Johan Leysen -‘Wittgenstein Incorporated’ – Foto H. Sorgeloos

Herman De Dyn

Leestijd 6 — 9 minuten

Theater over filosofie

Filosofen beweren soms dat in principe niets ontsnapt aan filosofisch nadenken en verantwoording. Blijkbaar ontsnapt evenmin iets aan het theater, zelfs niet het filosoferen.

In the elder days of art
Builders wrought with greatest care
Each minute and unseen party
For the gods are everywhere.

(Longfellow) (1)

Dat ‘de filosoof’ voorwerp is van theater is niets nieuws. (Ik herinner me in mijn collegetijd meegespeeld te hebben in een stuk dat heette: Van de filosoof die bijna stierf). Wat wellicht nieuwer is, is het ten tonele voeren van individuele denkactiviteit. Zo zag ik enige tijd geleden een TV-opname van een toneelstuk waarin Descartes en Pascal hun diep-verschillende denkbeelden met elkaar confronteeerden. Spinoza werd ten tonele gevoerd door Dimitri Frenkel Frank en anderen. Dezer dagen wordt een ‘muziekgedicht’ opgevoerd van Eric Vandermeulen over Nietzsche: Friedrich-een nachtverstoorder?

Wittgenstein Incorporated van Peter Verburgt gaat wel erg ver. De tekst sluit zeer nauw aan bij aantekeningen van twee toehoorders bij colleges van Wittgenstein gegeven in 1938 te Cambridge. Het stuk is één lange monoloog waarin beschrijvingen van allerlei omstandigheden van en tijdens de lessen afgewisseld worden met de in de directe rede uitgesproken gedachten van Wittgenstein, zoals die door de twee toehoorders werden opgetekend.

Denken is een lust (onvermijdelijk niet gespeend van allerlei kwellingen). In principe kan het dan ook een lust zijn om iets dat zo ondramatisch en etherisch lijkt als de activiteit van het filosoferen, ten tonele te voeren. Auteur Peter Verburgt, regisseur Jan Ritsema en acteur Johan Leysen zijn erin geslaagd die uitdaging voortreffelijk te beantwoorden. Ik was op voorhand vertrouwd met de colleges van Wittgenstein die aan de basis liggen van de tekst van Peter Verburgt. Was ik daarom een bevooroordeeld toeschouwer? Ik beschouw mezelf in dit geval toch eerder als een bevoorrecht theaterbezoeker, die werd meegesleept door de vertelling zelf.

Toneel van dit soort vereist niet alleen een grote inspanning (meer dan twee uur luisteren naar een weinig dramatische of komische monoloog) en een scherpe aandacht. Het veronderstelt ook een minimale bekendheid met bepaalde onderwerpen (met de figuur van de filosoof Wittgenstein, zijn omgeving en zijn denken). Maar is dat niet altijd zo? Elk toneel, elke literaire tekst wijst uit boven datgene wat gezegd en getoond wordt, veronderstelt een zekere vertrouwdheid met figuren, ideeën, soorten situaties, enzovoort. Zou men niet mogen veronderstellen dat indrukwekkende denkers als Spinoza, Nietzsche, Wittgenstein, en iets van hun denkbeelden en van de reden van hun grootheid, niet alleen aan ‘specialisten’ bekend zouden zijn ? Toneel als dit maakt een toeëigening mogelijk, door een breder publiek, van wat ten onrechte al te zeer opgesloten blijft in academische kring. Deze tekst en voorstelling stelt zelfs – qua inzicht – academische prestaties in de schaduw. De manier waarop Peter Verburgt Wittgenstein en zijn denken ten tonele voert, getuigt van een zeldzaam begrip, ook en vooral van de ‘machinerie’ van Wittgensteins denkdrift, en van de eerlijkheid en onverbiddelijkheid ervan. Hier krijgt een niet-filosofisch (en een filosofisch geschoold) publiek de niet zo alledaagse gelegenheid in ‘levend’ kontakt te komen met radicale en tegelijk gedisciplineerde denkactiviteit.

Toneel over het filosoferen, niet over de filosoof

Wat dit stuk wil tonen, is niet de eigenzinnigheid, vreemdheid en suprematie van een geniale en excentrieke filosoof. In en door de precizie van het vertellen, nooit volledig te beheersen, wordt de zorgvuldigheid en radicaliteit getoond van Wittgensteins filosoferen (2). Het is een denken dat zich niet verliest in abstracties, dat vecht tegen het gladgestrekene en geruststellende van het gewone gepraat en het oppervlakkige getheoriseer. Met een enorme concentratie én overgave wil Wittgenstein fenomenen (zoals religieus geloven, twijfelen, een overtuiging bezitten) laten oplichten zodat we ze als voor de eerste keer ervaren in verwondering. Daar het over betekenissen gaat waarin en waardoor we leven, waarin en waardoor we onszelf releveren, affirmeren, bedriegen,… is het denken daarover een soort confrontatie met zichzelf.

Zoals trouwens ook uit het stuk zelf blijkt, gaat het bij Wittgenstein om iets diepers dan dat — zelfs degelijk — academisch filosoferen (gerepresenteerd in de figuur van een van de toehoorders van Wittgenstein, de Cambridge professor G.E. Moore). Filosoferen is voor Wittgenstein niet zomaar een gepriviligeerde academische bezigheid (evenmin als theater louter een gepriviligeerde artistieke bezigheid hoeft te zijn). Aan een leerling en vriend die een universitaire loopbaan als filosoof wil aanvaarden, raadt Wittgenstein aan een eenvoudiger maar eerlijker job te zoeken. Filosofie is voor Wittgenstein evenmin een verdedigingsmechanisme, een zoeken naar ideële zekerheden (zoals toneelspelen voor een acteur geen streven mag zijn naar het strelen van de eigen ijdelheid). Filosofische (en religieuze) zekerheden vervullen omwille van hun ideëel karakter gemakkelijk de rol van een ultiem houvast, verschaffen een ultieme zelfgenoegzaamheid. Het denken van Wittgenstein is integendeel genadeloos achter de vermeende zekerheden doordringen, zich blootstellen aan de ervaring van het niet-weten of van een weten dat ons confronteert met de grondeloosheid van alle betekenis. De (on-)vastheid van de betekenissen van onze taal (en van ons leven!) is afhankelijk van de altijd kwetsbare gewoonten van intersubjectief bepaalde omgang en handelen (3).

De denker is niet de meester van het denken, maar het medium van het denken dat toch op de totale overgave én de concentratie van de denker moet kunnen rekenen. Na de denkarbeid levert Wittgenstein zich uitgeput over aan de verdoving van de eerste de beste film die hij vanop de eerste rij ondergaat. De radicaliteit van zijn filosoferen maakt Wittgenstein tot een eenzaam denker die, zoals Spinoza en Nietzsche, haast onvermijdelijk te kampen krijgt met misverstand en argwaan. Die eenzaamheid sluit niet uit dat hij op anderen gericht is, hun aanwezigheid en zelfs compliciteit erg nodig heeft. In het stuk wordt op een zeer aanneembare wijze getoond hoe Wittgenstein zich aan het luisteren van de toehoorders ‘optrekt’, door hun houding en schaarse opmerkingen uitgedaagd wordt tot steeds helderder, dieper begrip. De atmosfeer is geladen, ‘erotisch’ geladen, zoals ze ook moet zijn geweest bij Socrates en zijn gehoor, en bij Spinoza en zijn kring. De aanwezigheid van een vrouw als Virginia Woolf (!?) kan haast niet anders dan storend zijn, helemaal niet door haar domheid, maar door een veel dieper onverenigbaarheid. De vrouw heeft geen oog voor het gebeuren van het denken, is eerder geïntrigeerd door de fascinatie die de ‘hogepriester’ van het gebeuren op de anderen uitoefent. De episode met de vrouw toont ook aan dat niets, zelfs niet het meest radicale denken, een vanzelfsprekende en onontwijkbare waarde is; ook het denken is uitermate ‘kwetsbaar’. Vanuit een extern standpunt (dat van de vrouw) verschijnen zelfs de ‘hoogste waarden’ als vervelend, de aantrekkingskracht ervan wordt onbegrijpelijk.

Vertellen en filosoferen

De begenadigde vondst waardoor het mogelijk wordt het filosoferen in zijn activiteit aanwezig te stellen is de vertelling : hoe het eraan toeging toen Wittgenstein zijn colleges gaf voor een kleine groep geïnteresseerden in zijn sobere kamer in Trinity College, Cambridge. De lange vertelling bestaat uit een subtiele afwisseling van beschrijvingen van ‘uiterlijke’ (aan het denken zelf zogenaamd vreemde) gegevens, en directe ‘citaten’ van Wittgensteins monologen en stiltes. De dramatische spanning is grotendeels te danken aan het contrast én de verwevenheid van de filosofische gedachten (in de indirecte rede) en beschouwingen (in de indirecte rede) over de omgeving (de kamer), de situatie, de toehoorders, de houding en de gesteldheid van Wittgenstein. De concentratie en intensiteit van de act van het vertellen suggereert meesterlijk de geladenheid van Wittgensteins denken. De ‘zuiverheid’ en ‘soberheid’ van het vertellen vormen het perfecte uitdrukkingskader voor de ascetische onverbiddelijkheid van zijn filosoferen.

De Colleges van Wittgenstein zijn geen herkauwen van vooraf verworven ideeën. Het gaat hier evenmin om het afleiden van gedachten uit definities en axioma’s in een rechtlijnig en cumulatief denkproces. Gedragen door de ‘electrische’ atmosfeer van de samenkomst, en voortgestuwd door de dynamiek van de reflectie, ontwikkelen de gedachten in een soort spiraalbeweging, altijd maar dieper gravend, altijd maar preciezer formulerend. Die beweging veronderstelt een enorme kwetsbare openheid voor de gedachten die komen, en die a.h.w. ‘ingeblazen’ worden door de ‘uiterlijke’ omstandigheden: de blik uit het raam, het opstaan uit de stoel, de niet ter zake doende opmerking van een toehoorder. Dergelijke filosofische gedachten kan men niet bezitten en verder geven als koopwaar, evenmin als men een vertelling kan doorgeven zonder zelf een begenadigd verteller te zijn. Het komt erop aan de gedachten te denken: de redeneringen moeten laten zien waarover het gaat. Wittgenstein was zich uitdrukkelijk bewust van de verwantschap tussen filosofisch ‘redeneren’ en esthetisch ‘laten zien’: “…All that aesthetiscs does is ‘to draw your attention to a thing’, to ‘place things side by side’…And he said that the same sort of ‘reasons’ were given… also in Philosophy.” (woorden gerapporteerd door G.E.Moore (4)).

Het vertellen (ten tonele voeren) van een betekenisvol verhaal en het Wittgensteiniaans ‘redeneren’ (over betekenisfenomenen) gehoorzamen aan dezelfde ‘wetten’ (of aan hetzelfde lot) van betekenisvol en relevant spreken. Zowel de verteller als de filosoof zijn erop gericht doorheen het verhaal, doorheen de ‘redenering’ een ‘waarheid’ te reveleren die alleen in de activiteit even oplicht. Noch het vertellen, noch het filosoferen hebben een verder doel, ze dienen niet voor het meedelen van informatie of voor het oliën van de sociale cohesie (ook al kunnen ze tegelijk die functies vervullen). Zonder die doelloze activiteit zou het menselijk leven toch armer, zinlozer zijn.

De vondst waardoor het denken in zijn activiteit wordt ‘incorporated’, is paradoxaal genoeg ook toneelmatig het specifieke en interessante van dit stuk. Wat in een zeker opzicht een extreme vorm is van de ontwikkeling van het moderne theater — het citeren van een filosofische tekst –, is tegelijk een heropnemen, een heraansluiten bij het ‘primitieve’ begin, de ‘oorsprong’ van het toneel: het vertellen en de ‘magische’ ruimte die het schept, tot stille vreugde van mensen en goden.

(1) Wittgenstein zou gezegd hebben dat deze versregels hem als motto zouden kunnen dienen, aldus Norman Malcolm, in zijn inleiding tot R. HEES (ed.), Recollections of Wittgenstein. Oxford, Oxford Univ. Press, 1984, p. xiii.

(2) Daarom was dit stuk een zoveel boeiender ervaring dan het nochtans goede biografisch-documentaire Duitse TV-programma dat ik onlangs zag over Heidegger, en dat getiteld was Der Zauberer von Messkirch.

(3) Voor meer informatie over het denken van Wittgenstein, zie : Meesters van de Westerse Filosofie – Ludwig Wittgenstein (tekst van Arnold Burms & Herman De Dijn), BRT -Instructieve Omroep/volwassenenvorming, 1988, pp. 65-77, (bibliografie, p. 81).

(4) Cfr. G.E.MOORE, Wittgenstein’s Lectures in 1930-1933, in: idem, Philosophical Papers. London, Allen & Unwin, 1959, p. 315.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 6 — 9 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Herman De Dyn