‘Als werkelijkheidszin bestaat moet MOGELIJKHEIDSZIN ook bestaan’, Francisca Lambrechts / Franciska Lambrechts

Edwin Carels

Leestijd 4 — 7 minuten

Voor mij is iets waar zolang ik zwijg

Het speelfilmdebuut van Franciska Lambrechts

Tijdens het KunstenFESTIVALdesArts gaat Franciska Lambrechts’ eerste langspeelfilm in première. De Fantasten van Musil vormde de basis voor deze STUC-produktie, gerealiseerd in co-produktie met STAN en KunstenFESTIVALdesArts. AS-redacteur Edwin Carels bekeek de film op de 45ste Internationale Filmfestspiele in Berlijn. Hij zag een filmisch equivalent voor Musils combinatie van zwaarwichtigheid en lichtvoetigheid, uitzichtloosheid en inzicht.

Oeverloos veel wordt er gesproken in de eerste film van Franciska Lambrechts en bodemloos diepzinnig is het gehalte van de woorden. Alleen al de titel: Als er werkelijkheidszin bestaat, moet MOGELIJKHEIDSZIN ook bestaan. Aangekondigd als een adaptatie van Robert Musils Die Schwärmer (De Fantasten) opent Lambrechts haar film niet geheel onverwacht met een titel uit een ander boek van de Oostenrijkse auteur, Der Mann ohne Eigenschaften (Hoofdstuk IV). Ook voor Allons Travailler. Waarom ? Waarom ? Waarom ?, haar voorafgaande videotape, had de eigenzinnige cineaste/videaste al meerdere citaten uit deze filosofische roman fleuve opgevist. Blijkbaar vormen Musils eloquente en gedachtenrijke volzinnen voor Franciska Lambrechts de ideale inspiratiebron om haar eigen, uiterst individuele beeldtaal de vrije loop te laten.

Theatraal

Zowat een kwarteeuw geleden evoceerde Musil met Die Schwärmer een amechtige tragedy of errors waarin onthullingen en bekentenissen elkaar opvolgen zonder tot een onomstotelijke waarheid te voeren. De (niet-)handeling van de film speelt zich af in een tijdsspanne van twee dagen onder een zevental merkwaardig filosofisch ingestelde personages. Naast het bepleiten van een idealisme met of juist zonder idealen, is het belangrijkste onderwerp van de gesprekken een geval van overspel of driehoeksverhouding in hun midden. Musil-exegeten zullen in de plezierig gevatte woordenstrijd een montage herkennen met niets dan fragmenten uit de originele tekst. Om tot een ‘normale’ speelduur te komen van anderhalf uur werd de toneeltekst met ongeveer twee derde ingekort. In voortdurende samenspraak met haar acteurs schrapte Lambrechts vooral de karakters en de anekdotiek uit haar bewerking, enkel de woorden en dus de gedachten werden weerhouden. De keuze voor het theatergezelschap STAN typeert meteen haar werkmethode. Kleinschalig maar intensief, bijzonder tekstgericht en — wat de acteurs betreft — vooral latent expressief. Het theatrale van hun prestatie heeft Lambrechts geenszins geprobeerd te verdoezelen. Bijna systematisch cadreert ze haar personages frontaal, terwijl deze hun tekst als monologen voor het publiek brengen, eerder dan als dialogen onder elkaar.

Impulsieve beeldcollage

Maar tegelijk pleegt Lambrechts ook zuivere cinema. Elke cadrage is een knappe compositie, elke snit een spel met tijd en ruimte. Ook al zijn de lichamen statisch en de blikken rechtlijnig, hun gedachten zijn beweeglijk en zo worden ze ook gevisualiseerd. Door ongewone camerastandpunten en speelse beeldovergangen verleent Lambrechts telkens een andere weerklank aan de schijnbaar achteloos gearticuleerde ideeën. Van het plechtstatige theatrale podium werd de context verplaatst naar een huis-, tuin- en keukenatmosfeer. De locaties zijn letterlijk niet veel exotischer dan een armoedige trap, een bed, een keukentafel, een vijver, een boom of hooguit een drukke snelweg. Musil zocht de verlossing van het gedoemde denken in een verheven natuurervaring of in een mystiek gevoel voor erotiek. Op de klankband sijpelen eveneens vermoedens door van grandioze donderslagen en klotsende golven, terwijl uit de mond van de spelers de laatste verbale stuiptrekkingen weerklinken. Bijzonder filmisch zijn enkele spaarzame erupties van banale observaties: een kat die met een propje speelt naast een paar blote voeten, een stelletje buren begluurd vanachter het gordijn, een vis die wordt gekuist. De permanente sfeer van vlakke verveling wordt herhaaldelijk verrijkt door levende, tedere details.

De meest flagrante ingreep van de cineaste in het scènische beeld zijn de veelvuldige tussentitels. Even welkom als in een stomme film, helpen deze formele accenten de moedige kijker de auditieve woordenvloed te trotseren. Op een felwitte achtergrond vormen zware, zwarte lettertekens korte volzinnen, halve waarheden of telkens weer dat ene vierletterwoord ‘DOEN’. Als een nerveuze neon licht deze pancarte op zodra een personage hetzelfde werkwoord nog maar in de mond durft nemen. Het maakt de aandoenlijke lethargie van het gezelschap pijnlijk aanschouwelijk en tegelijk activeert het Lambrechts’ eigen impulsieve beeldcollage.

Mentaliteitsportret

Al deze visuele manipulaties vormen eerder een illustratie dan een echte commentaar bij Die Schwärmer. Het absurde  van Musils buitenproportionele en claustrofobe theatertekst heeft Franciska Lambrechts voornamelijk hertaald naar haar eigen medium en haar eigen leefwereld. Musil zelf ironiseerde en saboteerde ook voortdurend de betekenis van zijn eigen woorden. Hij is immers niet alleen verantwoordelijk voor de richtingloze woordenstroom, maar ook voor die wijze slotzin uit de film: ‘Voor mij is iets waar zolang ik zwijg.’ Voor deze combinatie van zwaarwichtigheid en lichtvoetigheid, van uitzichtloosheid en inzicht vond Lambrechts filmisch een geslaagd equivalent. Door haar snelle montage van vooral de abstracte dialogen, verliezen de ideeën gaandeweg hun personage en worden ze soms zelfs onderling verwisselbaar. Deze meerduidigheid wordt nog eens versterkt doordat de taal van de acteurs niet echt vastligt. Frans en Nederlands worden zonder veel logica door elkaar gebruikt. Wat de situatie tegelijk absurd en realistisch maakt, of met andere woorden: typisch Brussels. Dankzij deze vertrouwde spraakverwarring en ondanks de lakonieke expressie op de gezichten van de acteurs, schetst Lambrechts zoals in haar videotape Allons travailler opnieuw een prachtig mentaliteitsportret. De gelukkige droefheid van een gezelschap vol ideeën maar zonder motivatie spreekt uit beide werken even sterk. Door de paradoxale combinatie van artificiële cadrages met een haast documentaire directheid in de registratie bereikt Lambrechts een onverwachte graad van authenticiteit bij de meeste van haar acteurs. De spanning tussen woord en wezen, tussen idee en lichaam werkt versterkend voor beide.

Low-budget

Waarom deze keer gekozen voor zwart-wit pellicule in plaats van videoband? Waarom een volgende bewerking, L’Ennui van Moravia, in split-screen? Ondanks haar thematische herkenbaarheid wil Franciska Lambrechts zich duidelijk liever niet beperken tot één artistieke optie ten nadele van zovele mogelijke andere. Ook dat is eigen aan de mooiste personages van Musil. Door deze keuzes profileert Lambrechts zich onvermijdelijk als een low-budget kunstenares. Alleen al door haar titels of scenario-structuur zal ze wellicht nooit sterk moeten rekenen op overheidssteun of traditionele produktiegelden. Door het gebrek aan middelen (en/of aan geduld?) maakt dit speelfilmdebuut helaas soms een ruwe of wat grijzige indruk. En een betere lens had bepaalde beelden beslist nog spannender gemaakt. Tegenover deze beperkte technische kwaliteit staat evenwel een heel bijzondere, prikkelende rijkdom aan ideeën en drijfveren.

Thomas zegt in de film: ‘Idealen zijn de ergste vijanden van het idealisme! Idealen zijn dood idealisme.’ Alle culturele determinatie ten spijt bewijst Franciska Lambrechts met haar bevlogen werkstuk dat idealisme en idealen wel degelijk samen kunnen gaan. Kortom: ‘Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan.’

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#49

15.04.1995

14.07.1995

Edwin Carels

artikel