik wil maandagavond met alles d’erop en d’eraan kunnen werken.’

‘Een gedeelte van de belichting is geïnstalleerd,’ probeerde ilc voorzichtig, ‘de rest moet nog gebeuren omdat er een misverstand was met Illumina, het bedrijf waar we het materiaal huren. Ik had gevraagd om het woensdag te leveren en zij hadden zaterdag begrepen, omdat die kwiet van de verhuur-afdeling blijkbaar de datum slordig genoteerd had.’ Iedereen zweeg.

‘Nu heb ik kunnen regelen dat ze het straks rond acht uur toch komen brengen en dat…’ ‘Waarom heb je geen andere firma gezocht?’ onderbrak de regisseur me.

‘Omdat geen enkele firma in staat is om tijdens het hoogseizoen zomaar 350 spots, 220 dimmers en tientallen kilometers kabel bijeen te toveren.’ Opnieuw een veel te lange stilte.

‘De enige oplossing is dat we het ganse weekend doorwerken,’ zei ik een beetje teleurgesteld, ‘maar dan moet iedereen van de technische ploeg bereid zijn om te blijven. Ze hebben al tamelijk veel overuren gepresteerd, dus ilc weet niet of…’

Plots stond daar de zakelijke leider van het gezelschap. ‘Bereid of niet bereid, dat kan mij geen fluit schelen, dat klotespel moet daar tegen maandag staan!’

Na deze subtiele interventie en de nodige discussies werd besloten dat we zouden doorwerken. Daar ging de verjaardag van mijn dochter. Nog iets wat ze mij later – terecht – zal aanwrijven.

De maandag daarop, in de namiddag, toen we met z’n allen van een kop koffie zaten te genieten, kwam onze charmante regieassistente opnieuw voorzichtig poolshoogte nemen.

‘Ziezo, mamzei,’ meldde ik blij. ‘Fiat lux! Er kan vanavond gerepeteerd worden.’

‘Maar of god ook zal zien dat het goed is, dat kan ik niet garanderen.’ Ze lachte speels naar me, zoals alleen charmante regieassistentes dat kunnen, en verdween kwieker dan ze gekomen was.

Die avond bleek wat in de pan zat nog niet veel soeps. Toch bleef iedereen optimistisch: we hadden nog een drietal weken voor de boeg en alles zou wel in goede plooien vallen. Wat mij betrof: ik stond terug met beide voeten op de grond. Van alle lichtsferen en -overgangen die ik op papier had bedacht, bleek meer dan de helft waardeloos. Ik wist wat te doen. Vanaf nu paste ik fulltime de ‘trial and error’-methode toe. Elke dag werden tientallen spots verhangen of vervangen door een ander type om dan ‘s avonds te constateren dat het nog steeds niet goed was. Enfin, op het einde van die week was ik toch wel tevreden over de gemaakte vorderingen. Er restten mij nog tien dagen om met het nodige Fingerspitzengefuhl de finishing touch te leggen.

Alles voor de kunst

‘Godvermiljaardenondedju!’ Ik dacht ter plekke in de modder weg te zinken toen ik die ochtend ons heiligdom aanschouwde. Het voorbije weekend had het enorm geregend en nog veel meer gewaaid. Dat het stormweer zo’n ravage zou aanrichten had niemand van ons verwacht. Een grote boom was op het decor terechtgekomen en één van de lichttorens achter de tribune was door de moerassig geworden grond en de rukwinden opzij gevallen, maar gelukkig halfweg zijn duik tegengehouden door de takken van een bejaarde eik. Enkele dure profielspots bleken zwaar beschadigd en een dikke, 50 meter lange multikabel was zomaar doormidden getrokken.

Okay, dacht ik, als we dan toch zonodig op de boerenbuiten brokken willen maken dan moeten we de boeren maar eens buiten zien te krijgen. Twee tractors en een stel goedlachse kerels werden opgetrommeld en met alle aanwezige mankracht slaagden we er tegen valavond in om alles opnieuw min of meer in orde te krijgen.

De regisseur begon evenwel heel erg zenuwachtig te worden. De voorstelling stond bijlange niet op het beoogde niveau en de onrust onder zijn troepen werd alsmaar heftiger. Hij kon een verloren dag missen als een gebroken neus op skiverlof.

‘Moet je hier maar geen theatertje komen spelen,’ hoorde ik een koppel bosgeesten fluisteren. Bosgeesten? Of was het mijn vermoeidheid? In elk geval, ik kon ze op dat moment geen ongelijk geven.

Van toen af was het voor mij telkens wachten op het schemerdonker. Dan begon ik mij te amuseren met het herrichten van spots, het verwisselen van kleurfilters en het corrigeren van lichtstanden. Ik probeerde hierbij ook een minimum aan effecten te integreren, waaronder een paar trage chasers. Voor mij waren ze de nog ontbrekende, subtiele maar essentiële vlekken verf op een bijna voltooid abstract schilderij. Merkbaar aanwezig zonder schreeuwerig de aandacht te trekken.

Na de dagelijkse doorloop en het commentaar van de regisseur, als iedereen weg was, bleef ik nog wat verder prutsen, zoals ik dat zelf noem. Meestal tot twee uur, één uitzonderlijke keer tot halfvijf.

Nu, ik vind mezelf geen sissy, maar toén bleek dat ik ook géén volbloed stoere bink ben. ‘s Nachts helemaal alleen vertoeven op een laatmiddeleeuwse, ex-goddelijke plek in een door geesten bevolkt bos met wankele bomen ver van de bewoonde wereld ervoer ik absoluut niet als gezellig. ‘Maar,’ pepte ik mezelf op met de regelmaat van een atoomklok, ‘alles voor de kunst!’

Het had resultaat: twee dagen voor de première was het lichtontwerp voor 90% af.

Dacht ik.

Zenuwen

Een danseres, de sympathiekste trouwens, kon ineens onmogelijk ‘op die manier’ dansen.

‘Elke keer als ik mijn hoofd opzij draai, krijg ik die rij stomme lampen- die onder die verhoging daar – vlak in mijn gezicht. Zo kan ik écht niet dansen, ik word telkens verblind en verlies mijn evenwicht!’

Mijn diagnose was snel gemaakt: zenuwen, spanningen, stress. Als er iets niet lukt, wordt de oorzaak buiten het podium gezocht. Wat ligt dan voor de hand? Het licht!

‘De spots die jij bedoelt,’ begon ik rustig, ‘hangen daar al van in het begin. Het zijn zowat de enige die nooit van plaats zijn veranderd. Alle repetities tot hier toe heb je succesvol mèt hen volbracht, waarom kom je dan nu klagen?’ Geen antwoord.

‘Kun je ze eventueel uitdoen in deze scène?’ probeerde iemand.

‘Dat kan, tuurlijk, maar dat wil ik niet.’ Verbaasde blikken.

‘Die lampen vormen de basis van het scènebeeld. Ze werpen bijvoorbeeld verschillende schaduwen van haar op het vlak aan de overkant, precies op de plaatsen waar de andere dansers staan, die op dat ogenblik haar duistere, verborgen kanten symboliseren. Dat wordt nergens gezegd of uitgebeeld, maar door het licht is dat voor iedereen helder. Als ik ze wegneem, dan valt ook alle magische…’

‘Ja, ja, ja, ‘t is al goed.’ De regisseur. Hij nam haar terzijde en sprak haar nieuwe moed in. Om een handje te helpen zei ik dat ik die vervloekte spots op een lager percentage zou zetten, zodat ze warmer wit en minder verblindend zouden zijn. ‘Dank je,’ klonk ze nadien bijna verontschuldigend. Gelukkig heeft ze nooit geweten dat ik helemaal niks veranderd had aan de intensiteit. It’s all in the mind, my dear!

Een paar uur na deze repetitie evolueerde de stemming van algemene nervositeit naar overdreven hilariteit. Morgen was het immers ‘de generale’. We waren er duidelijk klaar voor. Er werden grapjes gemaakt en pintjes gedronken en ondertussen werd de voorstelling voor de zoveelste keer van voor naar achter geanalyseerd.

‘Toch jammer,’ sprak de aangeschoten kostuumontwerpster me plotseling vanuit het niets toe, ‘dat we jouw idee met die brandende fakkels nooit geprobeerd hebben. Op het einde.’

‘Ja!’ werd er in koor luidruchtig gereageerd.

‘Kom, we gaan dat voorstellen, misschien kan…’

‘Momentje, momentje, momentje,’ onderbrak ik de pret, ‘dat was als grap bedoeld! Ik heb dat gezegd omdat ik vond dat het er op die vergadering veel te ernstig aan toe ging. Je moet dat niet au sérieux nemen.’

‘Toch wel! Het zou in deze omgeving een schitterend effect geven, echt waar. Twee uur aan een stuk weten de mensen niet wat ze meemaken: live toestanden, actie, toeters en bellen, de ganse rimram en daarna, als apotheose, een lange, stille, beklemmende scène uitsluitend in fakkellicht. Schitterend!’ De kostuumontwerpster leek wel herboren. ‘Je hebt het zelf voorgesteld,’ voegde ze er haastig aan toe.

‘Maar dat is een oud idee, de voorstelling is ondertussen in een andere richting geëvolueerd!’

Het mocht niet baten. Na amper vijf minuten was het voorstel zonder de minste weerstand unaniem aanvaard.

Ik werd een beetje venijnig. ‘Wie zal dat betalen? Mijn budget is volledig opgesoupeerd.’

‘Dat is een probleem voor de producent, niet voor ons.’

‘En het lichtconcept dan? Die laatste scène refereert onder andere aan de eerste. Ik moet dat met een vingerknip zomaar eventjes aanpassen, zeker?’

‘Concept, concept, man toch,’ klonk het relativerend, ‘je vindt wel een ander, hoor.’

Mijn tegenaanvallen waren zinloos. Ik voelde me verraden door een flauwe grap van eigen kweek. Met niet licht op te vatten gevolgen: de dag nadien fast forward nadenken, spots verplaatsen, herrichten en fakkels op de kop zien te tikken om dan ‘s nachts opnieuw op de computer lichtstanden aan te passen.

Maar, het moet gezegd, het loonde de moeite. De ontknoping werd stukken spannender en krachtiger èn dus beklijvender.

Boordevol adrenaline en tegelijk zwaar uitgeput ging ik de première tegemoet. Het applaus dat luttele seconden na het doven van de laatste fakkel losbarstte, sprak boekdelen. De voorstelling was zo goed als perfect verlopen. Op het podium klikte het vanaf de eerste woorden, technisch verliep alles zoals het hoorde en het publiek was de hele tijd aandachtig enthousiast geweest. Ongelooflijk! Wie had dat verwacht?

Toen ik zinderend van opwinding van de regietoren naar beneden klom, kwam een man met ‘midlifecrisis-uiterlijk’ naar me toe.

‘Heb jij de belichting gedaan? Proficiat!’ zei hij, nog voor ik kon reageren. ‘Sober en poëtisch. Goed zo! Is dat jouw job?’ denderde hij verder. Ik kon een lach niet onderdrukken. ‘Ik bedoel, doe je dat altijd?’

Ik probeerde een genuanceerd antwoord te formuleren. ‘Ik doe dat freelance. Sommige periodes heb ik te veel werk, andere helemaal niks. Het hangt er dus vanaf hoe…’

‘Allez, zeg!’, blafte hij. Meer midlife-commentaar kwam er niet uit. Geruisloos wou ik er vandoor, maar hij hield mijn arm vast.

‘En… wat doe je overdag?’

‘Hetzelfde.’

De verbazing spatte uit zijn oogbollen.

‘Allez, zeg!’ Waarop hij kordaat naar de uitgang verdween.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Arne Lievens