Jasper Delbecke

Leestijd 5 — 8 minuten

Thomas Ryckewaert – Golem

Een bezwerende creatie van Thomas Ryckewaert

We moeten al teruggaan tot 2013 voor de laatste voorstelling van filosoof, bioloog en theatermaker Thomas Ryckewaert. Genesis was een drieluik geïnspireerd op het scheppingsverhaal waarin de zoekende mens ronddoolde op een post-apocalyptische planeet. Ruim drie jaar na datum duikt Ryckewaert terug op met Golem, een associatieve voorstelling die de vele facetten van het creëren in kaart tracht te brengen: de wilde dromen, de frustraties, de torenhoge ambities, de eenzaamheid en de waanzin die dreigt toe te slaan.

In de 14e-eeuwse joodse mythe, die als vertrekpunt diende voor Golem, schept een rabbijn een wezen uit klei om zijn gemeenschap te beschermen tegen gevaar van buitenaf. Al snel glipt het uit de handen van zijn schepper en kiest het zijn eigen pad: het keert zich tegen die schepper en wordt zelf een bedreiging voor de gemeenschap die het ooit moest beschermen. Het golemverhaal maakt volgens Ryckewaert deel uit van een familie van verhalen die tot ons collectieve geheugen en de populaire cultuur behoren: denk maar aan archetypische personages als Frankenstein, Pinokkio of Pygmalion, of films als A.I., Artificial Intelligence, Blade Runner, 2001: A Space Odyssey, Her of Ex-Machina. Al deze verhalen hebben het over de diepe menselijke wens om leven te creëren uit dode materie. Die scheppingsdrang heeft ook een duistere kant waarin de maker zich durft te verliezen in zijn eigen wereld. Tegelijk koestert zijn creatuur soms het verlangen om net zo te zijn als hem, of hem zelfs te overmeesteren. In tijden waarin we klonen, waar algoritmes ons gedrag manipuleren en iPhones sneller denken dan wijzelf, probeert Ryckewaert alle dimensies van het (wetenschappelijke) creatieproces en de impact die ze heeft op ons bestaan te tonen. Nooit expliciet, maar op een geabstraheerde en subtiele manier.

Via een poëtische en associatieve beeldtaal komen deze dimensies in Golem aan de oppervlakte.  We zien geen letterlijke enscenering van de oorspronkelijke mythe maar een fragmentarische en abstracte inkijk in de innerlijke wereld van wetenschappers en hun creaties. De voorstelling biedt een aaneenschakeling van fascinerende beelden, die verschillende dimensies van een creatieproces probeert te tonen. Verworven inzichten slaan om in vertwijfeling, en vreugde glijdt al snel af in wanhoop.

Het is niet altijd duidelijk welke plek op scène wordt gerepresenteerd, en welke rol de personages toebedeeld krijgen. Zien we wetenschappers in de ‘echte’ wereld, of komen de beelden voort uit hun onderbewustzijn? Zijn de intrigerende figuren op het podium poppen die worden gecontroleerd door de golem, of zijn het mensen van vlees en bloed? Ryckewaert kiest ervoor om dat allemaal in het midden te laten. De personages veranderen bovendien continu van gedaante telkens wanneer ze zich in een andere ruimte bevinden. De theatermaker liet zich inspireren door De Egotunnel: hersenonderzoek en de mythe van het zelf van neurowetenschapper Thomas Metzinger, waarin het bestaan en het belang van ons bewustzijn in vraag wordt gesteld. Metzinger ziet het bewustzijn als een illusoire constructie. Onze waarneming wordt voortdurend door verlangens, dromen en hallucinaties gemanipuleerd. De karakters in Golem vormen een bevreemdende mix van dummies, mensen van vlees en bloed en archetypische figuren. We zien een flux van gedaanteverwisselingen.

In een laboratoriumruimte verschijnen mensen van vlees en bloed: mannen en vrouwen in witte jassen die lief en leed delen met elkaar. Daarnaast wordt een parallelle wereld opgetrokken. Het lijkt alsof we ons in de hoofden van de wetenschappers bevinden. Hun getroebleerde psychés isoleren de personages van elkaar. Er is amper communicatie; in deze mentale wereld staan ze er alleen voor, speelballen als ze zijn van hun eigen angsten, woedes en begeerten.

De golem-figuur – gespeeld door Efrat Galai – heeft in Ryckewaerts versie een dubbele rol: ze is tegelijkertijd manipulator en verteller. Ze controleert, pest en manipuleert de verschillende personages. Ze schuifelt en kronkelt over de bühne en zet de personages in hun minikosmos naar haar eigen hand. De golem neemt het vanaf het begin over van haar schepper. Maar Galai’s personage merkt al snel dat ook haar invloed tanende is, en dat zij in gevaar is. De strijd die zich ontspint tussen de golem-figuur en haar omgeving wisselt Ryckewaert af met flashbacks waarbij we haar scheppers aan het werk zien.

Het geschipper tussen heden en verleden gaat gepaard met een groeiende spanning tussen het artificiële en het menselijke. Zoals in zijn andere voorstellingen doet Ryckewaert dit door de confrontatie te ensceneren tussen het dagdagelijkse, kleinmenselijke, en de grote thema’s die ons bezig houden als mens: spiritualiteit, religie en het mysterie van de schepping. In Golem worden deze abstracte denkwerelden en vraagstukken tegenover alledaagse situaties geplaatst zoals een telefoongesprekje in het dialect, een feestje op het werk, het roken van een sigaret, … Na verloop van tijd vervagen de grenzen tussen de twee uiteenlopende universums.

Voor de creatie van de droomwerelden op scéne deed Ryckewaert een beroep op scenograaf Erki De Vries, geluidskunstenaar Senjan Jansen en lichtontwerper Giacomo Gorini. Het is mede hun verdienste dat Golem een indrukwekkend immersieve voorstelling is geworden. De Vries’ geometrische scenografie splijt de scène in twee parallelle werelden: enerzijds een laboratoriumruimte en anderzijds een plek die inkijk geeft in de mentale binnenwerelden van de wetenschappers. Dankzij Giacomo Gorini’s matrix van licht en rook is alles voortdurend in transformatie en worden de grenzen tussen de verschillende ruimtes op de duur uitgewist. Gorini dicht voor een stuk ook de kloof tussen de tribune en het podium: zijn licht baant zich soms een weg vanop de scène tot in de toeschouwersruimte en zorgt ervoor dat het publiek als het ware wordt ‘meegezogen’ in de psychedelische trip van Golem. De bezwerende eighties sci-fi-soundtrack van Jansen versterkt die indruk nog.

Net zoals in Portrait (2011) en Genesis (2013) ontbreekt hier een duidelijk narratief, waardoor je moet terugvallen op je eigen verbeelding. Elke toeschouwer zoekt er via zijn eigen ‘tunnel’ naar antwoorden. Ryckewaert bouwt naar eigen zeggen het kader op, spant het canvas, reikt de verf aan en laat de inkleuring verder aan de toeschouwer over. Met Golem wil de theatermaker vragen oproepen naar de verschillen tussen object en subject, het rationele en het irrationele, mind en matter, de ‘unieke’ mens en ‘zijn’ creatie. Het zijn gigantische vraagstukken die doorheen de tijden steeds werden geherformuleerd en waar de mensheid tot op de dag van vandaag de kop over breekt. De keuze voor een doorgedreven abstractie is tegelijk de kracht én de achilleshiel van de voorstelling. Ondanks zijn grote intellectuele bagage laat Ryckewaert de toeschouwer soms teveel in het ongewisse. De theatermaker wordt vaak een ‘angst voor duidelijkheid’ verweten. Tijdens Golem krijg je de indruk dat daar misschien wel iets van aan is.

De onduidelijkheden kennen een hoogtepunt aan het eind van de voorstelling. Nadat je ruim een uur ondergedompeld was in een bevreemdende fantasiewereld, wordt plots het theatrale kader blootgelegd. Werklicht springt aan; de acteurs stappen uit hun rol, maken een praatje met elkaar, roken rustig een sigaret… Ook de wereld van het theater is een illusoire constructie. De voorstelling keert zich tegen zijn regisseur, acteurs en toeschouwers. De sprongen die Ryckewaert maakt, zijn niet altijd even gemakkelijk te volgen. Is Golem dan een hermetisch stukje theater geworden? Niet zozeer. Wel roept de voorstelling vragen op over de grenzen aan de ‘openheid’ van een ‘open kunstwerk’. Hoeveel sleutels of handvaten moet een kunstenaar aanreiken, en hoeveel ruimte moet worden gelaten aan de autonome verbeelding van de toeschouwer? Een antwoord bieden op deze vraag is telkens een ware koorddans. In Thomas Ryckewaerts Golem is het evenwicht soms zoek.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Jasper Delbecke

recensie