Wittgenstein

Lukas Vandervost

Leestijd 3 — 6 minuten

Waarover men niet spreken kan…

Ik zag één van de eerste voorstellingen van Wittgenstein Incorporated en werd 3 uur gehypnotiseerd. Mijn hartslag werd langzaam in het trage ritme van de redevoering gebracht en zorgde zo voor een bloedtekort in de hersenen. Die hersenen die ik dacht zo nodig te hebben. En toch was het op tijd uitgeschakeld worden van die grijze massa, de weg naar bewondering, de start tot zuiver genieten. Was dit een bewuste truc? Waren de makers dan zo handig en ervaren? Ik vond het een hele mooie avond maar kon niemand vertellen waarom. Ik stuurde vrienden, die mijn gevoelens achteraf niet konden delen. Waarom heb je ons naar zoiets gestuurd? Ja… waarom… Ik kon het niet uitleggen. En dit slachtoffer moest nu met de dader gaan praten.

Het gesprek. Onwennig in herbegin… Wordt dit een interview? Al gauw wordt duidelijk van niet. Een journalist kan je nog wat wijsmaken over ‘hoe acteren’, maar onder elkaar is het wijsmaken een belediging voor het vak. Hoewel het spel dichtbij wijsmaken staat. Wat is dit vak dan? Spelen ? Interpreteren ? Uitvoeren wat anderen neerschreven? Inleven? En hoe beoefent de moderne acteur dit vak? Het bewijs dat erover praten al even moeilijk is als het vak zelf toont het programmaboekje, waarin op 2 lijnen de onderliggende bedoelingen van de voorstelling worden geschetst: “…over het proces hoe men tot acteren komt…”, “…over de moeilijkheid om niet meer te spelen…” Deze twee doelstellingen lijken elkaar tegen te spreken. Wat is niet spelen op een verlicht podium met in het donkere gat de voyeurs?

– Een mate van kwetsbaarheid behouden? En die laten zien?

– De ingebakken ijdelheid afschrapen?

– De verworvenheden en zekerheden opzij zetten?

– Ervaringen vergeten? Antwoorden die terugkeren in de tekst die de voorstelling begeleidde. Maar was het niet die ‘ervaren’ acteur en vooral zijn verworvenheden die me toestonden mezelf te vergeten zodat ik niet in staat was de voorstelling te breken met mijn eigen interpretaties (zoals me zo vaak overkomt). En daar viel het woord: interpretatie.

Het werd me pas achteraf duidelijk dat deze twee denkende toneelmakers, Leysen en Ritsema, zich (onbewust hadden afgezet tegen de ziekte van de theaterwereld van vandaag. Slechte stukken worden geprogrammeerd, maar er moet wel iets aan gedaan worden, iets mee gebeuren. Of kanjers van stukken, klassiekers worden vervormd, becommentarieerd omdat de theatermaker eigenlijk iets anders wil zeggen dan de schrijver. In andere gevallen wordt de voorstelling ‘een uitleg van’, ‘een commentaar’ op het eigenlijke werk, en dit als bewijs van kunde. Jaloerse reacties op een ander, gemist talent, het zuiverste misschien, dat van de dichter zelf. Was het dat wat ik die avond bewonderde ? De eenvoud van het respect voor de schrijver, Peter Verburgt (maar ook Wittgenstein) ?

Zinnen werden gezocht, herinnerd, gezegd. Zonder knipogen, toegevingen aan eigen plezier. Maar ook zonder hulp voor de luisteraar die deze toch moeilijke tekst voor het eerst hoort. Johan Leysen en Jan Ritsema gingen samen op zoek, in het werkproces, naar de basis van het spelen, hoewel in ons gesprek een juiste definitie van die basis niet werd gevonden. De basis opnieuw uitvinden, zegt Jan Ritsema, gewoon goed acteren. En als dat er eenmaal is dan kan je verdergaan met Tsjechow of Shakespeare. Ik vroeg me af of deze produktie, eenmaal die basis gevonden, zou groeien, veranderen, rijker worden. De basis kan toch geen doel op zich zijn?

Ik vroeg Johan of de voorstelling ondertussen gegroeid was, maar de groei was er enkel in het verder zoeken naar die basis, soms vertaald in ‘hoe niet spelen’. Ik hoop dat de basis niet, écht niet spelen, wordt. Het steeds maar uitzuiveren tot er niets meer overblijft. Niet toevallig misschien kwam de prettigste en meest lovende persreactie niet van een theaterspecialist, maar uit de wetenschapsbijlage van NRC, van een wetenschapper die een sterke gelijkenis ontdekte met zijn zoektochten, de sfeer van de labo’s.

Misschien, neen…zeker!, had ik meer niet-wetenschappelijk genot willen zien, een liefdesverklaring aan de tekst in plaats van een heimelijk genot, waardoor het verboden blijft voor derden.

Maar de hypnose door het woordenballet deed me zelfs dit vergeten. En toch is die verbondenheid tussen maker en voyeur voor mij het doel, waar terecht een gezonde basis voor nodig is. Eén van respect. Ik hoop dat deze voorstelling nog lang op de agenda mag staan, om de gevonden basis te verrijken met een even eerlijke, uiterst persoonlijke, eigen ‘interpretatie’. En vooral hoop ik dat het uiteindelijke doel de verfilming mag zijn van het scenario, door dezelfde mensen, of anderen, maar met een even grote liefde voor de tekst.

Lukas Vandervost

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

Lukas Vandervost

artikel