Klaas Tindemans

Leestijd 6 — 9 minuten

Theater Zuidpool – Zieke jeugd

Onder de lijst van personages van Krankheit der Jugend staat in de heruitgave uit 1947 een opmerkelijke aanwijzing: “Die Mädchen durchwegs sehr jung, die Männer etwas älter”. (De meisjes gemiddeld zeer jong, de mannen iets ouder.) De opmerking suggereert subtiel een seksueel machtsevenwicht, of juist een gebrek hieraan. Feitelijk zijn deze leeftijdsverschillen in het stuk van de Oostenrijkse schrijver Ferdinand Bruckner immers bijkomstig, hij portretteert studenten geneeskunde, van wie sommigen bijna afgestudeerd zijn. In ieder geval gaat het in de dramatische handeling om de schijnbare zuiverheid van de seksuele aantrekkingskracht, die enkel bij de jeugd zou spelen. Het enige iets oudere personage, Alt, is seksueel neutraal, of minstens onaangenaam dubbelzinnig, en hij speelt amper een rol in het machtsspel dat Bruckner beschrijft. Bij een enscenering van Zieke Jeugd kan de vraag dus zijn hoe deze (valse) schijn van onschuld zijn glans verliest en ontaardt in een onverwachte maar, achteraf bekeken, onvermijdelijke doodsdrift. Het zou Bruckners vraag kunnen zijn, en die blijft ook vandaag relevant.

Krankheit der Jugend werd in 1926 geschreven ten tijde van de eerste Oostenrijkse republiek, die even wankel was als Weimar-Duitsland en die in 1933 voor een dictatuur van katholieke ‘austrofascisten’ werd ingeruild. Die politieke context is – althans als letterlijk gegeven – echter geheel afwezig, al  gaat het wel degelijk over een generatie die existentieel onzeker is in een samenleving die nog niet – nog láng niet – van het trauma van de vreselijkste oorlog ooit bekomen is, laat staan genezen. Men maakt soms de vergelijking met Frank Wedekind’s Frühlingserwachen dat een generatie eerder werd geschreven over figuren die nog enkele jaren jonger zijn, maar waarvan het bestaan net zo goed draait rond seksuele (on)zuiverheid. Het merkwaardige is wel dat, anders dan bij Wedekind, de figuren van Bruckner zélf de moraal belichamen die hun driften sublimeert of verdringt. Lust en repressie worden verenigd in één lichaam. Deze twintigers zijn wél gevoelig voor burgerlijk conformisme, maar hun ‘economie van het driftleven’ is daarom niet stabieler – misschien integendeel zelfs. Waar bij Wedekind de schuld voor deze verwarring nog bij de ouders en andere opvoeders kan gelegd worden, is de jeugd in Bruckners drama minstens medeplichtig aan de eigen existentiële en morele impasse. Tenminste, voor zover je dit treurspel als een moraliteit zou kunnen opvatten, wat niet helemaal recht doet aan de gelaagdheid ervan.

In hun enscenering van Zieke jeugd kiezen Koen van Kaam en Jorgen Cassier van Zuidpool voor een abstracte ruimte en tijdloze kostuums. De wit verlichte vloer waar de spelers zich spontaan op neervlijen, verwijst voorzichtig  naar de esthetiek van een Japans theehuis. Geen meubelstukken, geen deuren noch scheidingswanden. Hoewel Bruckners stuk haast letterlijk een Kammerspiel kan genoemd worden, waarbij de handeling zich afspeelt in aangrenzende kamers en waarin het afluisteren ook een zekere rol speelt, hanteert men hier de simpele conventie dat enkele meters volstaan om buiten gehoorsafstand te zijn. Of juist niet volstaan, want soms heb je de indruk dat iedereen naar iedereen luistert. Vele confidenties worden uitgewisseld, vele gesprekken zijn niet voor andermans oren bedoeld maar komen toch bij de anderen terecht. Als toeschouwer  krijg je moeilijk zicht op de precieze werking van dit roddelcircuit, wat het stuk spannender maakt dan een well made play, waarin de kennisvoorsprong van het ene of het andere personage de plot bepaalt. De open scène versterkt die interessante vaagheid.

In het eerste deel van Zieke jeugd tekenen de spelers op dit witte blad hun eigen, kleine wereld uit. Je krijgt intellectueel succesvolle studenten te zien, samen met hun emotionele mislukkingen, liaisons die onoprecht en vluchtig zijn en verlovingen die al te opzichtig conformisme tonen. Je luistert naar cynisch gefilosofeer, uitstekend geformuleerd maar vooral pedant. Deze reflecties ogen inderdaad nogal Wedekind-achtig, maar dan zonder de raadselachtige mythologie die altijd onder diens werk sluimert. Freder (Jonas Leemans) is de ex van Desiree (Greet Jacobs) en wordt veracht door Desiree’s roommate Marie (Maya Sannen). Wanneer hij de ruimte betreedt – meestal Marie’s kamer, of een soort overloop – zet hij de relaties op scherp. Hij lijkt te genieten van de aandacht van Lucy (Danielle De Nul), de meid van het huis waar de studenten wonen, en maakt daar seksueel gebruik van. Marie is ‘verloofd’ met Petrell (Simon Van Buyten), een wereldvreemde poëet, die zich echter laat inpakken door de indrukwekkende Irene (Marjan De Schutter) – de meest succesvolle vrouw in het gezelschap, althans in academisch opzicht. Tegelijk houden Desiree en Marie elkaar in een schimmige seksuele houdgreep, die fataal afloopt met de zelfmoord van Desiree. Het cynisme en de dweepzucht hebben deze club zo verziekt, dat je geen schuldigen kan aanwijzen. Ondanks alle lusten,  is dit een wereld zonder vlees en bloed, zonder oprechte affecties of intimiteiten. Een pseudo-nietzscheaanse hel, waarin een illusie van de almacht van een sterke wil ontmaskerd wordt, tenminste voor wie er op toekijkt.

De neutraliteit van de ruimte bij Zuidpool legt al het dramatisch gewicht bij de dialogen. Er kan niet met deuren geslagen worden, er kan niet geluistervinkt worden, de suggestiviteit van het verhaal en de situatie volgt uit de retorische virtuositeit, uit de artificiële naturel van het gesprek. En precies die naturel zorgt in het eerste deel voor een bijna kleinburgerlijke atmosfeer. Je geniet van het verbale steekspel, van de echte en gespeelde verontwaardiging over de brutaliteit van Freder die elke poging tot oprechtheid onderuit haalt, van de ‘perverse’ constructie – ze doen alsof ze zusjes zijn – die Desiree aan Marie wil opdringen en die alleen de wanhoop op de spits drijft. Maar enkel de lucht die boven die verlichte vloer hangt, wordt figuurlijk aangetast door het vergif dat deze jongeren spuiten, niet de rest van de verbeelde ruimte, van de buitenwereld die gesuggereerd wordt. Daardoor heb je niet de indruk naar een ‘zieke jeugd’ te luisteren, maar naar een stel verwaande en verwende jongeren in hun verlate puberteit. Hun cynische (zelf)kwelling vindt plaats in een maatschappelijke luchtbel. Deze jonge mensen zullen hun geposeerd nihilisme een tijdlang beoefenen om later, moreel gezuiverd, tot de burgerij te kunnen toetreden. Maar na enige tijd zijn zo’n conversaties niet meer interessant, dan valt de voorstelling stil. Tot echter Irene verschijnt, die niet lang meedoet aan dit tijdverdrijf.

Marjan De Schutter is een atypische femme fatale die met haar monumentale lichaam en stem de hele ruimte verovert. De chaos die ze veroorzaakt is niet eenvoudig tot seksuele rivaliteit te herleiden, en die indrukwekkende présence krijgt vorm in een perfecte playback van Um Mitternacht, één van de Rückert-Lieder van Gustav Mahler, vol zwarte romantiek, donkere melancholie, nog verhevigd door het grain de la voix van Frederica von Stade op een analoge opname. Pas dan besef je dat het om een veel dieper existentieel drama gaat, dat niet aanwijsbaar is – sociaal noch psychologisch –  maar dat als een permanente dreiging boven de figuren hangt. Of beter, dat als kolkende lava de bodem waarop ze staan, opwarmt en oververhit. Irene ‘verovert’ Petrell, het ‘schrijvertje’, en het is meer een machtsgreep dan een verleidingsmanoeuvre. Um Mitternacht sleurt deze bende poseurs in de duisternis waarin sterren niet knipogen, waarin hartkloppingen het lichaam ontregelen, waarin overgave aan een hogere macht – dood? god? – enkel vertwijfeling bevestigt. In wat volgt ben je als toeschouwer getuige van de wijze waarop die zieke jeugd die vertwijfeling tot ‘wijze van zijn’ uitroept. Het mooie aan zo’n ingreep is dat zelfs de momenten waarop de personages – meer figuurtjes dan figuren – weer vervallen in kleinburgerlijk gewauwel, de dramatische context, de atmosfeer bevrijd is van dit oninteressante snobisme: het gaat nu wél ergens over, zij het als subtekst. Ook de toneelspelers zijn bevrijd, ze verschuilen zich niet meer achter de gevatheid van de replieken. Marie en Desiree durven elkaars lichaam écht aanraken, Freder blijkt niet alleen een mooiprater, maar ook emotioneel impotent, en de meid Lucy komt oprecht in opstand. Maar dat helpt de figuren niet om uit hun korsetten van welvoeglijkheid te breken, het maakt de buitenwereld alleen maar gevaarlijker en onverdraaglijker. Dat gevaar wordt dus zichtbaar door de gewelddadige houding van Irene, die zich niet enkel van de esthetica (Rückert/Mahler) bedient, maar die ook een zekerheid van gewapend beton uitstraalt, in triomf, woede en nederlaag. De rest likt de wonden die zij hen heeft toegebracht. Je kijkt dan naar een accident waiting to happen: dat is geen anekdote, maar een sequentie die tegelijk ongeloof en empathie losmaakt. En dat raakt je, op een geheel andere manier dan het wat oppervlakkige genot van de cynische, zelfingenomen conversatietoon in de eerste scènes. Het ‘genieten’ van Desiree die zich, seksueel onttoverd en existentieel versmacht, aan haar noodlot overgeeft, is dubbelzinnig en niet vrijblijvend: haar fatale keuzes zijn geen poses meer, maar het resultaat van een uitzichtloos gevecht tussen de driften die haar beheersen. Ze zijn geen ‘economie’ meer, maar verspilling. Het toneel is écht leeg als ze voor de laatste keer van die verlichte vloer stapt en in de coulissen verdwijnt. Die coulissen blijken plots ook bij de scène te horen: alle acteurs zitten op stoelen achter een zwart doek en als je goed kijkt zie je hun contouren. De witte hel en de zwarte hel, overal even onaangenaam. Wel jammer dat het té lang duurt voor het nihilistische spel ontmaskerd wordt. Zieke Jeugd lijkt te lang op een Oscar Wilde en zijn ironisch commentaar op de zelfgenoegzame grijsheid was in de Oostenrijkse jaren ’20 niet aan de orde. Laat deze Zieke jeugd dan de leefwereld zien waarin het ‘austrofascisme’ – dat we opnieuw kennen in de gedaante van FPÖ en anderen – zo goed kon gedijen? Te weinig, maar it roars its ugly head als Irene zingt – of doet alsof.

Zieke jeugd speelt op 30 en 31 juli op Theater aan Zee.

De volledige speellijst van de voorstelling vind je hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#145

15.06.2016

14.09.2016

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!