© Clara Hermans

Leestijd 11 — 14 minuten

The Ethereal Paradox – fABULEUS en Zoë Chungong

Slechts een stoffige spiegel

In The Ethereal Paradox onderzoekt Zoë Chungong (de implicaties van) de mannelijke blik en de verbeelding van het vrouwelijk lichaam. Aan de hand van verschillende dansstijlen verdiept ze zich in de paradoxale spanning tussen de hypervisibiliteit van een geobjectiveerd lichaam en de gelijktijdige negatie van de persoon zelf. In haar voorspelbare vorm en gebrek aan eigenheid valt de voorstelling echter zo goed als volledig samen met de clichés die het wil bevragen.

Het achterpaneel van een lege scène leest: “The judgement of one’s beauty undermines the beauty which lies in that individual; by looking at the aesthetic features one has, their other qualities seem to lose meaning. Demolishing, yet giving strength to, the ethereal experience.” Onder het gedimde licht van een enkele spot maakt Chungong zich op voor de spiegel van een volgeladen kaptafeltje. In een zwierig jurkje, begeleid door Bessie Smiths Nobody Knows You When You’re Down and Out, neemt Chungong vervolgens de scène in met een zwierige Charleston, waarna ze opnieuw plaatsneemt achter het tafeltje. 

Dezelfde vertoning herhaalt zich, dit keer nog onstuimiger. Op het achterpaneel verschijnt een citaat uit Naomi Wolfs The Beauty Myth:The attraction of what we are holding is that it’s not a woman but a 2D woman-shaped blank.” Ondertussen zoekt Chungong aan de rand van het speelvlak naar de juiste soundtrack; fragmenten van plakkerige popnummers passeren de revue. Onder enkele roze spots en gehuld in doorschijnende lingerie gaat Chungong vervolgens over tot een langzame Heels-routine waarbij ze het publiek recht in de ogen kijkt. Opnieuw onderbreekt Chungong haar routine door een korte kostuumwissel: met de rug naar het publiek ruilt ze haar nauwsluitende pakje in voor een lossere, comfortabel ogende top en short. Wanneer ze opnieuw plaatsneemt voor de spiegel, kijken we door haar ogen: het projectiescherm op de achterwand toont haar spiegelbeeld. Tijdens het verwijderen van haar make-up, vervormen de snel flitsende lichten haar gezicht. Traag vormt zich een geruisloze schreeuw op haar gelaat. 

Terwijl in de projectie meerdere spiegelbeelden overlappen, houdt een robotische stem een betoog over wat geldt als de ‘perfect girl’. Onder het stroboscopisch licht beweegt Chungong haperend over het speelvlak, haar bewegingen steeds hoekiger, de projectie van haar vervormende reflectie op de achtergrond. Een stem reciteert een helaas maar al te herkenbare getuigenis van catcalling: van princess, woman, girl, naar ugly whore, en tenslotte creature. “My body has never been my own,” klinkt het.

Hoewel ik na afloop van het stuk vooral frustratie en moedeloosheid voel, neem ik me aanvankelijk voor mild zijn voor het werk – niet (alleen) omdat The Ethereal Paradox het debuut is van een jonge maker, maar vooral omdat ik me ervan bewust ben dat mijn gevoel wortelt in een groter onbehagen rond werk dat reflecteert op vrouwbeelden, dat ik niet volledig kan toeschrijven aan deze individuele voorstelling. Tegelijk, merk ik al snel, is dat ook net de reden waarom ik er in het schrijven van deze tekst niet in slaag die toegeeflijkheid aan de dag te leggen: het totale gebrek aan (zelf)bewustzijn ten aanzien van de clichés die spelen in werk rond de mannelijke blik, heeft als gevolg dat deze ‘individuele’ voorstelling zich op geen enkele manier lijkt te onderscheiden van de bredere tendensen waaruit mijn frustratie voortvloeit.

“Hoewel ik na afloop van het stuk vooral frustratie en moedeloosheid voel, neem ik me aanvankelijk voor mild zijn voor het werk – niet (alleen) omdat The Ethereal Paradox het debuut is van een jonge maker, maar vooral omdat ik me ervan bewust ben dat mijn gevoel wortelt in een groter onbehagen rond werk dat reflecteert op vrouwbeelden.”

© Clara Hermans

© Clara Hermans

© Clara Hermans

Ergens halverwege het stuk denk ik terug aan een panelgesprek rond vrouwbeelden dat ik enkele jaren geleden bijwoonde. Naast me zat een vrouw, ver in de zeventig, die abrupt het gesprek onderbrak met een zichtbaar verontwaardigde “Wat saai toch dit alles, moeten we het hier écht nog steeds over hebben?” (hoera voor de Nederlandse directheid overigens) Mijn frustratie lijkt in eenzelfde sentiment te wortelen. Tegelijk – en hier schrijf ik opnieuw vanuit een ratio –  illustreert die tergende herhaling net haar eigen noodzaak, want wat in een mensenleven van zo’n zeventig jaar verandert, is helaas miniem en verre van lineair. En dat ook hedendaagse makers de urgentie voelen om dergelijke verhalen op scène te brengen – een levend cultureel geheugen van (de impact van) een mannelijke blik als het ware – onderstreept helaas nog maar eens de blijvend actuele aard ervan.

Mijn frustratie situeert zich dus minder in de herhaling van eenzelfde betoog, maar eerder in de herhaling van eenzelfde vorm die daaraan wordt gegeven. Eenvoudig gesteld erger ik me aan de nogal gemakzuchtige strategie om het probleem dat wordt aangekaart letterlijk te herhalen op scène, op beeld, of op doek, om het zo ‘zichtbaar’ te maken – vaak vanuit het idee een ‘bewustzijn’ te creëren. (Ook Chungong stelt in de programmatekst: ‘Ik hoop dat deze voorstelling voor heel veel verschillende mensen iets kan betekenen. Dat vrouwen zich sneller gezien zullen voelen en dat mannen zichzelf de vraag kunnen stellen welke rol zij spelen in dit verhaal.’) Het gebrek aan verbeelding dat daar veelal aan te pas komt, levert echter steeds dezelfde beeldtaal op, die zelf niet aan (de taal van) de ‘male gaze’ lijkt te ontsnappen. Alsof er een ongeschreven regel bestaat: wil je spreken over de mannelijke blik, zet dan een vrouw voor de spiegel. Het beeld van de spiegel, een vrouw die zich optooit, een vrouw die haar make-up verwijdert, een schreeuw in de spiegel of het breken van de spiegel, de getuigenis als vorm, de voice-over, de vormelijke ‘glitch’,… de geadopteerde tropes zijn vaak niet alleen ontiegelijk saai, maar, zoals Ugnė Noreikė stelt in haar recensie van het recente GAZE, dat gelijkaardige thematieken onder de loep neemt, ook potentieel kwalijk: “A big question to be asked is how we talk about dominant toxic narratives without giving them even more space, without giving them even more power.”

De noodzakelijke vraag is dus niet of, maar hoe de mannelijke blik te bevragen. En in de context van artistiek werk staat daarin onvermijdelijk de vraag naar het mediumspecifieke potentieel van de kunsten centraal. Die reflectie blijft echter achterwege in de problematische aanname dat de kunsten de verantwoordelijkheid (kunnen) dragen van bewustmaking en populaire educatie. En dat zij die kunnen inlossen door de maatschappij simpelweg te ‘spiegelen’. Een dergelijke veronderstelling miskent bovendien een fundamenteel verschil in registers: waar artistiek werk een productieve ruis in zich draagt, die wenselijk is om ruimte te maken voor verbeelding en het speculatieve, beroept populaire educatie zich liefst op een zo letterlijk mogelijke taal om zich vooral verstaanbaar te maken. In die letterlijke vertaling en de gelijktijdige poging haar eigen ruis weg te werken, verliest artistiek werk zo haar specifieke potentieel om de verbeelding op te rekken. Bovendien schept de vorm van een danssolo of theaterstuk onvermijdelijk andere verwachtingen dan bijvoorbeeld een tekst, lezing of documentaire, waardoor zij moeilijk een even productieve omgeving biedt voor grondige theoretisch-inhoudelijke overdracht.

“Alsof er een ongeschreven regel bestaat: wil je spreken over de mannelijke blik, zet dan een vrouw voor de spiegel.”

Diezelfde problematiek lijkt ook te spelen in de worsteling van The Ethereal Paradox met haar eigen vorm. Door in het tweede deel, de Heels-routine, louter stereotiepe beelden te herhalen zonder er iets tegenover te zetten, voelt de aaneenschakeling van voor de hand liggende bewegingen al snel te langgerekt: we hebben heus geen volledige scène nodig om het archetype te herkennen. Slechts één keer, in het derde deel, wordt de zoete brij van clichés kort onderbroken door een driftige zwaaibeweging waarin Chungongs vlechten als een zweep afwisselend de grond en haar rug raken. Al duurt het slechts enkele seconden, het beeld raakt aan iets wezenlijk en de zeldzame frictie voelt  persoonlijk, pijnlijk, wrang – plotseling urgent. De uiteenzetting over de keerzijde van ‘pretty privilege’ –  wie voldoet aan het schoonheidsideaal wordt tegelijk tot hun uiterlijk gereduceerd – voelt dan weer ongenuanceerd, oppervlakkig, en vooral veilig. Niet alleen omdat de choreografie hier louter functioneert als demonstratie van datzelfde schoonheidsideaal zonder het te ontregelen, en Chungong zichzelf zo opnieuw reduceert, maar ook omdat het zo nalaat te bevragen waarom we vaak enkel bereid zijn te luisteren naar kritiek wanneer die op een mooie, wenselijke, manier wordt gepresenteerd: door een mooie vrouw die (de implicaties van) het patriarchaat op een mooie, verteerbare, en dus veilige, manier belicht. 

Dat het merendeel van de bewegingen de male gaze volledig onderschrijft – het langzame vloerwerk, het hol trekken van de onderrug, het suggestief strelen over het eigen lichaam… – wordt krampachtig gelegitimeerd door de (pseudo)theoretische teksten die de kijker lijken te willen zeggen: ‘ik ben mij ervan bewust hoor – en, meer nog, jij nu ook!’ Zo ontstaat een wringende kloof tussen vorm en inhoud, waarbij de opgeplakte kaders een kritiek suggereren die niet wordt doorgevoerd in de choreografie. De letterlijke bewegingen worden zo gereduceerd tot een behapbare illustratie van een problematiek die op haar beurt nergens écht wordt uitgediept.

Wat dergelijk werk frustrerend maakt (zowel in het kijken als het schrijven) is dus niet alleen dat het iets lijkt te pretenderen te zijn wat het niet is – een vruchtbare vorm voor sensibilisering – maar dat het daardoor net voorbijgaat aan wat het wél had kunnen zijn: een wezenlijke bedreiging voor de mannelijke blik. Want ook in de zeldzame fragmenten waarin Chungongs lichaam even lijkt op te spelen, slaagt ze er niet in de esthetiek van een mannelijke blik van zich af te schudden.

Waar elke oprechte kunstkritiek dicht op de huid van het werk blijft, stuit ik hier dus op een grens: mijn beschouwing blijft noodgedwongen algemeen, net omdat The Ethereal Paradox zich onvoldoende onderscheidt van het archetype en de beperkte verbeelding inherent aan (het reproduceren van) de male gaze en haar bekend beeldrepertoire. Tegelijk kleeft deze algemene reflectie onmiskenbaar aan een individueel werk en wringt het om zo scherp te moeten schrijven over het debuut van een jonge maker. Ik weiger daarom nog langer afzonderlijke voorstellingen te bespreken die beweren de mannelijke blik te bevragen, zolang er in het breder veld geen grondig gesprek wordt gevoerd over de algemene tendensen waarin zij ontstaan en over het hardnekkige tekort aan kritische, structurele en artistieke instrumenten om diezelfde blik werkelijk te ontmantelen. In elk geval blijft gelden:

 

  1. Ik weiger een kunstenveld te onderschrijven dat jonge vrouwen individueel verantwoordelijk stelt om hun eigen emancipatie te verbeelden. Een jonge, onervaren, maker als Chungong, is op die manier des te kwetsbaarder en dient daarom doorheen haar proces begeleid en bevraagd te worden door haar productiehuis, dramaturg en entourage.
  2. Ik weiger tegelijk (het werk van) jonge vrouwen minder serieus te nemen door milder te zijn voor het reproduceren van een schadelijke blik. 
  3. Ik weiger genoegen te nemen met het reproduceren van de mannelijke blik als kritische of artistieke strategie. Ik voel me niet ‘gezien’ of ‘gesterkt’, maar gereduceerd door werk dat hieraan vasthoudt. 
  4. Ik weiger de (her)opvoering van de mannelijke blik te lezen als artistiek waardevol of emanciperend, eerder dan als postfeministisch spektakel. 
  5. Ik weiger nog maar eens Mulvey te citeren om een theoretische diepgang te projecteren op artistiek werk dat deze zelf niet biedt. 
  6. Ik weiger mijn kunstkritiek te enten op de blik van ‘het publiek’ en (de waarde van) de (podium)kunsten te reduceren tot populaire educatie. 
  7. Ik weiger een deterministisch idee te onderschrijven dat stelt dat vrouwbeelden onmogelijk ontsnappen aan de mannelijke blik. En dat die blik onveranderlijk zou zijn. 
  8. Ik weiger te doen alsof een dergelijk determinisme niet simpelweg voortkomt uit de nalatigheid onderzoek te doen naar blikken en belichamingen die daar al eeuwenlang iets tegenover zetten. Ik weiger daarin het (verbeeldings)werk te ontkennen van mensen die daardoor onzichtbaar worden gemaakt. Alleen al de feministische performancekunst, met de jaren ‘70 als hoogtepunt, leverde genoeg materiaal op om nog decennialang op te kauwen. Ik raad aan eens in de uitgebreide online archieven te duiken van Regina José Galindo, die in haar radicale performances haar (vaak naakte), kwetsbare lichaam centraal stelt zonder het esthetisch of wenselijk te maken, maar het juist inzet om de gewelddadige blik te confronteren. Of zich te verdiepen in het werk van onder andere Carolee Schneemann, Pipilotti Rist, Ana Mendieta, Senga Nengudi, Tracy Emin, Adrian Piper, Tania Bruguera, Rebecca Horn, Shigeko Kubota,… En dan heb ik het nog niet eens gehad over het beeldend werk van onder meer Catherine Opie, Del LaGrace Volcano, Sadie Benning, Alice Neel, Maria Lassnig, Nan Goldin,… Lauren Elkin maakte er enkele jaren geleden een erg waardevolle bundeling van in haar boek Art Monsters: Unruly Bodies in Feminist Art (2024), waarin ze een gelijkaardige oefening maakt. 
  9. Ik weiger bovendien te spreken over vrouwbeelden zonder dit binnen een intersectioneel kader van queer en postkoloniale theorie en verbeelding te plaatsen, en de ontelbare kritische en radicale vormen daarbinnen. Ik weiger vast te houden aan een heteronormatieve, fantasieloze binariteit die de mannelijke blik als ijkpunt blijft nemen zonder alternatieve verbeeldingsruimten te creëren en cultiveren. Lees er maar eens Edouard Glissants pleidooi voor ondoorzichtbaarheid of onleesbaarheid op na, waarin hij zich verzet tegen de westerse drang om alles en iedereen, op basis van een blik, volledig te willen begrijpen, verklaren en classificeren. Dat biedt alvast een prikkelend kader om na te denken over gender in relatie tot de blik. En ook het werk van onder meer Legacy Russell, Jack Halberstam (female masculinity!) en Paul B. Preciado levert op één namiddag al meer stof tot nadenken dan dat een platgeslagen concept als ‘pretty privilege’ veelal te bieden heeft. 
  10. Ik weiger daarom te doen alsof mijn kunstkritiek een oordeel velt dat berust op een achterhaald criterium van ‘nieuwigheid’ voor ‘goede kunst’: ik weiger te doen alsof kaders die muiterij plegen op de mannelijke blik ‘nieuw’ (en dus ‘nog ondenkbaar’) zijn. Als er dus iets wordt herhaald, laat het dan dit verzet zijn, in al haar vormen en verbeeldingen.

De speellijst van de voorstelling vind je hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 11 — 14 minuten

#181

15.12.2025

14.04.2026

Margot De Grave Loyson

Margot De Grave Loyson heeft een achtergrond in de beeldende kunsten (KASK, Gent), culturele studies (KU Leuven) en gender studies (Universiteit Utrecht). Via taal en beeld onderzoekt ze het potentieel van (feministische) artistieke praktijken en alternatieve vormen van kennisproductie in het verbeelden van verdrukte verhalen en het uitdagen van een dominant cultureel geheugen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!