Dries Moreels

Leestijd 5 — 8 minuten

Vorm of vent?

Een reactie van Dries Moreels op dezelfde State of the Union van Claire Swyzen.

‘Een bespreking van de hierboven opgenoemde bundels essays moet vanzelf welhaast beginnen met een enkele opmerking over een kwestie, die een tijd lang een geschilpunt onder de jongeren en jongsten heeft uitgemaakt en dat misschien nog uitmaakt, en die ik kortelings heb trachten samen te vatten in de drie woorden, die den titel van deze beschouwing vormen: Vorm of vent. Met andere woorden: is voor het welslagen van, of beter voor het bij den lezer weerklank wekken door een kunstwerk van het meeste belang de persoonlijkheid van den kunstenaar of wel dat geheimzinnige element, dat men zou kunnen noemen de spontane generatie van den vorm? (Ik geef met enkele woorden samenvattend weer wat in tal van essays verspreid, anders en veel uitvoeriger is gezegd) .'(p.47)

‘Over deze strijdvraag nu valt allereerst dit op te merken, dat zij er eigenlijk geen is. Vorm en inhoud – want tot deze uiterst moeilijk omschrijfbare, maar aldus toch eenvoudiger benoembare, begrippen is de heele ‘kwestie’ terug te brengen – zijn (gesteld dat men deze afzonderlijk denken kon) elk evenzeer volstrekt onmisbaar en dus evenzeer belangrijk in een kunstwerk; of men bij de waardeering daarvan nu den nadruk meer op den eenen of op den anderen kant ervan wil leggen is louter een zaak van persoonlijke geaardheid en voorkeur, die in theorie van geen belang is. Uit beide richtingen komen dan ook werken voor, die door de volmaakte alchemie van een levenden inhoud en een duurzamen vorm door de voorstanders van beide richtingen gelijkelijk genoten kunnen worden; en de mislukkingen in beide genres hebben geen ander belang dan hun geschiktheid als projectielen om den tegenstander mee te bekogelen. Zoo blijven de tijdschriften gevuld en de schrijvers gezond.

Toch is al dit gepolemiseer, zij het ook in theorie overbodig, in de praktijk niet alleen gerechtvaardigd, maar zelfs gewenscht. Want al treft men de tegengestelde richting niet in wat zij aan goeds heeft, men behoedt haar, of kan dit althans doen, tegen verstarring in haar eigen dogma en overwoekering door haar epigonen. En dat heeft elke richting broodnodig, vooral in den lateren tijd, nu het proces van tegelijk verstarring en verslapping (deze woorden lijken volkomen tegenstrijdig, zijn het ook, en zijn toch de meest juiste, die ik weet te bedenken) voor elke richting, al is zij nog nauwelijks ontstaan, met ongekende snelheid inzet en zich voltrekt.” (p.48-49) J. C. Bloem, 1932.

De lezer van de Poëtica van J. C. Bloem (Amsterdam, 1989, heruitgegeven bij Athenaeum Polak & Van Gennep, deze zomer nog bij de Slegte) wordt slachtoffer van een vreemde ervaring van analogie.

De voorstanders van ‘de zaak der “ventisten'” (p.47), met name Ter Braak, Du Perron en hun tijdschrift Forum, geflankeerd door Greshoff, ‘een bekeerd aestheet’ (p.48) en hun tegenspelers, ‘de mannen van den vorm’ (p.51), m.n. Nijhoff en Binnendijk, worden door Bloem sec en niet zonder ironie tegenover elkaar gezet. Het korte maar spitante essay is verrassend leesbaar (niet: actueel). Of Bloems oordelen over de opgesomde dichters, zijn analyse van het historische debat en de notie ‘vorm of vent’ adequaat (gebleven) zijn, blijft hier in het midden.

De veelsoortige maar helaas ook vooral vluchtige disciplinediscussies die door de stellingen van Claire Swyzen en de redactie van Sampel (juni 1999) zijn ontstoken herinneren onwillekeurig aan het vorm-of-vent-debat uit de Nederlandse Letteren. Ook zonder in een persiflage (van Bloem) terecht te komen, kan het discours van Swyzen tegenover dat van de door haar geviseerde ‘jonge snaken’ gezet worden – als een analogie van vorm of vent.

Swyzen: ‘Maar zelfs als ze erin zouden slagen om het alledaagse te poëtiseren – en dat is waar ze volgens mij op uit zijn – dan nog hebben ze niets noemenswaardigs te vertellen. Willen deze jonge helden zich soms afzetten tegen het “elitaire” theater van de nog steeds actieve regisseurs uit de jaren tachtig, mensen als Jan Fabre, Jan Lauwers en Lucas Vandervost, die bekendheid verwierven met hun vormexperimenten? Jammer genoeg leidt de anekdotische reflex die in de voorstellingen van jonge mensen de kop opsteekt zelden tot statements; wel tot veel anekdotiek-om-de-anekdotiek.’ (p.7)

‘Er bestaat wel degelijk literatuur die de complexiteit van het postmoderne bestaan weerspiegelt, en de sporen draagt van een wereld die niet ontsnapt aan een steeds sneller oprukkende technologische cultuur en aan een globale economie die onlosmakelijk verbonden is met een wereldwijde ecologische problematiek, een economie die meer invloed heeft op politieke constellaties dan de politieke leiders zelf.’ (p.9)

Nijhoff: ‘Zoo heeft dus een grootere kunst, om het nu maar eens ruw-weg te zeggen, eigenlijk één vorm en twee inhouden: een levensinhoud, een vorm daarvoor, en een geestelijke inhoud weer van dien vorm; of anders gezegd: een werkelijkheid, een verbeelding, en een beeld; (…) of, speciaal voor poëzie, menschelijk of natuurlijk gevoel, uitdrukking in het woord, goddelijke aanduiding. Realiteit, expressie, creatie. De stem wordt woord, het woord wordt zang.’ (geciteerd in Bloem, p.51-52)

‘De jongeren echter hebben “het accent van de arbeidzaamheid verlegd naar den in creatieve spanning gebrachten vorm. Vorm niet als een zoo doorschijnend mogelijk omhulsel van ontroering, maar als een materie van geestelijke orde, een belichaming maar zelf een lichaam, geen spiegel van leven, maar zelf een organisch leven van tot ons besef afdalende en, als het ware, in deze materie zich condenseerende en verstaanbaar wordende geestelijke realiteit”.’ (geciteerd in Bloem, p.52)

Bloem: ‘Van stem en woorden zang te maken, ziedaar de chemie van den dichter. De eerste twee zaken heeft hij met ieder mensch gemeen; de laatste is zijn eigendom dat hij met niemand deelt, eigenlijk geen eens met zijn mededichters, behalve in den ruimsten, onpersoonlijken zin.’ (p.53)

‘Wat dan de Forum-richting betreft – men kan (en moet zelfs) haar voorstanders gereedelijk toegeven, dat de persoonlijkheid, de levensinhoud, of hoe men het ook noemen wil: het feit, dat het boek geschreven is door een ‘vent’ en niet door een ‘letterkundige’, een cardinale vereischte voor de betekenis van dat boek is. Dat heeft trouwens niemand ooit ontkend: ook al sprak hij het niet met zoo veel woorden uit, dan achtte hij het toch geïmpliceerd. Het bezwaar van de Forum-mannen is alleen, dat zij soms geneigd lijken, alleen aan een zeer speciaal soort van lieden (avonturiers, erotomanen, lijders aan overwoekering van het intellect e.d.) den eerenaam van ‘vent’ toe te kennen.’ (p.49)

Ik heb in een dramaturgenrol meegewerkt aan een aantal projecten van de mensen van Bronstig Veulen. De kracht én de zwakte van hun theatermaken staat mij dan ook duidelijk voor de geest als ik de stellingen van Swyzen lees en herlees. Ik twijfel er niet aan, dat het uit verstrooidheid is, dat Swyzen een aantal dingen (en mensen) op een hoopje gooit; net zomin twijfel ik aan de verstrooidheid (of verstrooiing?!) waarmee Bronstig Veulenen anderen een commercieel en publicitair vertoog gebruiken.

Ik vrees én ik hoop dat deze collage-per-analogie van de Poëtica van J. C. Bloem u (niet) verstrooit. Maar u zal niet gemist hebben dat het vorm-of-vent (of kortweg de moderniteit) niet opgelost is. Het theater van Bronstig Veulen en anderen zal in ieder geval de dubbelheid van verstrooidheid of verstrooiing, van vorm of vent, dringend een grotere luciditeit moeten meegeven, want ook al kan (moet? mag?) wie jong is, op zijn bek gaan, de modernisering precipiteert het jonge onvermijdelijk in het jongere… tenzij Bronstig Veulen natuurlijk niet modern zou zijn … ook dat staat nog te bewijzen.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#70

15.12.1999

14.03.2000

Dries Moreels

Dries Moreels, redacteur van Etcetera, is assistent Stamvakken aan het RITS(Brussel).