Paul De Grauwe – Foto Herman Sorgeloos

Theo Van Rompay

Leestijd 5 — 8 minuten

Tien bedenkingen bij een gesprek

Zowel in recente interviews als op de VUB-studiedag “Geld voor de kunst?” (14 – 5 – 1986) citeerde Patrick Dewael regelmatig de stellingen van Paul De Grauwe (cfr. Etcetera 13 & 14). “Er is goede hoop dat het beleid in de hier uitgestippelde richting evolueert. De programma-verklaring van de huidige Vlaamse minister van cultuur gaat uit van dezelfde principes als die welke we in dit hoofdstuk formuleerden. Indien deze principes in de praktijk worden omgezet, dan zullen we voor het eerst geslaagd zijn om democratie en cultuur met elkaar te verzoenen.” Aldus besluit Paul De Grauwe zelf – “ik ben een onafhankelijke, partijloze liberaal” – zijn cultuurhoofdstuk in ‘De zichtbare hand’ (blz. 126 – 127).

1. In zijn boek De zichtbare hand verdedigt Prof. Paul De Grauwe de stelling dat een overheidsinterventie slechts gerechtvaardigd wordt in zoverre het object van die interventie een ‘collectief goed’ uitmaakt. In alle andere gevallen moet volgens de liberale doctrine het marktmechanisme vrij spel gelaten worden, waarbij de overheid zich de rol van neutrale scheidsrechter toebedeelt. Haar taak is het dan voor elk individu gelijke regels op te stellen (en ze te laten respecteren) opdat de markt werkelijk een vrije markt zou zijn. Een collectief goed is voor de economen een goed of een dienst waarvan iedereen (gewild of ongewild) geniet. De Grauwe noemt bijvoorbeeld: orde en veiligheid, milieu, openbaar vervoer. Is volgens deze definitie de cultuur niet het collectieve goed bij uitstek? De geestelijke ontwikkeling van een gemeenschap is net zo belangrijk voor het menselijk ras als gezonde lucht of proper water. Men kan, tussen haakjes, zelfs stellen dat de noodzaak van milieubescherming geen objectief feit is, laat staan een economisch feit, maar veeleer functie is van levensbeschouwelijke en culturele opties. De bevordering van het culturele ontwikkelingsproces in de ruimste zin van het woord lijkt dan ook een primordiale overheidstaak te zijn.

2. Het is een dooddoener te stellen dat ook zonder subsidies de kunsten wel zullen overleven. Net deze onuitroeibare kracht die de kunstenaar én zijn publiek blijven opbrengen in zelfs de meest miserabele omstandigheden, weerspiegelt de noodzaak ervan voor de samenleving. Overigens geraken de pendelaars óók wel op hun werk op dagen van treinstaking. Maar daaruit concluderen dat de overheid zich kan onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor de gemeenschap inzake het openbaar vervoer…

3. De verworven onafhankelijkheid van de kunstenaar in het post-Ancien Regime-tijdperk is volgens De Grauwe onverenigbaar met het subsidiëringsbeginsel. Is daar een objectieve reden voor? Hier stelt zich een machtsprobleem. In de mate dat de politicus de beleidsvoering kan onttrekken aan het oog van de burger, kan hij inderdaad de kunstenaar de wet dicteren. In een open democratie echter is deze macht niet meer absoluut. Anderzijds is deze afhankelijkheid slechts te vrezen wanneer de kunsten materieel uitsluitend bij gratie van de overheid zouden bestaan. Maar theaters hebben ook andere inkomstenbronnen. Overigens leert de praktijk dat een goed deel van de artiesten zich recht weet te houden in dit gevecht en de criticus met onbesmet blazoen in de ogen kan krijgen.

4. In het Ancien Regime was de kunstenaar volstrekt afhankelijk van de koning. In het voorgestelde tickettoelagen-systeem wordt hij volstrekt afhankelijk van de toeschouwer. In een systeem van sponsoring en belastingsaftrekbare giften wordt hij afhankelijk van de kapitaalkrachtige toeschouwer. Een goed kunstenbeleid maakt de artiest onafhankelijk. Artiest en toeschouwer zijn weliswaar onlosmakelijk aan mekaar verbonden, maar het initiële punt in deze communicatie ligt zonder twijfel bij de creatie-drang van de kunstenaar, bij zijn/haar wil om vanuit een subjectieve waarneming de objectieve ordening der dingen aan te passen, te becommentariëren, te interpreteren. De dynamiek van het cultuurproces situeert zich in deze confrontatie van het nog niet verwoorde met een publiek. Kunst bestaat omdat er kunstenaars zijn; niet omdat er een publiek voor is. Een goed cultuurbeleid geeft carte blanche aan de kunstenaars en helpt hen bij hun zoektocht naar een publiek.

5. Een evaluatie van publieksreacties zal, samen met tal van andere factoren, de overheid helpen bij haar verdere beleidsvoering. Maar door de cultuursubsidies exclusief te koppelen aan een kwantitatieve factor (het ààntal toeschouwers), zal de kunstenaar slechts gestimuleerd worden tot anticipatie op een te verwachten publieksgedrag. Hij zal verzaken aan zijn eigen subjectiviteit.

6. Door voor elke theaterbezoeker eenzelfde subsidiebedrag uit te keren, wordt volledig voorbijgegaan aan de verschillende behoeften van de theatermakers (en toeschouwers!). Urbanus zal in zijn vuistje lachen: hij heeft op dit moment helemaal geen nood meer aan toelagen voor zijn goed draaiend selfsupporting amusementsbedrijfje (waarover geen slecht woord overigens), maar krijgt er nu nog 200 of 500 Fr. per toeschouwer bovenop. Want waarom zou een succesrijke onderneming niet dezelfde steun krijgen als een verlieslatend bedrijf? En wat te denken van die middenstanders in het theater die nu reeds steevast hun keuken aan het ‘theateravondje’ koppelen? Een kleine omkering van de verhoudingen ligt voor de hand: een avondje tafelen met als entr’acte een clownerie in het belendende theaterzaaltje door de meesterkok/acteur maakt met de staatstussenkomst dit restaurant wel bijzonder aantrekkelijk voor de prijsbewuste fijnproever.

7. Alleen wanneer de gemeenschap zich bij meerderheid uitspreekt (via een referendum bijvoorbeeld) of er geld mag uitgetrokken worden voor ‘theater’, zou er mogen gesubsidieerd worden. Om de zoveel jaar een referendum voor alle kunsten? En wat zal aan het volk ter stemming voorgelegd worden? Want hét theater bestaat niet, evenmin als dé beeldende kunsten, dé dans of dé muziek. De kunstactiviteit is zo complex dat ze niet in eenduidige generaliserende termen te vatten is. Het multimediale, het achterna hollen van de theorie op de praktijk en de grensvervaging tussen wat ooit de klassieke genres waren, maken het eventuele ja- of neen-antwoord meteen irrelevant. Ook hier weer: er zijn alleen kunstenaars.

8. Een democratie laat zich niet alleen kennen door de wil van de meerderheid, maar evenzeer door het recht van de minderheid. Een democratie die zich beperkt tot referendums en zijn minderheden negeert (“omdat ze nu eenmaal een minderheid zijn. punt. andere lijn”) reduceert zichzelf tot rekenkunde en gooit haar levensbeschouwelijke grondslag overboord. Pas als de gemeenschap middelen vrijmaakt om minderheden, om elk individu tenslotte, tenvolle tot ontplooiing te laten komen, wordt het democratisch ideaal bereikt. Zo zijn theater en opera steeds minderheidskunsten geweest en zullen ze dat waarschijnlijk ook blijven. Nochtans – deze willekeurige selectie mag het duidelijk maken – reikt de invloed en draagkracht van Shakespeare, Molière, Tsjechow, Mozart, Verdi en zovele anderen veel verder dan het indertijd (en nu) bereikte minderheidspubliek.

9. De discussie kan echter volledig opengetrokken worden bij een case study van het Amerikaanse cultuurmodel (giften via het systeem van belastingsaftrekbaarheid) en het Europese subsidiëringsmodel. De moeilijke vragen die dan beantwoord dienen te worden zijn: welk geldcircuit komt er in beide modellen vrij voor de kunsten? zijn er indicatoren aanwezig in beide systemen die wijzen op een bepaalde invloed van de financieringswijze op de inhoud van het artistieke werk? welk is de houding van de artiesten in de Verenigde Staten en in Europa tegenover het eigen en het alternatieve systeem? hoe is de publieksparticipatie aan kunstmanifestaties in beide systemen? etcetera.

10. Inmiddels kan men hier niet anders dan het politieke gevecht met de particratie aangaan, opdat de politisering afgebouwd wordt en het cultuurbeleid de plaats toegemeten wordt die haar toekomt; nl. die van een vitale kracht in de samenleving die in het centrum van de beleidsvoering staat, niet in de marge. Die beleidsvoering moet open zijn, op basis van publieke argumentatie, een parlementaire democratie waardig. De duidelijkheid van de keuzen primeert, niet de zogenaamde objectiviteit. In dit beleid ligt het eerste woord bij de artiesten. Slechts doorheen het samenspel van door artiesten geformuleerde wensen, de artistieke creaties zelf, publieksreacties, perscommentaren, ideologische en filosofische strekkingen kan vermeden worden dat de verantwoordelijke minister de door De Grauwe gevreesde cultuurtsaar zou zijn.

varia
Leestijd 5 — 8 minuten

#15

15.09.1986

14.12.1986

Theo Van Rompay

varia