José Celso Martinez Corrêa

Teatro Oficina

Leestijd 5 — 8 minuten

Teatro Oficina: As Bacantes

Van de vele honderden tragedies die in het antieke Griekenland moeten zijn geschreven en opgevoerd, zijn er eenendertig min of meer volledig bewaard gebleven. Ze zijn niet allemaal even bekend en populair. Iedereen kent Oidipous, maar wie heeft ooit Ion of Helena op de planken gezien?

Daarbij lijkt ook het verhaal van de koning die zijn vader doodde en met zijn moeder sliep de laatste tijd wat op zijn retour te zijn; misschien een gevolg van de overkill in de vorige eeuw (die niet voor niets de eeuw van Freud en Oidipous was)? Maar er gaat tegenwoordig geen seizoen voorbij zonder dat een paar Medea’s passeren, en vaak is er ook wel ergens een Oresteia of Bacchanten te zien.

Medea is populair omwille van de anekdote: een vrouw die haar kinderen doodt nadat haar man haar heeft verlaten voor een jongere vrouw. Oresteia blijft aandacht krijgen als de trilogie waarin het recht wordt uitgevonden. Bacchanten is heel wat abstracter. In dit stuk van Euripides staat de spanning tussen passie en ratio, tussen overgave en beheersing centraal. Het is een van de basistegenstellingen die doorheen de hele westerse cultuurgeschiedenis loopt. Euripides laat zien welke catastrofe zich voltrekt wanneer het noodzakelijke evenwicht tussen beide doorbroken wordt.

Als afsluitende activiteit van Europalia Brazilië was midden januari in Luik van de Braziliaanse theatermaker José ‘Zé’ Celso Martinez Corrêa As Bacantes te zien. Celso – intussen 74 maar tijdens de voorstelling de hele tijd kwiek op scène als een ceremoniemeester te midden van zijn performers – was in de late jaren zestig in Brazilië de markantste theatervertegenwoordiger van de (voornamelijk muzikale) beweging van het ‘tropicalisme’, een mix van traditionele Braziliaanse cultuur met elementen uit de avant-garde en een hang naar massaspektakel. Kunst is voor Celso een sociale noodzaak. Het is een plaats waar mensen samenkomen, een middel tot verzet. Dionysos is voor hem geen Griekse god uit een ver verleden, maar een Braziliaan. Het theater van Epidauros doet hem denken aan het voetbalstadion van Rio.

Daags voor de voorstelling in Luik laat hij in een interview met Le Soir (11 januari) optekenen: ‘Wat wij doen is helemaal tegengesteld aan het dominante theater van vandaag dat drie mensen en één stoel op scène zet met een kleinburgerlijk verhaal over het onvermogen tot communicatie.’ Hij voelt zich buiten de huidige tijd staan, ‘want die staat niet meer in het hier en nu, ze staat met haar rug naar wat gaat komen’.

Zijn vijf uur durende versie (pauzes niet inbegrepen) van Euripides’ laatste stuk zegt hij bedacht te hebben in 1968, toen bij een door hem geregisseerde voorstelling met een koor van vier personen een groot aantal mensen spontaan op scène klom om mee te doen. Zé Celso: ‘Aan de oorsprong van het theater ligt de rite. Mensen dansten en zongen omheen een vuur. Met zijn Bacchanten schreef Euripides een documentaire over de initiatierite, en daarmee brengt hij ons terug bij de oorsprong van het theater.’

Zé Celso vindt dat je de wereld maar kunt veranderen door ongeremd te feesten en te neuken. In zijn enscenering negeert hij dan ook de spanning tussen rationaliteit en irrationaliteit en kiest hij zonder complexen partij. Bij hem staat koning Pentheus voor de verfoeilijke orde en zijn Dionysos en diens bacchanten zonder meer vrijheidsstrijders. Met een woord van vandaag: indignados.

De voorstelling vindt plaats in Le Manège, een gigantische voormalige rijzaal. Aan weerszijden van het speelvlak staan in de lengte telkens twee tribunes opgesteld. Daarachter hangen grote videoschermen. Aan de ene kant staat tussen de tribunes een podium voor het orkest, daartegenover is een podium dat als een tempel is ingericht. Aan de korte zijde van het speelvlak staan stellingen met doeken. De opstelling biedt de spelers heel wat mogelijkheden om gedurig van plaats te veranderen.

Bij het binnenkomen krijgt iedere toeschouwer een palmtak overhandigd. De rules of engagement worden uitgelegd. Foto’s maken mag – ‘ook voor pornosites’ –, maar niet met flitslicht. Applaus wordt geapprecieerd, maar het mag niet ritmisch zijn. Participatie is zeer welkom. De voorstelling wordt opgenomen met het oog op een film. Wie daarmee niet akkoord gaat, mag de zaal verlaten en krijgt zijn geld terug. (Iedereen blijft zitten.)

Een bonte stoet van een dertigtal spelers, zangers en muzikanten betreedt het speelvlak. Ze dragen lange stokken, druiventrossen en lauwerkransen. Een hoornblazer geeft het startsein voor een reeks ritmische dansen waarbij de groep zich onder rondtollende, kleurrijke lichtcirkels voortdurend verplaatst en in- en uit elkaar waaiert. Soms vertraagt de dans, dan versnelt hij weer. De kleurrijke tableaus roepen de herinnering op aan de massascènes in films van Cacoyannis en Pasolini, maar evenzeer doen ze denken aan de hippieversie van het passieverhaal, Jesus Christ Superstar. Zé Celso schreef zelf de muziek: een mix van Braziliaanse pop, samba en carnavalsliederen.

De spelers worden de hele tijd op de voet gevolgd door twee vrouwen met een camera. De beelden die zij filmen worden rechtstreeks op de vier videoschermen getoond; daarmee wordt de soms grote afstand tussen spelers en publiek overbrugd. Wanneer Tireisias vraagt ‘Wie staat er bij de poort?’, dan bukt Zé Celso voorover en slaat zijn rok op. Op de videoschermen wordt zijn aarsgat in close-up getoond.

Op de schermen is ook de Franse vertaling van de speeltekst te lezen. De structuur van de tragedie van Euripides wordt nauwgezet gevolgd maar de klassieke verzen zijn omgezet in een veel spreektaliger idioom dat bovendien wordt gelardeerd met allerlei toevoegingen, zoals grapjes over de eurocrisis en ook over… Angela Merkel.

Inderdaad, Europa is in deze enscenering de incorporatie van het rationele. Wanneer koning Pentheus opkomt, is dat op de tonen van de ‘Ode an die Freude’. Hij draagt een zwart pak en wordt omringd door een politie-escorte. Lang duurt het niet voor een betoging van bacchanten door de ordetroepen met harde hand wordt uiteengedreven. Hun leider Dionysos wordt met handboeien aan een paal geketend. Het speelvlak wordt afgezet met gele ‘police line do not cross’-linten.

Naarmate het stuk vordert, zijn de spelers steeds schaarser gekleed. Er zijn penissen en borsten in alle maten te zien, soms heel erg van dichtbij want de performers lopen bij herhaling de tribunes op. Bij sommige van de groepsdansen wordt het publiek uitgenodigd om even te komen meedoen. Het zijn vooral mensen van de eerste rijen die hier op ingaan. Maar tot een echt collectief ritueel zoals door Zé Celso beoogd komt het niet; al bij al blijft het onderscheid tussen wie performt en wie toekijkt duidelijk en groot.

Net als andere Griekse tragedies bevat ook Bacchanten enkele bodeverhalen. Die zijn boeiend omdat ze vertellen over dingen die te erg zijn om te worden getoond. Zo gaven de Grieken het letterlijk onvoorstelbare een plaats. Het is veel spannender om over een uit de hand gelopen orgie met dodelijke afloop te horen vertellen dan om die uitgebeeld te zien. De toeschouwer moet zijn verbeelding aan het werk zetten.

Niet zo bij Zé Celso; hij wil immers alles tonen. In het begin werkt dat fantastisch. Zo is er bijvoorbeeld de verwekking en geboorte van Dionysos (uit Zeus en Semele). Wat bij Euripides een korte passage is in het eerste koorlied, wordt hier een lang uitgesponnen orgiastisch tafereel. De toeschouwer komt ogen te kort.

Maar in de tweede helft van deze met fallische symbolen overladen carnavaleske opera begint het procedé te wegen. Het handelingsverloop verzuipt in de uitbeelding. Eigenlijk heb je na één uur alles gezien, wat volgt zijn variaties en herhalingen. Tegen de tijd dat een bode komt vertellen hoe Pentheus door zijn eigen dol geworden moeder aan stukken is gescheurd, ben je dan ook helemaal verzadigd. Daardoor komen het verhaal en de parallelle uitbeelding van deze orgie niet meer over als de climax van het stuk. Het valt op dat het publiek al na de eerste van de twee pauzes heel wat stiller is dan daarvoor.

Aan het einde van de voorstelling komen de eerder opgevoerde Europese symbolen opnieuw tevoorschijn en volgt de moraal van het verhaal. Kadmos (Pentheus’ grootvader) wordt met een Europese vlag bedekt, de knoken van Pentheus met biljetten van 500 euro. De ‘Ode an die Freude’ weerklinkt vertraagd. Een vrouw met een witte sleep van wel twintig meter lang roept op tot een nieuwe economie, tot vrij gebruik van marihuana, en vraagt dat Cuba en Noord-Korea zich zouden openstellen voor de rest van de wereld. Tot slot krijgt Kadmos een Oscar uitgereikt ‘voor zijn interpretatie van Nicolas Sarkozy’. (Een dubbele bodem waarvan ik niet geloof dat hij door velen in het publiek tijdens de voorstelling werd opgemerkt.) Anders dan in Hollywood is Oscar hier, jawel, een fallus.

Gezien op 14 januari in Le Manège (Théâtre de la Place) in Luik.

www.theatredelaplace.be

verschenen in Etcetera 129 (juni 2012)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#131

15.12.2012

14.03.2013

Johan Reyniers

Johan Reyniers is schrijver en dramaturg. Hij was de directeur van de Leuvense organisatie voor hedendaagse dans Klapstuk (1993-1998) en artistiek directeur van het Kaaitheater (1998-2008). In 2008 werd hij hoofdredacteur van Etcetera. Sinds 2014 is hij hoofddramaturg bij Toneelgroep Amsterdam.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!