Laura van Dolron in ‘Iemand moet het doen’ © Deen van Meer

Leestijd 13 — 16 minuten

‘Vernieuwing is eigenlijk niet zo interessant.’

Nieuwtje: er zijn in Nederland ook nog onafhankelijke theatermakers die wél subsidie krijgen. Wat heeft Laura van Dolron daarvoor moeten doen? Simpel: slim en direct theater maken, waarmee ze zowel het Haagse publiek charmeert als de Vlaamse kunstencentra infiltreert. Voor dat brede bereik heeft Van Dolron geen vast recept, maar wel terugkerende ingrediënten, waaronder boeddhisme, stand-up en voortdurende zelfkritiek. ‘Ik kan pas iets nieuws maken als ik mijn vorige stuk stom ben gaan vinden.’

Laura van Dolron heeft iets. Zoals ze daar staat op scène, veelal zonder decorstukken (ofhet is een man), kan je eigenlijk nooit zeggen of ze van nature gedecideerd is, dan wel een grote kwetsbaarheid maskeert achter een nog grotere mondigheid. Laura praat en praat, zelfs over haar eigen gepraat. Schijnbaar uit de losse pols. Schijnbaar voor het eerst. Maar laat niemand zich vergissen, elke wending is precies voorzien. Laura bewaart gewoon graag de controle. Zelfs als ze zich helemaal uitlevert aan de willekeur van haar publiek, blijft ze dirigeren. Dode filosofen, beroemde politici, artiesten als Lars von Trier: Laura roept ze op, verbeeldt ze naast zich op scène en veegt ze dan al dan niet de mantel uit.

Vranke gesprekken met andermans ideeëngoed, daar maakt Van Dolron theater van. Daarin ligt ook haar bijzonderheid in het theaterlandschap: in Nederland is ze iemand die nog iets te vertellen heeft, in Vlaanderen iemand die het ook even gewoon kan zeggen. Het pientere zusje van Pascale Platel, de vrouwelijke Peter De Graef, Compagnie De Koe solo? ‘Als man zou ik waarschijnlijk meer indruk hebben gemaakt en was ik nu misschien zo groot als Theo Maassen, maar als vrouw heb ik een veel leuker leven.’ Wat Van Dolron de zaal bijbrengt, is bovenal haar eigen kijk. Generatieportretten, wordt er geschreven. Stand-up philosophy, noemt ze het zelf. Het is, kortweg, de kunst van het observeren van het ego in de wereld: een kunst van alle tijden, maar vooral voor deze eeuw.

Laura van Dolron (“1976) studeerde afin Maastricht aan de regieopleiding in het jaar dat de Twin Towers neergingen, en is dus nu tien jaar bezig. Je hoort wel eens opmerken dat haar werk in al die jaren nogal voorspelbaar is geworden. Sinds ze in In the primes of their lives (2003) met JFK, John Lennon en Martin Luther King op café ging op zoek naar een zin, en in Existential make-over (2004) een sartriaanse blik wierp op de menselijke vrijheid van acteurs, werd zelfbespiegeling haar handelsmerk: altijd in commentaar op theater, ideeëngeschiedenis en wereldactualiteit. Maar wie in december in Vooruit of Kaaitheater Iemand moet het doen (2009) en Sartre zegt sorry (2011) meepikt, ziet een maker die ironie ingewisseld heeft voor ontroering. Die haar publiek niet langer telkens op het verkeerde been zet, maar het genereus bij de hand neemt. En die kritische deconstructie heeft ingeruild voor constructieve, zelfs boeddhistische levenslessen. Is Laura een spirituele voorganger geworden?

Vaste etiketten blijven op Van Dolron niet lang kleven, zo leert dit gesprek in haar kleine, rommelige Amsterdamse flat. Ze plant nu alweer andere tactieken, voor als ze straks bij Het Nationale Toneel – als eerste vrouw in Nederland – haar Oudejaarsconference op de wereld afstuurt. ‘Spiritualiteit is iets waar je voortdurend naartoe en weer van weg beweegt. Elke zoveel tijd moet je ze weer helemaal kwijtraken, moetje toch weer gaan roken en drinken, om er nieuw leven in te blazen. Nu gaan sommige mensen denken: “Je gaat naar yoga, je leest het mindstylemagazine Happinez en je volgt Laura van Dolron.” Als je in zulke cirkels begint te bewegen, moetje er dringend weer uit!’

Je was deze zomer nochtans weer op boeddhistische retraite in het Verre Oosten. Wat zocht je daar dan?

Laura van Dolron: De eerste keer werd ik echt overvallen door wat ik er vond. Dat was in 2008, door een prijs die je enkel mocht uitgeven aan dingen die met je talent te maken hadden. Ik wou al lang eens naar Thailand, en koos voor een stilteretraite. Die heeft toen een enorme indruk op me gemaakt. Maar het enige probleem met die oosterse wijsheid is dat ze uitgewerkt raakt van zodra je erop wil gaan bouwen. Zodra je denkt datje ze snapt, ontglipt ze je. Dat geldt ook voor mediteren, heel lastig. Deze zomer voelde ik dat ik al op voorhand in mijn hoofd had wat ik er kwam halen: lekker zitten mediteren om een voorstelling te maken over een kloppend alternatief voor de manier waarop mensen in het Westen denken. Het werkte niet. Na twee dagen ben ik er weggelopen. Naar Birma, maar ook daar klopte het niet. Ik had gewoon heel erg heimwee. Ik heb echt zes weken zitten wachten tot ik weer naar huis mocht. Ik had plots heel veel zin om theedoeken op te vouwen, rekeningen te betalen en de krant te lezen, godbetert.

Wat heeft die boeddhistische verkenning jou en jouw werk bij gebracht?

Het heeft een aantal intuïtieve overtuigingen scherper helpen formuleren, zoals het feit dat ik in mijn werk niet zo op vernieuwing uit ben. Vernieuwing is eigenlijk niet zo interessant. Als je vindt datje voortdurend iets nieuws moet bedenken, werkt dat vervlakking in de hand. Op die retraites zit je samen tien dagen te zwijgen om allemaal tot precies dezelfde inzichten te komen. Dat voelt niet als ‘jammer, nu ben ik niet meer uniek’. Nee, het gaat om een collectieve kennis die net heel rijk is. Dat heeft me gesterkt in het besef dat we in theater beter zoeken naar de overeenkomsten tussen mensen dan naar de verschillen. En het heeft mijn ego wat helpen deflaten. Als je als kunstenaar iets moois formuleert, weet ik nu, dan zegt dat niet zozeer iets over jou, maar iets over je opmerkzaamheid. Goeie kunstenaars zien gewoon de schoonheid die er al is in de wereld. Dat geeft hen een soort rust. Het maakt mij alleen wat meer verlegen in het foyer, als mensen na de voorstelling met complimentjes komen. ‘Ik ben het niet, ik heb de waarheid gewoon opgevangen.’ Dat klinkt heel arrogant, bijna als grootheidswaanzin, maar je voelt je net heel klein en bescheiden. Zo is het me af en toe gelukt om tot non-dualistische inzichten te komen, die je doen beseffen hoe ongelofelijk hard wij de wereld versimpelen door alles in tweeën te hakken. Dat sluit een enorme bron van kennis en schoonheid uit. Vergelijk die kennis met drugs gebruiken: ze komt in flarden, en is niet hanteerbaar.

Zit er geen contradictie tussen dat verkleinde ego dat zich deel weet van een groter geheel, en jouw heel persoonlijke en zelfgerichte theatervorm?

Nee, dat is wat me bij het boeddhisme net heeft aangesproken: dat boeddhisten altijd bij zichzelf beginnen. Ze zien het zelf als een onderzoeksobject om universele kennis te vergaren. Vaak gaat het daar bij de westerling mis. Die raakt door dat zelfonderzoek zo gefascineerd dat hij nooit tot die grote kennis komt. Halverwege de berg gaat hij zitten omdat hij helemaal betoverd raakt door zijn eigen poriën. Maar je moet je lichaam natuurlijk leren kennen om te begrijpen dat het niet jouw lichaam is. Ik weet niet of ik zelf ooit tot dat punt gekomen ben, maar ik heb mezelf wel als onderzoeksobject gebruikt omdat ik geloof dat alle kennis in eenieder besloten ligt. Ik vind mezelf niet noodzakelijk interessanter, maar ik kan nooit zo diep en compromisloos bij een mens komen als bij mezelf.

Bestaat er zoiets als goede en foute particuliere anekdotiek?

Dat heeft met talent te maken. Sommige mensen kunnen over hun linkersok leuteren en toch iedereen het gevoel geven dat hij zich erin herkent. En anderen staan iets heel universeels te vertellen terwijl iedereen denkt: ‘Geen idee waar hij het over heeft’. Bij mezelf gaat dat vaak goed. Voor Sartre zegt sorry had ik superveel liefdesverdriet, en moést ik in de voorstelling mijn mislukte huwelijksaanzoek kwijt voor ik überhaupt aan Sartre toekwam. Maar mensen noemden dat ‘het portret van een generatie’. Dat is dan kennelijk mijn talent. Bij elke voorstelling die ik maak, vrees ik dat ze te particulier wordt, maar dan blijkt ze toch steeds weer groter te zijn dan ikzelf. Vaak hoor ik dan van mensen over mijn voorstelling: ‘Dat is precies wat ik dacht.’ Natuurlijk niet. Ze denken louter dat ze dat dachten omdat ik het goed geformuleerd heb. Dat is wat een kunstenaar je kan laten denken: dat je dat al dacht.

Maar nu wil je weer een andere richting uit, weg van het spirituele?

Ja, mijn werk heeft twee richtingen. Er zijn pogingen om een alternatief te bieden, en dan maak ik me weer medeplichtig aan wat ik veroordeel. In mijn laatste voorstelling, Wat nodig is, koos ik er expliciet voor om dat soort medeplichtigheden – ik ruim ook niet op, ik betaal mijn rekeningen ook niet en ik lieg zelfs – even helemaal buiten het stuk te laten. Ik heb geprobeerd een spiritueel leider te zijn: ik wou mensen even het idee geven dat ze naar iemand keken die er wél in slaagde om een bepaald pad te volgen. Dat heb ik in mijn werk vaker gedaan: kwetsbaar zijn in wat ik wel weet en kan, in plaats van toe te geven aan de standaard kwetsbaarheid, die bestaat uit het delen van je gebreken. Alleen moet dat in balans blijven. Ik heb nu het gevoel dat veel mensen in Nederland in mijn zaal zitten weg te soezen en denken: ‘Hmmm, Laura.’ Dat wil ik weer kapot maken. De eerste vijf minuten van Oudejaarsconference moeten onbegrijpelijk zijn, mensen direct uit dat comfort halen. Anders is het niets meer waard. Zo’n oudejaarsconference is daar een goed format voor, omdat ze de verwachting schept dat het gezellig en vertrouwd zal worden, dat ik veel grapjes zal maken over politici en over de wereld, maar vooral niet over het publiek zelf. Kerst en Nieuw is de periode bij uitstek om aan te voelen wat voor een enorme depressies opgelegde gezelligheid kan veroorzaken.

Je lijkt wel erg bezig met de manier waarop het publiek jou ziet, niet? Tot in je voorstellingen toe.

Misschien is het paranoia, en zit het enkel in mijn hoofd dat iedereen mij lief vindt. Dat is een typisch trekje van cabaretiers: denken dat mensen van alles over jou zijn gaan denken, en je daarin gevangen voelen. Over die paranoia zal mijn oudejaarsconference ook gaan, vermoed ik: hoe ontkom je aan het imago dat je zelf gecreëerd hebt? Dus ja, voor mij is het publiek een heel wezenlijke gesprekspartner, bijna op het obsessieve af. Als ik aan het schrijven ben, zitten mijn toeschouwers de hele tijd tegenover mij. Is dat gek? In Frascati (waar Van Dolron haar eerste producties maakte, wh) hing altijd een vrij kille houding tegenover het publiek. Ergens in de jaren tachtig is blijkbaar besloten dat er geen enkele aanspraak meer mag zijn op wat dan ook, en nu is het zelfs not done om van een voorstelling te zeggen datje ze niet begrijpt. Ik vond dat een verdrietige situatie, en als statement of provocatie ben ik toen lief theater gaan maken. Maar ook daarin kan je vastraken. Elke keer moetje het risico blijven lopen dat mensen het niet goed gaan vinden. Bij Sartre zegt sorry dacht ik: nu gaan ze echt niet van me houden, want ik gooi mijn vuile onderbroeken op het podium. Nu denk ik: ‘Ze gaan echt niet van me houden, want ik ga laten zien dat ik eigenlijk gewoon een manipulatieve theatermaker ben, en dus helemaal niet lief.’ Ik heb daar bijna zin in: dat het een keer goed misgaat, dat iedereen zegt: ‘Nee, hier vinden we echt niets meer aan.’ Dat is intussen best lang geleden, van de slechte ontvangst van Als gekken in 2009. Die momenten helpen je om weer je eigen motor te vinden, tegen het gevoel in dat iets buiten jezelf je voortstuwt, of dat iets al heeft bepaald dat het zinnig is watje doet. Stiekem ga ik dus iets maken dat iedereen heel stom vindt.

Keert Laura van Dolron terug naar haar roots: de zoektocht van een theatermaker?

Ik zie mijn werk meer als een cyclisch proces dan als een doorgaande lijn, maar nu heb ik inderdaad weer behoefte aan: ‘Mensen, dit is een constructie, een kunstwerk, en ik ben een kunstenaar.’ In Sartre zegt sorry en Wat nodig is werd dat achterliggende mechanisme volledig ontkend, waardoor ik voluit voor de inhoud kon gaan. Er werd gesuggereerd dat er gewoon een mens stond te praten, en geen theatermaker. Nu voel ik de nood om het publiek weer veel meer deelgenoot te maken van het theatrale proces en de keuzes die eraan ten grondslag liggen.

Is er in die tien jaar dan niets veranderd aan je werk?

Jawel, vroeger wilde ik echt ‘het theater veranderen’, of mijn collega’s een lesje leren. Ik had veel meer het gevoel met hen een strijd te voeren, terwijl ik nu vooral in gevecht ben met mijn eigen vorige stuk. Dat moet ik altijd stom vinden, anders kan ik niets nieuws maken. Maar ik ben sowieso minder boos en vijandig geworden. Dat kwam vroeger natuurlijk door die toneelschool. Daar zit je vier jaar gevangen, en ook daarna blijf je er nog even mee vechten. Dat is nu gedaan. Nu zijn ze in Maastricht dol op mij. ‘We hebben de performanceopleiding zowat opgericht omdat jij hier hebt gezeten!’ Heel lief en schattig is dat, maar zij hebben mij eigenlijk pas echt opgemerkt toen ik van school af was, ook wel omdat ik mezelf niet eerder duidelijk kon uitdrukken. Geeft niet!

Je windt je echt nergens meer over op? Het is moeilijk voor te stellen dat Laura van Dolron niet langer vindt dat er dingen fout lopen in theater.

OK, ik heb nog altijd moeite met de verhouding tussen regisseurs en acteurs. Ik blijf het heel lastig vinden om te kijken naar mensen die hun lijf en leden inzetten voor het idee van iemand anders die verder niet aanwezig of aansprakelijk is. Dat is het eeuwige compromis van theater: dat er meestal niemand echt aansprakelijk is. Het is altijd de schuld van Shakespeare, of die van de regisseur, of die van de acteurs. Dat collectieve levert een vage verantwoordelijkheid op, terwijl kunst en verantwoordelijkheid voor mij toch altijd hand in hand gaan. Daarom vind ik cabaret een prettiger vorm dan toneel, of toch op papier: wie er staat, valt altijd samen met wat hij of zij vindt.

Wat ik verder niet kan hebben, zijn al die racistische grappen op toneel, zeker in Nederland. Ik was laatst weer bij zo’n voorstelling waarin een Turkse man de hele tijd alleen maar ‘Turk’ wordt genoemd en ‘jalla jalla’ moet roepen. En waarin een hele rijke Amsterdamse acteur met een huis met planken vloeren en kunst aan de muur maar wat graag uitpakt met het accent van een lower classer. Waarmee zo’n zaal vol middle-upperclassers dan heel hard moet lachen. Daar heb ik moeite mee! Het gebrek aan bewustzijn daarover! Als in dat stuk dan een scène zou komen waarin die acteur uit zijn rol stapt en vraagt waar we nou om lachen, dan heb je me. Maar dat meta-bewustzijn ontbreekt in theater structureel. Zelfs tijdens de repetities heeft niemand dus ooit gevraagd: ‘Wat is nu de essentie van deze grap?’ Alles blijkt zo evident. Ik vind dat een gebrek aan nieuwsgierigheid naar theater als vorm.

Ook repertoire snap ik echt niet. Het is toch enorm omslachtig om in al die woorden van zo lang geleden actualiteit te proberen pompen, door een Amerikaanse vlag te laten wapperen of een jarretelle te tonen? Repertoire wil zich altijd maar weer bewijzen: dat het stuk vandaag wél nog iets te zeggen heeft. Hopeloos vermoeiend vind ik dat. Vrouwenemancipatie of de Holocaust, daar wist Shakespeare niks van. Dat valt hem natuurlijk niet te verwijten, maar dat voel je wel. Er zijn intussen mensen op de maan geweest, dat heeft effect op watje zou moeten vertellen als theatermaker! Daar wordt altijd zo makkelijk aan voorbijgegaan. Man-vrouwverhoudingen, dat is altijd hetzelfde gelazer. Of kuisheid. Moeten we weer met z’n allen gaan zitten kijken naar hoe iemand uitgehuwelijkt wordt? Je kan dat meisje wel een Nike-trui aantrekken, maar dat haar vader überhaupt gezag over haar heeft, is nu toch ondenkbaar? Hoe kan ik mij daar in godsnaam mee identificeren? Ik had babyboomers als ouders, mijn drama is net dat zij weigerden gezag over mij uit te oefenen.

Veel repertoirevoorstellingen zijn gewoon mossel noch vis. Of je moet de historische waarde van zo’n ding intact laten, of je moet echt iets nieuws vertellen. Mochten dramaturgen samen een Hamlet gaan spelen, dan kom ik misschien nog kijken, dat wordt best mooi. Zij vinden er vanuit een authentieke liefde vaak nog een soort diepte in, kunnen bij bepaalde zinnen tranen in de ogen krijgen. Maar wat zo’n dramaturg dan mooi in het foldertje schrijft, dat zie je zelden terug op scène, omdat het spelersplezier er altijd tussenkomt.

Repertoire zou terug iets uitzonderlijks moeten worden. Zo kan ik me wel voorstellen dat als elke vijfjaar iemand zoiets raars zou doen als een oude tekst opvoeren, iedereen nog zou denken: ‘Wat is daar aan de hand, zeg!’ Zoals een remake van een film: dat is nog verrassend. Maar ook het bestaan van film wordt in theater structureel ontkend. Hadden er in de tijd van Shakespeare camera’s bestaan, dan was hij echt geen stukjes gaan schrijven. Dan had hij films als American Beauty of Magnolia gedraaid, die perfect op zichzelf hadden kunnen staan en niet nog eens duizend keer opnieuw gemaakt moesten worden. Maar nu zitten wij dus opgezadeld met het feit dat Shakespeare toen geen films kon maken, en moeten we de hele tijd naar die stukken kijken. Dat is toch onzin?

Over jouw eigen producties schreef het Fonds Podiumkunsten in zijn subsidieverslag dat ‘door de herhaling van het concept de oorspronkelijkheid en mogelijk de zeggingskracht van het werk afneemt’. Hoe reageer je daarop?

Ach, ze moeten gewoon iets strengs zeggen, en bij mijn werk ligt die ‘herhaling’ gewoon het meest voor de hand. Daar ben ik helemaal niet van onder de indruk. Het klopt dat mijn format hetzelfde blijft, maar daardoor kan ik inhoudelijk steeds dieper gaan, terwijl je ook makers hebt die hun format steeds wijzigen, waardoor je niet doorkrijgt dat ze steeds hetzelfde blijven zeggen. Vergelijk het met boeken. Die hebben nooit blauwe bladzijden met rode letters, of een gele bladzijde met de letters schuin. Het zijn altijd witte pagina’s met zwarte letters, dus op dat vlak kan een schrijver zijn lezer alvast niet betoveren. Hij moet wel de diepte in. Zoiets probeer ik in het theater ook: een soort eenvoud creëren waardoor je mensen op andere gebieden moet raken of verrassen. Dat vind ik kennelijk spannender dan ‘oh, nu heeft ze een bewegend scherm’ of ‘nu gaat ze samenwerken met een veejay’.

Waar de Raad overigens wel gelijk in heeft, is dat ik moet blijven samenwerken met anderen. Dat is echt een probleem: dat ik steeds zelf mijn disbalans wil organiseren. Ik heb tegenspelers nodig die schuren. Nu is Steve Aernouts (de Vlaamse acteur die vaak meespeelt bij Van Dolron, wh) op een bepaalde manier een verlengstuk van mijzelf. Samen zouden wij het liefst gewoon voor eeuwig Sartre zegt sorry willen blijven doen. Maar ook dat moet weer kapot. Daarom ben ik nu aan het onderzoeken of ik kan samenwerken met Wim Helsen: ik geloof dat hij op de een of andere manier zeker even krachtig is als ik. En ik maak ook nog een ode aan de man, waarvoor ik elke avond een andere sterke acteur wil inviteren die verder van niks weet, en moet optreden als een plaatje, zoals ook vrouwen altijd als plaatjes bezongen zijn. Maar ja, ik nodig ze wel weer uit, dus dat blijft ingewikkeld. Ach, misschien moet ik gewoon een baby, denk ik. Die zal me pas lekker uit balans brengen.

Welke bekende wereldburger zou je vandaag naast je op scène oproepen?

Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi vind ik fascinerend. Zij heeft haar hele gezinsleven opgegeven voor haar volk, voor een abstractie. Zij ziet gevangenschap echt als een cadeau, omdat je dan elke dag kan mediteren. Dat inspireert me: ze leeft vanuit het principe dat er niet zoiets bestaat als een tegenslag. Maar als heldin heeft ze daardoor ook iets ongrijpbaars en zelfs onuitstaanbaars, omdat ze zo indrukwekkend sterk is. Als je het boeddhisme in zijn volle consequentie doordenkt, wordt het bijna kil en meedogenloos.

Iemand anders die ik wel eens aan het woord wil laten, is de pas overleden Barry Commoner. Hij was een van de eerste mensen die ecologie op de kaart heeft gezet, klaarblijkelijk op een moment dat dat thema nog geen soft imago had. Hij had vier regels: ‘Everything is connected to everything else’, ‘Everything must go somewhere’, ‘Nature knows best’ en ‘There is no such thing as a free lunch’: allemaal stoere en wetenschappelijke regels die ook indruk zouden kunnen maken op mensen zonder geitenwollen sokken. Want dat blijf ik waanzinnig vinden: dat groen nog steeds gezien wordt als een keuze. Alsof het om een luxeproduct gaat. Alsof het ook een keuze zou zijn om adem te halen.

Mensen lijken niet meer te begrijpen dat er soms een prijs moet betaald worden. Dat is zowat het enige dat is blijven hangen uit de kranten die ik de afgelopen maanden aan het lezen ben geweest voor mijn oudejaarsconference. Heel veel artikels gaan erover dat mensen niet kunnen accepteren datje niet alles kan hebben. Overal ter wereld zijn er revoluties, is er woede en protest vanuit een terugkerende verbijstering over het feit dat als er hier iets bij komt, er daar iets af gaat. Zeker als het over geld gaat, is op de een of andere manier de idee ontstaan dat het niet zo is, of dat het ons niet geldt. Neem dat eeuwige klagen over belastinggeld, zo typisch. Alsof mensen niet begrijpen dat ze daardoor ook op wegen kunnen rijden. Nee, als die wegen rot worden, gaan ze daar weer over zeuren. Dat vind ik zo bijzonder aan Aung San Suu Kyi: dat is nog een leider die haar volk er duidelijk van kan doordringen dat er voor het een en ander een prijs moet betaald worden. Politici in Nederland hoor je nooit zo optreden, terwijl ik denk dat een volk dat uiteindelijk wel stoer zou vinden. Mensen worden helemaal niet gelukkig van de suggestie dat ze alles kunnen en zullen krijgen.’

De Oudejaarsconference van Laura van Dolron heeft op diverse locaties inspeelvoorstellingen vanaf 12 december; de première is op 27 december bij Het Nationale Toneel; vervolgens tournee.

www.lauravandolron.com

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 13 — 16 minuten

#131

15.12.2012

14.03.2013

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!