© Wannes Cré

Evelyne Coussens

Leestijd 3 — 6 minuten

Toverberg – Desnor

Thomas Mann was een bofkont – hij had tenminste nog een echte berg om zich toe te verhouden. De vier jonge spelers van Toverberg proberen van op de postmoderne vlakte van de Grote Nivellering opnieuw reliëf aan te brengen in hun bestaan, in hun betekenis. Maar hun poging komt verdomd moeilijk van de grond.

Altijd fijn wanneer jonge mensen ambitieus zijn. Desnor (Louis Janssens en Ferre Marnef) gaat samen met Anna Franziska Jäger en Timo Sterckx op zoek naar een hedendaags vervolg op De toverberg (1924), het filosofisch-ideologische magnum opus van Thomas Mann dat de socio-culturele spanningen van begin de twintigste eeuw metaforiseert. Maar wacht eens, met de ambities van het kwartet is ook iets vreemds aan de hand. “We gaan het opnieuw vertellen, de vraag is hoe,” kondigt Jäger aan bij het begin, aan de voet van een wit opgespannen laken dat fungeert als berghelling. Het thematiseren van de eigen zoektocht (en daarmee de facto van de praktijk van het theater maken) is natuurlijk niets nieuws, maar wanneer het voorwaardelijke karakter van al wat zal volgen (“Allemaal vragen die je zou kunnen stellen”) voorop komt te staan, is dat ook een slimme manier om je ambities niet helemaal te moeten vervullen. De maker die bij aanvang zijn twijfels expliciteert, dekt zich alvast in voor resultaatsdenken.

Ambitieus dus, Desnor, maar ook: onzeker.

Die onzekerheid  – of is het, niet betuttelend bedoeld, maar toch: immaturiteit? – brengt de vier ertoe in taal en muziek rijkelijk te citeren uit externe inspiratiebronnen: van Bergson en Baricco over Mann zelf tot Kraftwerk en Mylène Farmer. Het levensgevoel dat uit al deze referenties opwelt is dat van een Grote Impasse, een Grote Stilstand, het gevoel dat er door de voorgaande decennia van postmodernisme een kaalslag is gebeurd en dat deze generatie zich op een vlakte bevindt waarop nog moeilijk reliëf of richting valt te zien. Barricco heeft verklaard dat de wereld van de barbaren is, dat er geen hiërarchie meer is in wie of wat waarde heeft, en dat dat bovendien helemaal niet zo erg is. What went up, must go down – zoals de vier met hun handen de contouren van een berghelling schetsen. Surf maar rustig verder op de oppervlaktegolven van een geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld, jonge mens. De marmeren zuilen zijn bij Desnor van karton, net als het spreekgestoelte: wegwerpmateriaal van een génération désenchantée.

Desnor lijkt zich machteloos te voelen bij deze gelijkschakeling, of misschien tot zwijgen gebracht. Over hun beperkte handelingsmogelijkheid in deze voortrazende tijd (die aanvoelt als een circulaire beweging en dus als stilstand, hier komt Bergson om de hoek) stellen ze een collage samen van vragen en gedachten, die in Toverberg bijna consequent eerst worden uitgesproken of geprojecteerd en vervolgens nog eens geïllustreerd – ‘toegepast’ –  met een bouwscène, een dansscène of een spelscène. Meest exemplarisch is de beroemde sneeuwscène uit De toverberg waarbij Manns hoofdfiguur Hans Castorp terecht komt in een metaforische, verblindende sneeuwstorm. Het fragment wordt eerst door de vier spelers verteld, waarna Marnef het nog eens symboliseert door ijlend in een wit doek heen en weer te rollen. Dit wat makke procedé creëert het gevoel dat de ploeg zich de geciteerde gedachten niet helemaal heeft kunnen eigen maken, er niet in geslaagd is ze naar de eigen wereld –  in het eigen lijf – te trekken.

Parallel daarmee ontstaat, ondanks de vele externe referenties, steeds sterker het gevoel dat Toverberg vooral het zelf thematiseert. Een enorm kartonnen boek bevat een acteur (Ferre Marnef) die telkens weer naar het voorplan loopt om iets te zeggen, maar steeds weer faalt in zijn opzet. Hoe te beginnen, waar te beginnen? Het is niet dat je die worsteling niet begrijpt, maar het steeds opnieuw belichten van de epistemologische vragen mag een gegronde poging tot antwoorden niet in de weg staan. Hoe sterker de onmogelijkheid van het construeren van een eigen berg wordt onderstreept (ook weer door het bazelen van de Tovenaar, Mann zelf in de gedaante van Timo Sterckx), hoe sterker Toverberg de trekken aanneemt van een zelfportret met narcistische trekjes.

Bovendien mist de voorstelling auteurschap. De collage van teksten, citaten en beelden blijft fragmentair en vrijblijvend, alsof niemand het materiaal echt heeft willen (of mogen) sculpteren tot een samenhangend geheel. Misschien heeft dat te maken met de ideologische premisse die in de promotekst wordt geëxpliciteerd: de ambitie ‘in theater zin voor burgerschap (te) tonen op een meerstemmige manier’. Nou nou. Het is me nogal een opdracht, en de vraag is niet alleen of die theater tout court wel toevalt maar ook of een jong clubje ze nu meteen op zijn schouders moet torsen. In ieder geval is het resultaat van de beproefde meerstemmigheid eerder een versnipperde vormoefening rond een aantal theoretische concepten dan een doorvoelde, doorleefde verhouding tot dat intellectuele materiaal.

In Toverberg schuilt de omgang met de ‘grote vragen’ van bij het begin vooral in het ver- en soms uitbeelden van de vragen zelf. Niet dat er wat mij betreft antwoorden moeten komen, en overigens al helemaal niet in de gedaante van het communistische Solidariteitslied, dat aan het slot nog snel even als propositie op de berg wordt gegooid. Maar de behandeling van het ambitieuze materiaal zelf moet wél verder gaan dan de grap om van de Toverberg een Coverberg te maken. Die aanpak is, mind the pun, echt te vlak.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie