Mirage – Damien Jalet / Kohei Nawa / Ballet du Grand Théâtre de Genève
Dansen in een nevel van glitter en luchtspiegelingen
Helen D’Haenens
De theaterzaal is bij uitstek de plek voor drama en ontlading. Maar wat als makers besluiten om de pijn van een intergenerationeel trauma niet op te voeren, maar ook niet te laten verdwijnen? Om te doseren als vorm van zorg en verzet? Maliqa Fye vraagt het zich af na het zien van Dit is (niet) de evolutietheorie van de troost en doorweeft haar eigen genealogie van pijn door die van Aya Sabi en Dounia Mahammed.
Terwijl ik de zaal binnenwandel, word ik begroet door de warme glimlach van Dounia Mahammed, die al op scène zit. Nog voor er iets gezegd wordt, ontbreekt elke verwachting, niet als statement, maar als uitnodiging. De voorstelling begint niet met taal, maar met aanwezigheid.
“Dit is het verhaal van mijn moeder, grootmoeder, overgrootmoeder, voormoeders.”
De voorstelling is geïnspireerd door het boek Half Leven van Aya Sabi, waarin de verhalen van drie vrouwen, een grootmoeder, een moeder en een kleindochter, door elkaar worden geweven tegen de achtergrond van de Marokkaanse onafhankelijkheidsstrijd en een migratie naar Nederland. Sabi schetst een intergenerationeel trauma, een pijn die wordt doorgegeven over generaties heen.
De voorstelling vertrekt hieruit en vormt een fragmentarische monoloog over die geërfde pijn, een pijn die zich vastzet in het lichaam. Maar de voorstelling stelt ook een aanvullende vraag: wat wordt er nog doorgegeven, naast pijn?
Mahammeds personage, Shams, draagt een trui met daarover een oversized zwarte T-shirt, een zwarte broek en opvallende platformpantoffels met zebraprint. Het soort outfit dat ik meteen herken. Ik draag hem ook: wanneer ik het huis uit moet maar eigenlijk niet wil, of net wanneer ik binnen mag blijven. Een comfortuniform, zou je kunnen zeggen. Kleding die zacht wil zijn tegen de huid, die de scherpe randen van de dag afvlakt. Die zachtheid keert terug in de ruimte zelf.
Shams zit op de vloer, met naald en textiel in de hand. Tussen het spreken door houdt ze zich bezig met naaldvilten: het decoreren van stof door met een naald wolvezels vast te prikken. Ik kijk naar hoe de naald de stof binnendringt. Eerst langzaam, dan sneller, met meer urgentie. Het is misschien de enige handeling die een duidelijke inbreuk maakt op de radicale zachtheid van de voorstelling. Tegelijk staat het bijna haaks op het resultaat: kleurrijke dekens die op scène hangen. De sfeer blijft integer, warm, huiselijk.
Doorheen de voorstelling keert Shams steeds terug naar naald en textiel. Niet als ritueel, niet als choreografie, maar als iets wat nodig lijkt. Een handeling om bij te blijven, die het kijken vertraagt. Mijn aandacht ook.
Tijdens het kijken voel ik vertrouwen. Ik voel me gedragen door de sfeer en de woorden, meer nog; de hele zaal lijkt zich collectief over elkaar te ontfermen. Een gedeelde houding, een gezamenlijk respect voor de kalmte waar velen onder ons nood aan lijken te hebben. Tegelijk voel ik wantrouwen. De theaterzaal is bij uitstek een plek voor drama, voor escalatie, voor ontlading. Waar de spanning hoog moet worden gehouden, waar iets moet gebeuren, waar de aandacht van een publiek moet worden opgeëist. In mijn eigen maakpraktijk voel ik die drang ook: om te verrassen, te overdonderen, te verbluffen. Zelfs saaiheid wordt geïnstrumentaliseerd, ingezet als dodelijk middel. Wat gebeurt er wanneer dat uitblijft? Wanneer pijn niet wordt opgevoerd, maar ook niet verdwijnt?
Er is sprake van een allesomvattende chronische pijn, zowel een letterlijke pijn (verkramping, een stokkende adem, spierspanning, krakende kaken) als een historische pijn, en toch is er een duidelijke weigering om die pijn spectaculair te maken. Geen traumaporno, geen reconstructie van wat voorafging, geen opsomming van heftige gebeurtenissen of stormen. Wat zich ontvouwt, gaat over wat overblijft. Over rimpelingen. Over hoe ver ze reiken.
De monoloog is zoekend, niet verklarend. Er is geen eindmeet. Die zachtheid zit ook in de dramaturgie, in het spel, in de tekst; niet als geruststelling, maar als een volgehouden keuze, als een daad op zich. Een daad die leeft naast het trauma, dat niet expliciet wordt uitgesproken, maar wel voelbaar blijft. Het wordt niet opgelost.
De monoloog wordt af en toe onderbroken door muziek en dans. Shams schudt hun lichaam los in schokkende bewegingen. Geen complexe choreografieën, maar eerder een loslaten van vorm om de spanning te laten ontsnappen. Er wordt een lied gezongen, er wordt gevilt, er is geen haast.
De tijd gaat snel. Het is voorbij. Er is geen catharsis, geen climax die alles samenbrengt. Misschien zelfs geen duidelijke spanningsboog. Eerder, zoals Ursula Le Guin het beschrijft, een carrier bag: een draagtas vol vragen, herinneringen, gevoelens, momenten. “Wholesome,” hoor ik iemand naast me zeggen wanneer het applaus wegsterft. Ik begrijp wat ermee bedoeld wordt, maar het woord dekt de lading niet helemaal.
Shams vertelt dat ze op massagetherapie ging. “Elke week probeerde ik die verkramping uit mijn lichaam te krijgen, en wat bijvoorbeeld een ontspannend uurtje had kunnen zijn, werd altijd een veldslag tussen de massagetherapeut en de spieren die als verkeersknooppunten onder mijn huid lopen. Eenmaal buiten duurde het welgeteld een paar minuten voor alles opnieuw vastzat.” Ik was bang dat de sfeer van de voorstelling me even snel zou verlaten, maar dat gebeurt niet. Omdat de tekst iets weg heeft van een innerlijke monoloog, leek de tijd tijdens het kijken even stil te staan. Wanneer ik de zaal verlaat, gaat de buitenwereld weer verder, maar op een vertraagd tempo. Een andere houding.
Textiel keert terug als motief. Shams sprak over een sjaal die ze koestert, en over de sjaal van hun grootmoeder. Een object dat wordt doorgegeven. Met een geschiedenis, een geur, een gevoel. Kleding draagt niet alleen lichamen; ze draagt ook tijd. Je draagt kleren, en de kleren dragen op hun beurt iets met zich mee. Het doorgeven gebeurt hier niet alleen via verhalen, maar via aanraking, via nabijheid. Ik nestel me dieper in mijn sjaal.
Shams sprak, reflecteerde, stelde vragen. Soms luidop, soms alsof ze zichzelf toesprak om niet in te storten. “Als ik niet hardop tegen mezelf praat, draai ik door.” De tekst voelt als een innerlijke monoloog die per ongeluk hoorbaar is geworden. Het was intiem om te mogen luisteren. “Waar zit de pijn niet? Kraaienpoten, kaak, keel, borst, buik, bekken, benen, onderrug… in mijn handen, zeg ik, in mijn handen voel ik me op een vreemde manier veilig.” Die zin blijft aan me kleven.
Het was een korte voorstelling die zich uitrekte nadat ze was afgelopen, in een nostalgische warmte waarmee ik onder de lakens kruip.
Ik denk aan wat ik zelf heb meegekregen als kind van iemand met een migratieachtergrond. Ik herken mijn eigen genealogie van pijn, maar ook de manieren waarop ze werd verzacht. Ik vraag mijn vader vaak om te vertellen over zijn jeugd, over de weg die hij aflegde om in België te eindigen. Hij antwoordt steeds druppelsgewijs. Spreken is een wonde openrijten, net genoeg om erin te kijken. Haar laten bloeden zonder leeg te lopen. Leg je te veel druk, dan sluit ze zich. “Dëgg, kaani la,” zegt hij. De waarheid is een hete peper: moeilijk om in te slikken, brandend wanneer je haar in iemands ogen duwt. Hij beschermt me.
Die gedoseerde manier van spreken, voorzichtig, tastend, resoneert onverwacht met wat zich op scène ontvouwt. Soms is dosering geen tekort, maar een vorm van zorg. Zachtheid verschijnt hier niet als oplossing, maar als houding, als vorm van verzet.
Ik vraag aan mijn mama of ik een sjaal van haar mag lenen.
Ik kijk naar mijn handen. Ik voel mijn lichaam ontspannen. Niet door antwoorden, maar door de ruimte die wordt gemaakt om niets te moeten afronden. Het ging hier over generaties vrouwen. Over moederschap, grootmoederschap en dochter zijn. Over gezien worden als vrouw. Maar ook over fluïditeit en het in vraag stellen van die vrouwelijkheid. Als transvrouw is mijn vrouwelijkheid bijna ontstaan uit een vraag. Ik heb geen moeder-dochterlijn geërfd, maar er één geconstrueerd. Een eindige lijn die ophoudt bij mezelf.
Toch voel ik me niet uitgesloten. Integendeel: ik denk dat velen herkenning kunnen vinden in deze voorstelling. Een herkenning die veiligheid biedt zonder toe-eigening. Tegelijk voel ik een wrang soort verlangen. Naar pijn die niet van mij is. Of naar hoe ik die al dan niet zou doorgeven.
Ik trek mijn comfortuniform aan, inclusief de sjaal van mijn mama en laat de rest los.
De voorstelling is nog te zien in Genk (22/1), Gent (29/1), Antwerpen (5/2), Kortrijk (10/2), Mechelen (27/2) en Tielt (7/3). Meer info: www.monty.be.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.