Alex Mallems

Leestijd 3 — 6 minuten

Tekeningen, Modellen & Objecten

Jan Fabre, Oostende

Multidisciplinariteit, het vervagen van de grenzen tussen de verschillende genres, de invloed vanuit de beeldende kunsten binnen het theater, het zijn thema’s die ondertussen ingeburgerd zijn als we het hebben over hedendaagse vormen van podiumkunst.

Internationaal erkende grootheden als Bob Wilson of Tadeusz Kantor zijn wellicht de meest markante voorbeelden van oorspronkelijk plastische kunstenaars die binnen het theatermedium echt doorgebroken zijn. In eigen land geldt Jan Fabre wellicht als typevoorbeeld van die evolutie. Een essentieel probleem als we het over die relatie plastische kunsten – theater hebben is dat we meestal enkel geconfronteerd worden met het concrete eindresultaat op de scène, zijnde de voorstelling. Het werkproces zelf, het materiaal wat daarbij gebruikt of onderzocht wordt, de eventuele plastische objecten die daarbij een rol gespeeld hebben of die de bewuste produktie in een bepaalde richting gestuurd hebben, blijven meestal onbekend, privé, niet-openbaar. Het onderzoeksobject blijft dus beperkt tot het scènische eindresultaat van zo’n artistiek proces.

De voorbije zomermaanden bood het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst te Oostende echter een ideale gelegenheid om kennis te maken met die andere kant van het werk van Jan Fabre. De tentoonstelling Jan Fabre. Tekeningen, Modellen & Objecten toonde namelijk een 320-tal objecten, maquettes, schetsen, affiches, foto’s en video’s die op de een of andere manier te maken hebben gehad met de happenings, performances en theaterprojecten die Fabre de voorbije tien jaar heeft gecreëerd. Bovendien zorgt een schitterend uitgegeven begeleidende catalogus voor een goed overzicht van Fabres iconografie. Het resultaat is vanuit een theaterstandpunt bekeken bijzonder boeiend. De tentoonstelling reveleert flarden inzicht over hoe een ontstaansproces van een Fabre-produktie werkt. Series ontwerptekeningen voor scènes uit zijn theaterprodukties tonen de genese van een produktie, maken soms ook duidelijk op welk niveau de communicatie verloopt tijdens zo’n repetitieproces. Bij doorlopen van scènes noteert Fabre zeer beknopt, met trefwoorden als een soort geheugensteuntjes, maar tegelijkertijd vertaalt hij ook impressies, idëeen in vluchtige schetsen. Fabre combineert dus grafische elementen met tekst, dateert bovendien ook op een zeer nauwkeurige manier zijn werkmateriaal niet alleen via formele datumgegevens, maar ook via aanduidingen als ‘na een gesprek met die en die acteur’. Ook de lokatie waar gewerkt werd staat bijna steeds vermeld, zodat we ook meegenomen worden langs allerlei obscure en minder obscure repetitieruimtes. Tijdens een publiek debat in Montpellier stelde Fabre trouwens dat die steeds wisselende werkomgeving bij hem inspirerend werkt, dat de ruimte mee het werkproces gaat beïnvloeden.

Een ander facet uit het werk van Fabre dat naar voren kwam uit deze tentoonstelling is het feit dat hij gestadig, maar opvallend rechtlijnig bouwt aan een homogeen oeuvre. Op plastisch vlak is dit wellicht het meest expliciet vast te stellen bij zijn BIC-art werk, een tekentechniek die hij al beoefent vanaf 1977 (zijn Schoenendoos uit dat jaar is het oudste stuk in de tentoonstelling). Maar ook op andere niveau’s merk je die continuïteit in het werk van Fabre. Er is zijn radicalisme dat vanaf zijn vroegste performances als een rode draad doorheen zijn werk loopt. Er is vooral ook een kunstfilosofische -en esthetische lijn die consequent uit het werk naar voren komt. Zo lees je op de wanden van The Bic Art Room, een gemengde techniek uit 1981 : “De schoonheid als een hulde aan het onnoembare en het afwezige” en “Vreugde als strakheid en ingehoudenheid”. In een interview na de première van de Danssecties uit zijn Das Glas im Kopf wird vom Glas schoof Fabre precies deze zinnen als zijn stelregels naar voren (cf. Etcetera nr 19), zijn vroeger plastisch werk bevestigt dit dus, letterlijk.

De tekeningen die te zien waren in Oostende hebben vanuit een strikt plastisch standpunt niet dezelfde intensiteit of overtuigingskracht als het werk van Jan Fabre dat bijvoorbeeld vorig jaar in het Museum voor Hedendaagse Kunst van Jan Hoet in Gent te zien was. De ruimtelijke omgeving was bovendien erg clean en had bijvoorbeeld niet dezelfde uitstraling als het Fort Asperen waar Fabre vorig jaar eigen werk op een indrukwekkende manier confronteerde met die ruimte in de tentoonstelling Theaterbeelden. Vanuit de invalshoek van het theater vormde deze retrospectieve echter een revelerende ontdekkingstocht naar de plastische kunstenaar en zijn inspiratie in functie van de adaptatie naar het medium theater.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Alex Mallems