Facebook Geert Bourgeois

Lieven Van den Weghe

Leestijd 11 — 14 minuten

(Te) veel Vlaamse meesters

Het internationaal cultuurbeleid van de Vlaamse regering in kaart gebracht

De versnippering van het internationale cultuurbeleid is een oud zeer in Vlaanderen. Willekeur en economische of diplomatieke belangen staan sinds jaar en dag in de weg van een heldere visie op welke belangen er gediend moeten worden bij artistieke samenwerkingen die landsgrenzen overstijgen. Er is sprake van voortschrijdend inzicht, maar de weg is lang en het wegdek zit vol barsten.

Vlaams Minister van Cultuur, Jeugd, Media en Brussel Sven Gatz stuurde de afgelopen vijf jaar het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) aan. De hoofdletters impliceren een afgebakende bevoegdheid met duidelijke beleidsinstrumenten, maar de werkelijkheid is een stuk genuanceerder. Naast het ministerie van Cultuur reserveren ook andere departementen geld voor cultuur om hun eigen doelstellingen te realiseren.

Vier ministeries komen rechtstreeks of zijdelings met cultuur in aanraking. Het internationale luik van minister-president Geert Bourgeois’ ministerie bestaat uit Buitenlands Beleid, Internationaal Ondernemen en Ontwikkelingssamenwerking. Die drie domeinen willen enerzijds Vlaanderen als economisch slagkrachtige regio promoten en anderzijds cultuur inzetten als deel van de mensenrechtendialoog. Het kabinet-Weyts, verantwoordelijk voor Toerisme, subsidieert, maar niet rechtstreeks. Het investeert ter plekke in internationale kunststeden en musea die Vlaamse Meesters tonen en stuurt promotiecampagnes aan om culturele toeristen naar Vlaanderen te lokken. Een enkele keer springt het kabinet-Muyters bij vanuit zijn bevoegdheid Economie, Wetenschap en Innovatie.

“Cultuur loopt van oudsher aan het handje van diplomatieke belangen. Hoe dwingend is die hand nog anno 2019?”

Op zich hoeft die gedeelde verantwoordelijkheid geen probleem te zijn, bovendien zijn de Vlaamse excellenties goed omringd: hun beleid wordt aangestuurd door een apparaat van ambtenaren die zich verenigen in het Managementcomité
voor Internationaal Cultuurbeleid en Culturele Diplomatie. Het annex ‘culturele diplomatie’ is daarbij intrigerend. Cultuur loopt immers van oudsher aan het handje van diplomatieke belangen. Hoe dwingend is die hand nog anno 2019?

In hoeverre overstijgt het huidige beleid het louter instrumentele karakter van culturele promotie? En hoe kan er sprake zijn van een eengemaakt cultuurbeleid als elk ministerie een eigen koers vaart en er een groot onevenwicht is tussen ieders financiële middelen en strategische doelstellingen?

Follow the actor

De algemene kaderrichtlijn van het kabinet-Gatz baseert haar internationaal cultuurbeleid op het ‘follow-the-actor’-principe.11‘Betreft: Algemene kaderrichtlijn internationaal cultuurbeleid’, https://www.vlaanderen.be/nbwa-news-message-document/document/0901355780247576, p.4. Gatz erfde de term van zijn voorganger Joke Schauvliege, die het op haar beurt ontleende aan een adviesnota uit de sector.22‘Atelier Internationaal Cultuurbeleid’, https://cjsm.be/cultuur/sites/cjsm.cultuur/les/public/internationaal_cultuurbeleid.pdf, p.6. Vrij vertaald betekent het zoveel als ‘de dynamiek van het netwerk volgen’. Gatz’ visietekst heeft het over ‘de intrinsieke waarde van cultuur en het respect voor de autonomie van de sector’. De overheid is er om deze bottom-up-dynamiek ‘te faciliteren en te stimuleren’.33Ibid.

Hoewel de richtlijn ook nadrukkelijk de hand reikt aan de andere departementen, is er geen sprake van een overkoepelend beleid. Het internationaal cultuurbeleid ‘volgt het algemene Vlaamse cultuurbeleid, maar onderscheidt (…) zich van de culturele diplomatie. (…) Het is complementair met het algemeen buitenlands beleid van de Vlaamse Regering’.44‘Algemene kaderrichtlijn internationaal cultuurbeleid’, p. 3.

Op zich klinkt het goed om de autonomie van de sector te laten primeren, maar dan moet het wel financieel haalbaar zijn om in het buitenland te toeren. De bestaande subsidies zijn vaak ontoereikend. Binnen het Kunstendecreet is er slechts één subsidielijn die hieraan tegemoetkomt, maar ook die heeft haar beperkingen. Het ‘doorbraaktraject’ voorziet een subsidie die kan worden aangewend over een periode van maximaal twee jaar om daarmee de kansen op internationale zichtbaarheid te vergroten. Het is een zinvol en transparant instrument, met subsidies die worden toegekend door een autonome commissie.

De doorbraaksubsidies werden voor het eerst uitgereikt in 2017. Net geen kwart miljoen euro werd verdeeld over vier kunstenaars: Sofie Lachaert, Bára Sigfúsdóttir, Ariane Loze en Karl Van Welden. Een jaar later werd nog eens 185.000 euro verdeeld over vier nieuwe doorbraakartiesten: Maarten Vanden Eynde, Alexander Vantournhout, Louis Vanhaverbeke en Miet Warlop.

Vier artiesten per jaar en dat alleen in de laatste twee jaren van deze legislatuur
 – voorheen was er geen geld beschikbaar – en telkens gemiddeld 50.000 euro per artiest: erg ambitieus kun je dat niet noemen. Bovendien is het maar de vraag hoe zo’n doorbraakartiest die inspanning moet bestendigen na afloop van het traject.

Daartegenover staan de eenmalige bijdragen. De bekendste zijn de projectsubsidies. Die zijn kort of lang, met een maximum van drie jaar, en kunnen diverse doelen dienen, waaronder het helpen te bekostigen van een buitenlandse tournee. Voorts zijn er residentietoelagen voor residenties waar het ministerie een samenwerkingsverband mee heeft (zoals AIR Berlin Alexanderplatz, Academica Belgica in Rome, Cité Internationale des Arts en recent nog Le 18 in Marrakesh en Tokas in Tokio). Ze dekken de leef- en reiskosten van kunstenaars die er aan de slag gaan en worden door de organisatie zelf of door Vlaanderen betaald.

Tot slot zijn er binnen het Kunstendecreet de tussenkomsten voor buitenlandse presentatiemomenten. Niet alleen de kunstenaar, maar ook de presentatieplek zelf kan geld aanvragen. Je kunt er niet meer dan twee keer per jaar gebruik van maken en maximaal 7.000 euro voor ontvangen. Je betaalt er hooguit wat logistieke kosten mee, maar een eerlijk loon haal je er vaak niet uit. Meer zelfs, sinds vorig jaar mag je niet eens nog loonkosten in rekening brengen. De redenering is dat het buitenlandse platform dat maar moet doen. Vaak bieden zij dan wel logement aan, maar geen uitkoopsom, wat nadelig uitvalt voor de kunstenaar.

Sven Gatz en de Chinese minister voor Cultuur Luo Shugang ondertekenen een nieuw werkprogramma voor Cultuur (november 2018).

Moedig, maar willekeurig

Naast het bottom-up-beleid begunstigt Cultuur ook top-down. Minister Gatz beslist autonoom over de steun aan buitenlandse presentatieplekken. Ook de betrokken kunstenaars zelf kunnen steun aanvragen. Er zijn geen voorkeurslanden; meestal wordt de minister benaderd door de plek zelf. In de selectie wordt rekening gehouden met de complementariteit van de verschillende plekken.

Ook de mogelijkheid tot presentatie van Vlaamse kunstenaars op lange termijn is van belang. Voorts verwacht men ook een duidelijke publiekswerking, promotiebeleid en omkaderende activiteiten.

Tussen de presentatieplekken zitten enkele sterkhouders, zoals het Weense dansfestival Impulstanz en de Rotterdamse Operadagen, die jaarlijks terugkeren. Maar er worden ook elke keer vier tot vijf nieuwe namen toegevoegd. Gemiddeld krijgt een presentatieplek 30.000 euro – al bij al een bescheiden bedrag, waarmee een festival bijvoorbeeld tussenkomt in de vervoerskosten van de geprogrammeerde artiesten. Vaak lijkt uit de keuzes een voorkeur voor de grote, bekende namen in de podiumkunsten door te schemeren, meer bepaald voor de generatie van de Tachtigers. Zo keren in de programmatie van de bevoorrechte festivals vaak dezelfde gezelschappen terug: Rosas, Les Ballets C de la B, Needcompany, Jan Fabre en Ultima Vez.

De laatste jaren lijkt de inhoudelijke werking van de presentatieplekken – een ander criterium in de selectie – sterker door te wegen. Dat valt op in drie van de acht presentatieplekken in 2019. De keuze werd misschien ingegeven door een ander beleidsadvies uit 2014: leg meer thematische prioriteiten. Het SICK Festival in Manchester bijvoorbeeld focust op fysieke, mentale en sociale gezondheid in de maatschappij, via kunst, maar ook lezingen en debatten. Er worden niet alleen Vlaamse artiesten, maar ook academici uitgenodigd.

Sven Gatz en de Chinese minister voor Cultuur Luo Shugang ondertekenen een nieuw werkprogramma voor Cultuur (november 2018) .

“De aanwezigheid op niet-westerse festivals roept natuurlijk ook vragen op. Reist er met de centen en de egards niet ook een zekere bevoogding mee?”

Twee andere plekken verlaten het Europese vasteland en vinden plaats in Istanbul en Tunis. Kiezen voor niet-westerse landen is eveneens een advies dat al in 2010 werd geformuleerd. Plaatsen met een kwaliteitsvolle culturele en artistieke dynamiek, waarmee historische banden bestaan, bijvoorbeeld door migratie, worden nog te vaak onderbelicht.

Naast de samenwerking met de stichting Istanbul for Culture and Arts – in het kader waarvan theatermaker Mesut Arslan jaarlijks enkele Vlaamse en Turkse voorstellingen programmeert op het Istanbul Theatre Festival – is de interessantste nieuwkomer wellicht het tweejaarlijkse Tunesische Dream City-festival, dat in 2019 voor de eerste keer gesteund zal worden met 40.000 euro vanuit het departement Cultuur. Sinds 2007 organiseren de choreografen Sofiane en Selma Ouissi een kunstenfestival in de openbare ruimte van het oude stadsgedeelte van Tunis.

De aanwezigheid op dergelijke festivals roept natuurlijk ook vragen op. Meestal ontstaat zo’n injectie van middelen en artiesten immers vanuit een profileringsdrang. Maar reist er met de centen en de egards niet ook een zekere bevoogding mee naar het land in kwestie? In de impressies die Wouter Hillaert
 voor Kunstenpunt neerpende na een werkbezoek met acht kunstprofessionals aan Dream City, staat de terechte vraag van de lokale betrokkenen te lezen: ‘Wat gaan jullie met deze contacten en ervaringen doen?’ Hillaert besluit: hou de steun beperkt, laat die afhangen van de vraag ter plekke en neem wederkerigheid als leidraad.55‘Dream City Tunis: terugblik op een werkbezoek’, https://www.kunsten.be/dossiers/internationaal-samenwerken-2/menatravelogues/7900-dream-city-tunis-terugblik-op-een-werkbezoek. Dat echoot de bedenkingen die onderzoeker Joachim Ben Yakoub uitte in het artikel ‘De gedroomde samenwerking’, over mogelijke valkuilen in het opzetten van samenwerkingsprojecten met de MENA-regio (Middle East & North Africa).66‘De gedroomde samenwerking’, https://www.kunsten.be/dossiers/internationaal-samenwerken-2/menatravelogues/6102-de-gedroomde-samenwerking.

Ben Yakoub gaat nog een stap verder door te stellen dat die wederkerigheid ook een pendant in het uitbestedende land moet hebben: ‘Hoewel Brussel een mondiale metropool is waar het ‘hier’ en ‘daar’ fundamenteel en volledig met elkaar vervlochten zijn, blijft artistiek talent dat zich in Brussel ontvouwt onder de radar van de belangrijkste spelers in het kunstenveld. (…) Het is in die verwevenheid dat het potentieel ligt om voorbij te gaan aan de voortschrijdende tweedeling die ons vandaag tot bloedens toe langs weerszijden wordt opgedrongen.’77Ibid.

Idealiter zorgt de uitwisseling dus voor reflectie en creatie aan beide kanten van het verhaal, al vindt dat idee nog weinig ingang in de westerse diplomatie, die de rest van de wereld nog al te vaak als een oninteressante achtertuin ziet.

Diplomatieke versus artistieke belangen

Tegenover een interculturele visie die langzaam volwassen lijkt te worden binnen het departement Cultuur, staat ook nog steeds de diplomatieke evenknie die zich financieel inlaat met kunst en cultuur, maar beide van oudsher vaak instrumenteel benadert.

De relatie tussen cultuurbeleid en culturele diplomatie zorgt ook in andere landen voor spanningen. De doelstellingen van de verschillende ministeries lopen vaak uiteen. Elk land zoekt naar oplossingen: in Frankrijk wordt het Institut français sinds enkele jaren aangestuurd door zowel het ministerie van Cultuur als het ministerie van Buitenlandse Zaken. In Nederland werd DutchCulture opgericht, dat beide sets aan doelstellingen coördineert. Het Duitse Goethe-Institut hangt enkel af van Buitenlandse Zaken.

Ondanks de vraag vanuit de sector om ‘werk te maken van een overkoepelend platform/organisatie voor de ondersteuning van het internationaal cultuurbeleid (…) (en) kennis- en expertisebundeling’, kwam Vlaanderen slechts gedeeltelijk tegemoet aan die verzuchting.88‘Grenzen doorbreken, culturele belangen van de Vlaamse Gemeenschap’, https://cjsm.be/sarc/AR/adviezen/20140528-advies-culturele-belangen.pdf. ‘Toch mag je je niet verkijken op dat ontbreken van een instituut naar buitenlands model’, reageert Dirk De Wit, verantwoordelijk voor de internationale relaties bij Kunstenpunt. ‘Er werd net voor gekozen om niet alles bij de overheid te leggen. Het internationaal cultuurbeleid maakt integraal deel uit van het Kunstendecreet. Dat is een belangrijke nuance. Op die manier is het de artiest die bepaalt wat er met de project- of werkingssubsidies wordt gedaan.’

Bovendien willen de strategische doelstellingen van de visietekst ‘Vlaamse culturele diplomatie’ ‘cultuur als glijmiddel’ absoluut vermijden; ze achten de sector- en overheidsbelangen gelijk: ‘De essentie van culturele diplomatie is dat er een win-win in zit voor beide partijen, bijvoorbeeld doordat het de internationale werking van de sector zelf versterkt.’99Intern document ‘Vlaamse culturele diplomatie’. Een samenvatting hiervan staat te lezen in de brochure ‘Vlaanderen is internationaal’: https://www.fdfa.be/sites/default/les/atoms/les/Vlaanderen%20is%20internationaal.pdf, p. 23-24. Het ministerie voor Buitenlands Beleid heeft daarvoor jaarlijks net geen miljoen euro veil. Ter vergelijking: de optelsom van Gatz’ presentatiebeleid en doorbraaktrajecten bedraagt ongeveer een half miljoen per jaar. Veelzeggend zijn ook de bedragen die Toerisme Vlaanderen aan de ‘productlijn’ Vlaamse Meesters spendeert: gemiddeld 2 miljoen euro per jaar.1010Het promotiebudget bedroeg in 2018 nog 1.750.926 euro, in 2019 was dat al 2.172.312 euro (cijfers ontvangen via het Kabinet Weyts).

In 2016 deelde Vlaanderen met Nederland het voorzitterschap van de gerenommeerde Frankfurter Buchmesse. Het was een uitgelezen kans om de historische en culturele banden in de verf te zetten. Een waar prestigeproject, waar beide spelers met plezier ongeveer 6 miljoen euro aan bijdroegen. Op zulke momenten verloopt de samenwerking tussen de verschillende departementen vlekkeloos.

Flanders Center Osaka wordt Arts Flanders Japan.

Het departement Buitenlands Beleid kwam met 430.000 euro over de brug. Cultuur droeg 1.6 miljoen euro bij, verspreid over de periode 2014-2016. Zoals vooraf afgesproken, moesten Vlaanderen en Nederland ook elk 600.000 euro zoeken in private middelen. Het departement Economie, Wetenschapsbeleid en Innovatie hoestte de resterende 366.000 euro op. Toerisme Vlaanderen subsidieerde niet het evenement zelf, maar investeerde in online en papieren promotie om buitenlandse toeristen naar Vlaanderen te lokken. Achteraf werd keer op keer over de exponentiële toename van Duitse vertalingen gecommuniceerd. Niet onbelangrijk wellicht, maar is dat dan het grote rendement van die enorme financiële injectie?

De vertegenwoordigers

Toch blijven de logica en het consequente beleid achter de uitgaven vaak ver te zoeken. Naast de letteren ging er vanuit Buitenlands Beleid tussen 2015 en 2018 jaarlijks gemiddeld ongeveer 200.000 euro naar beeldende kunst, met tentoonstellingen over Bruegel, Rubens, Ensor, Broodthaers, Memling… De laatste twee jaar kwam er dan weer meer nadruk op de promotie van actuele (podium)kunsten te liggen, waarvoor gemiddeld 150.000 euro werd uitgetrokken.

Daarnaast gaat het wat alle kanten op, al naargelang de opportuniteit. Eén grote en op het eerste gezicht toch wat vreemde constante is het jaarlijkse budget voor de Vlaamse vertegenwoordiging in Japan. Vlaamse huizen zijn de paradepaardjes van de Vlaamse diplomatie, met navenante budgetten. Zo kreeg het Flanders Center Osaka in 2014 en 2015 bijvoorbeeld jaarlijks 550.000 euro. Dat verminderde weliswaar, om te blijven hangen op 450.000 euro in 2017. Als je weet dat dit geld gespendeerd wordt aan de bemiddelingsopdracht van twee mensen, lijkt dat een fors onevenwicht in vergelijking met de andere uitgaven.

Om die kost beter te begrijpen, is het nodig een laatste speler in het ICB onder de aandacht te brengen: de Vertegenwoordigers van de Vlaamse Regering. Dat zijn een soort ambassadeurs die ook cultureel verbindingsofficier spelen en kleine financiële rugzakjes met zich mee dragen. Vlaanderen heeft er ondertussen ongeveer 120. Met dat geld gebeurt – naast de occasionele receptie naar aanleiding van een cultureel evenement en een tegemoetkoming in reiskosten voor kunstenaars – doorgaans niet bijster veel.

Het Flanders Center bestond van 1975 tot 2016 en was van meet af aan een buitenbeentje. Naast zijn hoedanigheid als belangrijke ontmoetingsplaats voor Japanse en Vlaamse bedrijven, organiseerde het vooral tentoonstellingen met Vlaamse kunstenaars.1111‘Subsidie voor Belgium Flanders Exchange Center in Osaka’, 1997, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-overheid/persberichten/subsidie-voor-belgium-anders-exchange-center-osaka Die functie werd afgeschaft, de naam veranderde naar Arts Flanders Japan en Osaka werd ingewisseld voor Tokio.1212Arts Flanders, sinds kort Arts & Heritage Flanders, is het online planinstrument waarin de steunpunten, fondsen en beleidsmakers hun internationale agenda’s samenleggen. ‘Cultureel liaisonofficier’ Bernard Catrysse bleef op post en zijn budget bleef nagenoeg hetzelfde. Sindsdien zoekt hij samen met een medewerker naar partners en structuren voor toekomstige samenwerkingen met Vlaamse instellingen of kunstenaars. De hoofdfocus ligt op Japan, maar ook Zuid-Korea en Taiwan behoren tot de actieradius.

Een treffend voorbeeld daarvan betreft een tentoonstelling van het Gentse Dr. Guislainmuseum rond stigma en psychiatrie, waarin het kabinet-Bourgeois 90.000 euro zal investeren. Opmerkelijk genoeg staat het Japanse museum waar de tentoonstelling zal plaatsvinden nog niet vast. Het Guislainmuseum organiseerde vorig jaar reeds een soortgelijke tentoonstelling in het Zuid-Koreaanse Seoul.1313The origin, history of psychiatry and art brut i.s.m. Art Versi Museum Seoul. De tentoonstelling liep van 3 maart 2018 tot 8 mei 2018. Voor de opvolger in Japan diende het in het kader van het Vlaams-Nederlands Cultureel Akkoord een subsidieaanvraag in bij het ministerie voor Buitenlands Beleid. Pittig detail: nauwelijks iemand kent deze mogelijkheid.

De aanvraag verloopt immers niet via het subsidieplatform Kiosk. Precies zulke praktijken werken het gebrek aan transparantie verder in de hand.

Los van de wellicht interessante artistieke confrontaties, blijft het vaag wat de meerwaarde van de Japanse inspanningen is en blijft het moeilijk om in Japan aan de slag te gaan. De fysieke en culturele afstand is groot én duur om te overbruggen. Het vergt veel tijd en energie om er een vertrouwensrelatie op te bouwen. Bovendien is men er vooral geïnteresseerd in gevestigde namen. De uitkoopsommen en verloningen zijn laag.1414‘Arts Flanders Japan, cultureel verbindingskantoor’. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/7669-arts-anders-japan-cultureel-verbindingskantoor. ‘Arts Flanders Japan, Verslag expertenmeeting’, https://s3.amazonaws.com/kunstenpunt.f.mrhenry.be/2017/11/ArtsFlandersJapan.pdf.

Culturele investeringen à la Arts Flanders Japan hebben zo nog steeds iets van een visitekaartje. Al wordt dat nooit met zoveel woorden uitgesproken. Men heeft het liever over ‘aanwezigheidspolitiek’. Het roept herinneringen op aan de willekeur en het favoritisme dat het treffendst tot uiting kwam onder het bewind van minister-president Luc Van den Brande (1992 – 1999), die met geld uit de kas van Economische Zaken bepaalde ‘goede vrienden’ uit de kunstensector tot Cultureel Ambassadeur benoemde. Marc Reynebeau vond het in 1993 al een laakbare praktijk, omdat kunst werd ingezet ter promotie van de Vlaamse identiteit of om de Vlaamse economie een duwtje in de rug te geven.1515Reynebeau, M., ‘Met twee woorden spreken’, Etcetera 11, 43 (1993), pp. 10-12.

Weinig geld, weinig ambitie?

Alles bij elkaar genomen gebeurt er dus best wel wat op internationaal vlak. Toch is het vreemd dat de relatie tussen de departementen Cultuur en Buitenlands Beleid vooral nevenschikkend is. Je zou van een ministerie met de bevoegdheid Internationaal Cultuurbeleid verwachten dat alle initiatieven afgetoetst moeten worden aan de algemene, sturende visie. Nu worden kunst en cultuur vaak begunstigd door kabinetten met grotere budgetten en doelstellingen die niet per definitie artistiek geïnspireerd zijn.

“Je zou van een ministerie met de bevoegdheid Internationaal Cultuurbeleid verwachten dat alle initiatieven afgetoetst moeten worden aan de algemene, sturende visie.”

Is het niet ook absurd dat elk departement naast enkele gemeenschappelijke (Nederland, Noord-Frankrijk, Wallonië) ook verschillende voorkeursregio’s en -landen heeft? Marokko voor Cultuur, Zuid-Afrika, Palestina en Japan voor Buitenlands Beleid? En wat met de onderbelichte kunstvormen? Er gaat binnen het Kunstendecreet wel wat geld naar de beeldende en de podiumkunsten, maar wat met muziek bijvoorbeeld?

Het kabinet-Bourgeois is ervoor beducht dat het in de oude ‘Cultureel Ambassadeurs’- praktijken zou vervallen, maar het resultaat is dat de culturele diplomatie die het toepast voorlopig alle kanten opschiet. Aan de ene kant zijn er lovenswaardige initiatieven zoals de Vlaams-Palestijnse samenwerking, die zich lokaal proberen te verankeren, en aan de andere kant zijn er ook historische krachten werkzaam in een land als Japan, die een grote hap uit het budget reserveren, maar waar het moeilijk is voor kleine spelers om aan de bak te komen en waar langdurige inspanningen vaak moeilijk rendabel blijken.

Af en toe lijkt er ook willekeur en favoritisme te spelen. Het presentatiebeleid van Sven Gatz heeft de laatste jaren mooie initiatieven gesteund, maar het is maar de vraag hoe duurzaam het is om voortdurend nieuwe presentatieplekken toe te voegen. Daartegenover blijven sommige plaatsen zoals Impulstanz en de Ruhrtriënnale elk jaar op de kalender staan. Bovendien programmeren die steevast dezelfde ensembles, hoewel een van de criteria van de presentatieplekken is dat de presentatie van belang moet zijn voor de verdere carrière van de geprogrammeerde kunstenaar.

Het is daarenboven jammer om vast te stellen dat de middelen van de minister van Cultuur zo beperkt zijn: hier en daar wat projectsubsidies, een min of meer willekeurig presentatiebeleid en een schamele doorbraaksubsidie voor vier artiesten per jaar. Gatz probeert duidelijk het veld te laten spreken en niet de overheid. Helaas staat er weinig geld tegenover die ambitie, niet in de werkingssubsidies, ook niet in de projectsubsidies.

Het is een utopie om te denken dat het internationale cultuurbeleid zich autonoom kan ontwikkelen, los van de culturele diplomatie, maar op dit moment is de verhouding tussen de verschillende departementen allesbehalve gelijkwaardig en transparant. Een grondige herziening is geboden. Elke kleine nuance zal alleen maar voortborduren op het raamwerk van eerdere aanpassingen. Dat de minister van Cultuur de eindverantwoordelijkheid draagt, is op zich positief, maar zolang de artistieke component het onderspit moet delven in een strijd met andere belangen, noem je het beter geen overkoepelend beleid.

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Lieven Van den Weghe

Lieven Van den Weghe is freelance cultuurjournalist.

artikel