© Filip Van Roe

Leestijd 4 — 7 minuten

Vlaemsch (chez moi) – Sidi Larbi Cherkaoui, Hans Op De Beeck, Floris De Rycker & Jan-Jan Van Essche / Eastman, De Munt & KVS

Een polyfone Vlaamse leeuw in grijze tinten

Terwijl we één van de woeligste periodes in ons cultuurlandschap beleven, brengen Sidi Larbi Cherkaoui, Hans Op De Beeck, Floris De Rycker en Jan-Jan Van Essche een Vlaams kunstenmanifest in de Brusselse stadsschouwburg. Vlaemsch (chez moi) is meer dan een historiografie van de “Vlaamse identiteit”. Via een complexe revue van (kunst)geschiedenis, muziek en politiek, onderzoeken ze het oude en het hedendaagse Vlaanderen.

Als één van de weinige voorstellingen in het hedendaagse theaterlandschap begint Vlaemsch met gesloten theaterdoeken. Het beeld als de doeken open gaan, is echter allesbehalve klassiek. De scenografie doet denken aan een oud ambachtshuis, met blote houten balken en hier en daar een versteende duif. Wie de stijl van Hans Op De Beeck kent, herkent al snel zijn artistieke stempel. Alles is geverfd in een simpel, plat grijs, dat zowel ouderwets als modern aanvoelt. Enerzijds lijkt het alsof een oud Vlaams huis in een dikke laag stof gehuld is. Anderzijds lijkt het op een gereduceerd 3D-model dat zonder kleur op podium is gezet. De bolzaal van KVS vult deze clash tussen het oude en het nieuwe mooi aan. In het oude gebouw van de stadsschouwburg bevindt zich de volledig zwarte, minimalistische theaterzaal, met balkons en parterre. Een oud kader met een modern laagje, wat past bij de overkoepelende esthetiek van Vlaemsch. Aan de zijkant van het podium liggen nog een paar uitvergrootte grijze objecten: een doodshoofd, een kandelaar, een beker, een boek, … De vormen lijken uit oude schilderijen gehaald te zijn. Gedurende de hele voorstelling zullen ze echter amper aangeraakt worden.

In die grijze omgeving zijn de dansers de enige elementen van kleur. In het begin zijn ze gehuld in soepelvallende witte en zwarte kledij, maar die wisselen ze later in voor verschillende kleurrijke kostuums. Ze worden arbeiders, verplegers, slagers, maar ook toeristen, vaders, moeders en soldaten. De meest prominente rollen die ze innemen zijn echter die van schilders, modellen en dansers. Een belangrijk visueel symbool daarbij is een grijs schilderskader. De performers nemen doorheen het stuk op verschillende momenten zo’n kaders vast, in verschillende formaten. Ze verbeelden in hun dans steeds andere machtsposities. Het ene moment staan de kaders voor het voyeuristische (mannelijke) oog, dan weer proberen ze een performer als object vast te leggen – en vast te houden. Wanneer de dansers telkens in en uit kaders stappen en kruipen, springen ze dus letterlijk uit de opgelegde kaders.

Naast kaders dansen ze ook met penselen. Ze leggen de penselen op hun eigen hart of hoofd, houden ze naar elkaar gericht als zwaarden of verven hun omgeving nog grijzer. Deze bewegingen drukken een mogelijkheid tot en een verlangen naar maakbaarheid uit, dat echter ook steeds tegen het oude opbotst. Dat oude wordt ook statisch verbeeld in tableau vivants. Met grijs kader in de hand, bootsen de performers bekende schilderijen na uit de kunstgeschiedenis in Vlaanderen, maar ook daarbuiten. Ze kaderen zichzelf in een oud kader. Niet enkel het Laatste Avondmaal van Da Vinci komt aan bod, maar ook dat van Tintoretto en nog andere referenties, die soms te vanzelfsprekend zijn (hebben we niet al genoeg Da Vinci gezien?) of te onbekend. Het worden echter meer dan platte referenties door de aanwezigheid van een dubbele laag. Boven in het ambachtshuis zit een schilder die de taferelen telkens afkeurt en een nodige portie ironie toevoegt aan de scène.

Naast de referenties naar schilderen en schilders, zijn er ook een hele reeks aan belangrijke historische momenten in de muziek die worden opgeroepen . Eén van de eerste liederen is een polyfone versie van de Vlaamse Leeuw, maar zonder de bekende lijn “ze zullen hem niet temmen”, waardoor het lied niet direct herkenbaar is. Naast Vlaamse liederen die verwijzen naar de geschiedenis van Vlaanderen als onderdrukt volk, zijn er ook Franse en Latijnse polyfone liederen en niet-Westerse muziek zoals een Arabisch wiegelied en een Congolees lied over de geboorte van een tweeling. Natuurlijk is er ook een nummer van Jacques Brel. Deze muzikale keuzes tonen de complexiteit van iets “Vlaams” te noemen. De Vlaamse polyfonie was bijvoorbeeld vaak niet in het Vlaams. Op die manier slaagt Vlaemsch er verbazingwekkend goed in om de gespleten geschiedenis van de Vaamse identiteit in beeld te brengen, met kunst als verbindende factor. Cijfers over de groeiende opkomst van het Vlaams-Nationalisme bij de verkiezingen van 2019 worden gevolgd door een Vlaams lied over de Spaanse inquisitie, dat meegezongen wordt door performers als traditionele vlaggendragers. Het werpt de vraag op in welke mate de Vlaming zich nog tegen iets moet verzetten. Een antwoord blijft uit.

Zo schuilt in elk moment van Vlaemsch wel een symbolisch of kritisch element. Al deze elementen worden naar het einde toe steeds concreter, met een gidstour doorheen Vlaanderen als bijzonder expliciet moment vol humoristische kritiek. In een snelle monoloog gaat de gids als buitenstaander over Vlaanderen, waarbij ze ook aandacht heeft voor welke geschiedenis we ons wel of niet herinneren. Met name de vrouwen die we vergeten is hierbij belangrijk. Niet alle kritiek is echter even geslaagd. Waar de fluïditeit van taal, identiteit en geschiedenis tot zijn recht komt door een doorgedreven artistieke uitwerking, komt de feministische kritiek als een plotse slag die uit de maat valt. Het is an sich een interessante, rake uiteenzetting, maar de subtiliteit en complexiteit van andere symboliek in Vlaemsch mist hier.

Daar zit ook de moeilijkheid bij Vlaemsch. Het wil heel veel aanbrengen. De overdaad aan referenties, symboliek en relevantie is potentieel bijzonder betekenisvol, maar loopt het risico simpelweg te veel te zijn om te bevatten. Als tegengewicht zijn er persoonlijke en alledaagse momenten, zoals de “verfranste Vlaming”, gespeeld door Christine Leboutte, wiens huis wordt leeggehaald om verkocht te worden, of een Ronde van Vlaanderen die met typisch enthousiasme becommentarieerd wordt. Net zoals de tweede laag bij de avondmaal-scène brengen ze zowel contrast als evenwicht in het stuk.

Vlaemsch doet het publiek vooral nadenken. Er wordt veel samengebracht, maar het blijft tot op zekere hoogte gefragmenteerd. Cherkaoui probeert een Vlaamse geschiedenis in dialoog te laten gaan met het hedendaagse Vlaanderen. Die dialoog is bijzonder betekenisvol, zelfs wanneer ze niet altijd direct verstaanbaar is. Onverstaanbaar betekent niet afstandelijk. Vlaemsch komt soms juist heel dichtbij. Dat gebeurt zeker op het einde, wanneer Kazutomi Kozuki een laatste lied zingt, zonder boventiteling, terwijl Leboutte op het grijze boek aan de zijkant in slaap valt. Vlaemsch eindigt als een wrang sprookje waar de doeken over dichtvallen. Als Vlaming zal je niet meteen een hernieuwde trots hebben, maar ook geen afschuw, enkel een complexer begrip van wat er allemaal Vlaams is, was en kan zijn.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

Lena Vercauteren

Lena Vercauteren behaalde een diploma Vergelijkende Moderne Letterkunde en studeert op dit moment theaterwetenschappen aan de Universiteit Gent. Daarnaast is die dichter, librettist en poëzieredacteur bij Kluger Hans.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!