Jeroen Versteele

Leestijd 6 — 9 minuten

Valse liefde zonder gif

Hij en zij. Verdwaalde toeristen in een science-fïctionlandschap? Menselijke proefdieren in een laboratorium? Een aan elkaar verknocht koppel zonder bewegingsvrijheid? De laatste aardbewoners na een Apocalyps? Onkundige minnaars in elkaars nachtmerrie? Modellen tijdens een fotoshoot of in een reclamefilm?

Nogal wat critici weten het blijkbaar niet zo goed. In de meeste recensies van Forgeries, Love and Other Matters, de nieuwe voorstelling van Meg Stuart (artistiek leidster van dansgezelschap Damaged Goods) en haar Canadese collega Benoit Lachambre, volgen korte, smakelijke en sterk van elkaar verschillende typeringen van het duo elkaar op.1 Hetzelfde gebeurt trouwens in de brochuretekst: ‘Forgeries (…) is een zeden-komedie die gemuteerd is in een sciencefictionverhaal. Zien we op de scène kampeerders of zwervers, vrienden of geliefden, mensen of dieren?

Logisch. De voorstelling -de laatste die Stuart in residentie in Zürich zal gemaakt hebben- bestaat nu eenmaal uit korte situaties, aanzetten tot scènes, ruwe schetsen die onderlinge verbanden suggereren en telkens voorafgaande gebeurtenissen en mogelijke afwikkelingen genereren in je eigen fantasie. In het begin van het stuk zitten beide choreografen-dansers op klapstoeltjes: Stuart trekt brede grimassen en barst steeds op een overgegesticu-leerde, mime-achtige manier in stille huilbuien uit. Lachambre buigt zich over haar heen en probeert haar te troosten, maar wanneer Stuarts mimiek overgaat in stuiptrekkingen die heviger en repetitiever worden, vlucht hij het heuvelachtige decor in, geruisloos op de ondergrond van bruine pluche. In een latere scène gebeurt precies het omgekeerde: Lachambre ligt hyperventilerend op de grond, en Stuart slaagt er door haar eigen dwangmatige bewegingspatroon niet in hem te helpen. Wél bindt ze zich aan hem vast met een lang, dik touw -een gegeven dat herinnert aan de gezamenlijke reis van de aan elkaar gebonden geliefden Matsumoto en Sawako in de film Dolls (2002, Takeshi Kitano). Maar waar die in hun zwerftocht dichter tot elkaar komen, geeft de letterlijke verbintenis tussen Stuart en Lachambre aanleiding tot een voortdurende krachtmeting. In hun spel van aantrekking en afstoting rukken ze elkaar vooruit of houden ze elkaar tegen, slepen ze hun partner het bergachtige achterplan van het decor op om die er daarna weer van af te sleuren. Het touw staat bijna onophoudelijk gespannen en toont het machtsspel dat ook andere scènes bindt: een machtsspel tussen de protagonisten, maar ook tussen hun verlangens en lichamelijke beperkingen. Want meer nog dan met elkaar, strijden de geliefden met wat we als vanzelfsprekend beschouwen, maar op het podium een onbereikbare utopie blijkt. Vrijen lukt zelfs niet eens op de meest romantische camping bij zonsondergang, samen eten en drinken moet uit eikaars mond of lurkend aan de doordrenkte vloerbekleding waarop ze gemorst hebben.

Een andere, minder uitgewerkte maar des te opvallender rode draad die doorheen verschillende scènes valt te ontwaren, zijn de ‘vervalsingen’ uit de titel van de productie. Natuurlijk hangt er over de hele voorstelling -en Stuarts oeuvre- een sfeer van bevreemdende artificialiteit, maar we mogen vermoeden dat de forgeries in dit stuk verwijzen naar de fake liefdesgedragingen die haar vrouwelijke personage opvoert. Op een gegeven ogenblik daagt ze op, gekleed als een vamp, compleet met blonde pruik en opzichtige make-up. Of het koppeltje houdt een geforceerde picknick in het lelijke bruine dalletje, waarvan de zachte geborgenheid op zijn beurt ontkracht wordt door de blikkerende stalen achterwand die achter de heuvelrug het decor afbakent. Nog valser zijn de poses die Stuart en Lachambre in de eindscène aannemen, zoals tijdens een fotoshoot voor een vakantiebrochure of een reclamefilm voor relatietherapie.

Maar erg veel zegt het duo Stuart-Lachambre -dat reeds eerder samenwerkte in No Longer Readymade en enkele improvisatieprojecten-met deze scènes niet. De pastiches op het uiterlijk vertoon tijdens verleidingspogingen en op het namaakgeluk van onze consumptiemaatschappij, zijn eigenlijk net zo oppervlakkig en doorzichtig als de aangeklaagde valsheid ervan. Potentieel interessanter zijn de stukjes waarin Meg Stuart haar onderhand typische bewegingsvocabularium als hindernis posteert tussen het verlangen van haar personages naar tederheid, en het contact dat zelfs in zijn eenvoudigste vorm onmogelijk blijkt. Het is een weerkerend thema bij Stuart: ook in Visitors Only (2003), haar vorige productie, zat een scène die deze frustratie op een bijna poëticale manier uitbeeldde: alsof hij gevangen zat in de logica van een nachtmerrie, kreeg een geile matroos zijn onderbroekje maar niet uit nadat hij een poppetje had verleid. Stuarts personages zijn getergde marionetten zonder controle over hun lichaam, taalgebruik of gezichtsmimiek, in een wereld vol prikkels zoals gevaar of verlangen. In Visitors Only bepaalde een vaak loodzware sound-scape van Paul Lemp en Bo Wiget dreigend de dans van deze personages; Forgeries… beschikt met een subtielere live-begeleiding van Hahn Rowe over een eerder filmisch geluidsdecor dat nog meer afstand en kunstmatigheid schept. De uitdrukking van de hopeloze pogingen waarmee deze schepsels in hun eenvoudigste behoeftes proberen te voldoen, is een ijzersterk thema waarover Stuart nog lang niet is uitverteld. Maar in deze voorstelling zet ze eerder een stap terug dan vooruit, komt haar waarmerk veel minder krachtig tot uiting dan in Visitors Only, of in het daarvoor geregisseerde ALIBI (2002).

Daarvan kunnen verschillende elementen de oorzaak zijn. Ten eerste combineren Stuart en Lachambre de onmogelijke liefdeshandelingen van hun personages met slapstickachtige toestanden waarbij elke timing, finesse en betekenis ontbreken -die indruk werd in ieder geval gewekt tijdens de opvoering die ik bijwoonde. De onhandige glijpartijen van de berg, het opzichtige gestuntel, de berenverkleedpartij, het telefonische ironiseren van clichématige situaties zoals de verleidingspogingen, of het geposeer tijdens de eerder vermelde fotosessie,… Waar de dramatiek in vorige producties totaal over the top was maar onmiskenbaar wérkte, wordt ze hier ontmanteld door een halfslachtige mix van genres. De lach trekt hier zelden openingen voor emotie of herkenbare communicatiestoornissen, maar schept verwarring.

Daarnaast is Forgeries… bijzonder anekdotisch en nevenschikkend opgebouwd. De opeengestapelde scènes bevatten wel enkele opvallende kruisverwijzingen en overheersende thema’s, maar zonder echt spanning op te wekken of betekenissen uit te werken. Enkele uitbeeldingen zou je ‘centrale scènes’ kunnen noemen, maar dan alleen omdat ze de boodschap van het stuk helderder lijken uit te drukken dan andere, en niet omdat je ze ervaart als een hoogtepunt of omdat ze in andere scènes aan diepgang winnen. Natuurlijk valt nevenschikking of een gefragmenteerde structuur op zich niet te veroordelen, maar de indruk ontstaat dat deze uitwerking eerder een opeenstapeling van vondstjes is, dan een vruchtbare combinatie van verschillende betekenisvolle elementen. Mij leek het een reeks aha-momenten uit improvisatiesessies, pas ontgonnen en nog nauwelijks bewerkt of in elkaar geschoven. Voor wie de veel langere en beter aan elkaar gelaste scènes in ALIBI of Visitors Only zag, bevat Forgeries… alleen maar flauwe, ondiepe doorslagjes van wat Stuart al veel krachtiger ensceneerde. Omwille daarvan is het niet verwonderlijk dat vele randteksten zoals brochures, recensies of andere representaties van de productie op een gelijkaardige (maar nogal gemakkelijke) manier nevengeschikte beschrijvingen of nauwelijks doorgetrokken interpretaties van personages, scène-beelden of situaties bevatten: zo steekt de voorstelling nu eenmaal in elkaar.

Voor een derde probleem maak ik een omweg langs een nog onvermeld sterk punt van Stuart, namelijk de fantastische beelden in haar producties. Zo ongemakkelijk ze humor of narratieve spanning in de voorstellingen verwerkt, zo’n onvergetelijke beelden blijven in je herinnering geprent – beelden die, hoewel ze op zich geen synthetiserende uitbeelding zijn van een of andere boodschap, wel probleemloos kunnen worden beladen met wat jij als basisgedachte van de voorstelling beschouwt. In Visitors Only waren dat voor mij de pijnlijk lange, hevige rondedansjes die dansers twee aan twee uitvoerden in de verschillende kamers van de doorsnede van het levensgrote huis, in Forgeries… is het misschien wel de scène waarin Benoit Lachambre zich woest van zijn kleding ontdoet en dravend op de heuvelrug transformeert in een aapmens en ten slotte een soort weerwolf die huilt naar een wit spotlicht. Een ander onvergetelijk beeld ontstaat wanneer er -verrassing- een stuk omhulsel van de vachtige decorberg wordt opengeklapt en er een ondergronds, spierwit en helverlicht dokterskabinet tevoorschijn komt. Meg Stuart, die in de ogenblikken daarvoor haar kleren volpropte met plastic zakken en lege petflessen, gaat er binnen en laat zich ‘onderzoeken’ door Lachambre, intussen in dokterschort. Die haalt de rotzooi onder Stuarts kledij te voorschijn, betast haar rug, beschrijft wat hij opmerkt. De diagnose van dokter Lachambre en de daaropvolgende dialoog met Stuart lijken tegelijkertijd een zowel komisch als diepzinnig bedoelde verwoording van dat benauwde levensgevoel dat ik, zoals gezegd, vooral in eerdere producties herken. Net zoals Stuarts bewegingsvocabularium is dit tekstmateriaal repetitief, maar daar houdt elke overeenkomst wel mee op.

Lachambre: ‘This is a landscape. This is a movement underneath the surface. This is heat. This is a chaotic movement device. (…) There is no waiting in this place. There is no anger in this place. There is no loving in this place. There are no emotions in this place. There is no dancing in this place. There is no contact in this place. There is no forgetting in this place. (…)

Stuart: ‘There are no contradictions in this place. There are no misunderstandings in this place. There is no regret in this place. There is no intimacy in this place. There are no diseases in this place. There is no scar in this place. There is no reason to stay in this place. (…)

Zo krachtig als Stuarts bewegingstaal en beeldend vernuft het vermogen hebben me te raken en te verstoren, zo volkomen onschadelijk glijdt dit pseudo-scherpzinnig, vals poëtisch tekstgebruik langs mij heen. Vermijd grote woorden in je tekst, zo werd ons steeds geleerd, en op ogenblikken zoals deze wordt duidelijk waarom. Sommige toeschouwers zullen het terugkerende patroon en de monotone voordracht wel bezwerend, mysterieus, diep of veellagig vinden, ik vind het vooral gratuit en ten koste gaand van sterkere, meer betekenisvolle scènes waarin veel spaarzamer en tegelijk opvallender met spreektaal wordt omgesprongen (zoals wanneer Stuart in het begin van de voorstelling, uitgeput na haar vruchteloze pogingen om de heuvel te beklimmen, plots murmelt: ‘Is this some kind of joke? Are we there yet? My time is precious.’).

Het is jammer dat Forgeries… zich dus zowel in de uitbouw van het concept en de samenstelling van de scènes, als in het gebruikte tekstmateriaal lijkt te bedienen van procédés die iets vrijblijvends over zich hebben. Stuarts onthutsende signalen verliezen aan schadelijkheid door flauwe humor, een overdosis gelijkwaardige variaties op hetzelfde thema zonder richting of opbouw, een hol taalgebruik dat stikt in zijn retorische intenties, de veelheid van half uitgewerkte of zelfs gerecycleerde ideeën. En dat is zonde van het -overigens destabiliserende en nog steeds erg damaged– materiaal.

1 Ik verwijs naar recensies die verschenen na de opvoeringen op het Holland Festival, van 22 tot 25 juni ’04, onder andere in De Morgen, TM, de Volkskrant, Trouw, NRC Handelsblad.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#93

15.10.2004

14.01.2005

Jeroen Versteele

Jeroen Versteele (1980) werkt als dramaturg bij NTGent en
bij acteursgroep Wunderbaum. Voor De Morgen schrijft hij
interviews en boekrecensies.