Adolphe de Meyer, ‘Dansstudie’, 1912

Dirk Lauwaert

Leestijd 3 — 6 minuten

Theaterfotografie

Kurve/Kluwen, De danser als sculptuur

De danser gebruikt zijn lichaam als een instrument; hij bespeelt het, geconcentreerd, bezig met ingewikkelde technische manipulaties. De basis van de dans is niet expressief, maar implosief. Hij bereikt ons niet onmiddellijk (zoals een acteur), maar middellijk zoals iedere instrumentist.

De acteur beweegt zich in een hem door decor en regie ter beschikking gestelde ruimte. Ruimte is niet zijn essentieel probleem, het is een beschikbaar requisiet. In de dans is de ruimte nu juist wel het centrale probleem. De danser schept ruimte, schept zijn eigen ruimte. Hoog en beneden, voor en achter, links en rechts – de danser exploreert en affirmeert een ruimte, hij onderzoekt ze en kwalificeert ze. En hij doet dat vanuit een lichaam dat zelf geen voor- en geen achterzijde meer heeft, geen meer en geen minder interessante kant. Hij draait rond, cirkelt, wentelt.

De danser relativeert met andere woorden een goed deel van de basis van het scenische. Het is nooit zo duidelijk gemarkeerd voor welke gezichtshoek hij werkt. De dans suggereert bij uitstek dat een vast en geprivilegieerd gezichtspunt verarmend is; hoe relatief dat gezichtspunt wel is. Voor de dans bestaan er geen coulissen. Waar men ook staat tegenover de danser (voor of achter hem, boven of onder hem – kijk maar naar de foto’s) we zien hem steeds dansen. Men zou kunnen zeggen dat theater twee-dimensioneel werkt; dat de dans daartegen als een sculptuur is. Dat de fotograaf tegenover de danser staat niet als een toeschouwer in een zetel maar als tegenover een beeldhouwwerk.

De klemtoon die ik tot nog toe meende te moeten leggen op de as zaal/scène en op de scheidingslijn van het voetlicht, moet ik bij dansfotografie vergeten. De scène voor de danser is een heel andere dan die voor de acteur. (Wordt trouwens in het “danstheater” de scène niet heel sterk hersteld ten nadele van de alzijdige ruimte voor de dans?) De dansfoto-graaf moet als gevolg hiervan de scène op om zich effectief uiteen te zetten met die stroom van ruimtelijkheid gecreëerd door de danser zelf.

Het is niet toevalig dat reportagefoto’s meteen iets met dans te maken hebben. Ook oorlogsbeelden en straattaferelen zien open ruimte (zonder polariteit van scène en zaal), boordevol bewegingen die elk een fragiele, voorlopige, ruimte rondom zich, als een aura, projecteren. De grote reportage-foto legt het lichtspoor van die ruimtelijke projecties vast. De dansfo-tograaf legt echter geen straatmelodieën vast, maar heel zelfbewuste, technisch gesofitiecerde partituren. Maar afgezien daarvan is de dansfotografie eigenlijk hét ideaal van alle fotografie in deze eeuw, het model, het Eldorado van een fotografie die niet de pose creëert, maar de beweging achtervolgt.

Voor de danser is de ruimte geen beschikbaar requisiet, maar iets dat hij creëert. Ze staat hem niet ter beschikking, maar wordt door hem gekneed, zoals de beeldhouwer in klei boetseert. Hoe doet hij dat? Welke zijn de basisfiguren die hij inneemt in dat scheppingsproces? Basisfiguren die ik terugvind in foto’s, die ik uit dansfoto’s meen af te kunnen leiden. Of ook nog : welke categorieën dringen zich aan me op in die grote massa van dansfoto’s? Welke ordening kan ik er (voorlopig en voorzichtig) in aanbrengen? Of ook nog: wat hebben fotografen met hun toestel gezien, wat kunnen ze zien van de dans?

Twee figuren : de kurve en het kluwen. In het kluwen wringt de danser zijn lichaam in ‘onnatuurlijke’ bochten, in breekpunten en hoeken, in een spanning die hij in zijn lichaamals-instrument opbouwt om het in een tweede fase te kunnen loslaten. Een tweede fase waarin we de geconcentreerde ruimtespanning zien opwaaieren, ontknopen, wegvloeien in een uitgalmende bewegingskurve (die je in fotografie vooral via de stof kunt laten zien). Kluwen en kurve, het is als een steen die valt op een wateroppervlak : iets hards en geconcentreerds tegenover iets vloeiends en sensibels. Iets vertikaals tegenover iets horizontaals. Aanslag en echo. Uiteraard staan beide momenten niet los van elkaar, maar in allerintiemst verband. De kurve zit al in het kluwen en omgekeerd klinkt het kluwen na in de kurve. De kurve is de werkzaamheid, de zichtbaar geworden kracht van het kluwen. En het kluwen is één en al gerichtheid op haar eigen ontvouwing in de kurve. Niet de oorzaak en gevolg, maar potentialiteit en effectiviteit. Het is omdat beide fasen naar elkaar verwijzen dat dansfotografie mogelijk is, zin heeft.

Terwijl de kurve doorgaans heel spectakulair is (zie maar de foto van Morgan of zelfs die van Waldman), is het kluwen raadselachtig. Hier zit alles nog verborgen. Het mogelijke treedt nog niet in de ruimte binnen. Het houdt de adem in (letterlijk en figuurlijk). Het kluwen heeft te maken met ledematen, met het geartiucleerd zijn van het menselijk lichaam. De ongewone torsie gegeven aan de ledematen, het geweld het lichaam aangedaan, de tijdelijke verminking van de lichaamsvorm, het geritualiseerde risico waar aan het lichaam wordt onderworpen, herkennen wij als een onhoudbare en dus voorlopige toestand. Het is het ingehouden geweld van een erectie. Ons dat uiterste punt van beheerst onevenwicht laten zien levert wellicht de adembenemendste dansfoto’s.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#31

15.09.1990

14.12.1990

Dirk Lauwaert