‘Everyman’, Hans Van den Broeck & Les Ballets C. de la B. / Ilse Joliet

Alex Mallems

Leestijd 7 — 10 minuten

Te kijk en te koop

Flemish Dance Platform

Eind januari jl. organiseerden Vooruit en Nieuwpoortteater een promotieplatform voor de Vlaamse choreografen die in de schaduw werken van ‘de Grote Vier’. Alex Mallems zag het merendeel van de vijftien gepresenteerde choreografieën. Hij signaleert Antilichaam van Marc Vanrunxt als hoogtepunt.

De ‘moderne’ dans in Vlaanderen wordt in het algemeen gesitueerd als een fenomeen ontstaan aan het begin van de jaren ’80. Vijftien jaar later lijken de nauwe kinderschoenen waarin zolang gedanst werd eindelijk geruild te zullen worden voor schoeisel op maat van de onweerlegbare kwaliteit die zich binnen de Vlaamse danswereld gemanifesteerd heeft.

Er zijn een aantal objectieve criteria om die groei naar volwaardigheid van de danssector te meten: 1) van een kleine 10 miljoen voor dansprojecten in 1988 steeg het globale budget voor hedendaagse dans de voorbije twee jaar spectaculair naar 43. miljoen in 1993, om te verdubbelen tot 86 miljoen vorig jaar, een bedrag dat dit jaar stagneert; 2) sinds drie jaar oordeelt een autonome adviesraad over de dansdossiers; 3) op het artistieke vlak en in de praktijk van elke dag bewijst de doorbraak van choreografen als Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Fabre, Wim Vandekeybus, en sinds kort ook Alain Platel, op de grote internationale danspodia deze kwaliteitsstelling.

Dat er ook in de breedte talent aanwezig is, moest blijken uit het onlangs in Gent georganiseerde Flemish Dance Platform, een promotieplatform voor ‘Vlaamse’ choreografen. In het voorwoord bij dit programma situeerden de organisatoren (Vooruit & Nieuwpoortteater) hun initiatief om die minder bekende groepen te presenteren binnen de context van het huidige globale dansklimaat, dat gedomineerd wordt door de reeds vermelde ‘grote namen’: In hun schaduw werkt een “nieuwe” generatie choreografen die niet meer vertrekt vanuit een braakliggend niemandsland maar die moet opboksen tegen de hoge verwachtingspatronen van overheid, publiek en organisatoren. Nu voor het eerst, in een poging tot dansbeleid, ook deze generatie over een relatief behoorlijke projectsubsidie kan beschikken, lijkt de tijd rijp om hun werk te toetsen en te promoten in een internationale context’.

Professionele omkadering

Een manifestatie als Flemish Dance Platform geeft aan dat ook de omkadering van de dans een ontzettende sprong voorwaarts gemaakt heeft. Zowel op organisatorisch als op technisch-infrastructureel vlak haalde dit initiatief constant een professioneel hoog niveau. De pionierstijd, toen jonge choreografen in onverwarmde ruimtes hun werk presenteerden — ik denk aan de Vier korte dansen van Marc Vanrunxt destijds in de Paradox in Antwerpen —, is duidelijk ver weg. Alleen dringen nieuwe vragen zich nu op: het toetsen van nieuw werk aan kwaliteitsnormen gebeurt gelijktijdig met het promoten van dat nieuwe werk op internationale schaal. Wordt hier geen stap overgeslagen? Is al wat nieuw is, ook meteen rijp voor export? En zou men dansprodukties, in plaats van ze op een dergelijk platform in première te laten gaan, niet beter eerst binnenlandse tourneemogelijkheden geven vooraleer ze — goed ingedanst — aan buitenlandse organisatoren aan te bieden? Het zijn maar enkele bedenkingen waarmee ik na drie intensieve avonden dans-kijken bleef zitten. Oorzaak daarvan was de ronduit ongelijke kwaliteit van het getoonde werk, waarbij men als toeschouwer te vaak het gevoel kreeg naar een onaf produkt te zitten kijken; in het beste geval naar een werk in wording.

Het dansplatform opende nochtans zeer beloftevol met Blauw, de eerste avondvullende choreografie van Alexander Baervoets. Die kiest bewust voor een uitgepuurde abstracte bewegingstaal. Er wordt autonoom gedanst op een gevarieerde muziekband die vaak zeer concrete, herkenbare klanken verwerkt: straatgeluiden, een draaiende motor, vogelgezang, enzovoort. Baervoets ontwikkelt een rijk, niet-illustratief bewegingsvocabularium dat door de drie danseressen technisch sterk wordt uitgevoerd. Opmerkelijk is ook zijn gevoel voor ruimte: de brede dansvloer van de Domzaal wordt maximaal benut met o.a. grote cirkelbewegingen. Een beloftevol debuut en een premièrevoorstelling die zondermeer klaar was.

Minder overtuigend was de nieuwe produktie van Karin Vyncke Could Can Be, die in de vernieuwde Minardschouwburg in première ging. Het thema van dit stuk is macht, uitgewerkt door twee vrouwen en een man die via koning-nar spelletjes eikaars zwakke en sterke plekken aftasten. Het naïeve van het sprookjeselement wordt goed vertaald in het aanstekelijk decor van scenograaf Joris Van Den Houte, opgebouwd met uit houten kratjes gevlochten wanden. De dansante scènes blijven aardig overeind en versterken de thematische verbeeldingswereld. Vyncke en haar dansers gaan echter uit de bocht door een overdaad aan goedkope theatrale elementen: er wordt al te expliciet of ronduit slecht geacteerd; er is een lukraak gebruik van allerlei rekwisieten (stok, kist, zakdoek, …); er wordt in de eerste plaats gemikt op vondsten en effect; de gebruikte objecten en het anekdotische spel leiden de aandacht af van de in aanzet nochtans interessante verhaallijn. Het teveel aan tekens resulteert in een gratuite voorstelling. Scherpere keuzes zouden dit potentieel sterk materiaal zeker ten goede zijn gekomen.

Bombast

Ook al in de grote zaal, maar dan in Vooruit, twee andere vrouwelijke choreografen, Ria De Corte en Veerle Bakelants. In Anobium Domesticum laat De Corte zich inspireren door het Noah-verhaal in de versie van Julian Barnes. Een beetje zoals bij Karin Vyncke verdrinkt haar voorstelling in een vergelijkbare overvloed aan zeer verscheiden materiaal en ook hier steekt de superioriteit van haar danstaal schril af tegen de zwakke theatrale elementen (eenduidig acteren, gedoe met een tafel). De keuze voor een niet-stereotiepe bewegingstaal vertaalt zich in een te zwakke uitwerking van de in aanzet nochtans krachtige danspassages. Daarbij komt de nadrukkelijke, zelfs bombastische effectbelichting van ontwerper Jean-Luc Ducourt, met de projectie van Géricaults Het vlot van de Medusa als orgelpunt.

Veerle Bakelants kiest in haar nieuw werk Nooit nog nu voor een grotere soberheid en abstractie. De geometrische patronen op de vloer en de gigantische zandloper centraal boven de scène — een scenografie getekend door Luc Dhooghe en Rose Werckx — visualiseren haar fascinatie voor ruimte en tijd. Binnen de ontwikkeling van deze choreografie voor vijf vrouwen staan deze strakke uitgangspunten de natuurlijke stroom van bewegingen en verhoudingen tussen de dansers wel eens in de weg. Bakelants kiest bovendien voor een inhoudelijk beladen klankband (o.a. over het vrouw-zijn) wat het geheel nogal zwaar en cerebraal doet overkomen. De groepspatronen worden pas laat in het stuk voluit ontwikkeld en dan voel je de meerwaarde die het omspringen met die uitbundige energie oplevert. Zo wordt het theoretische structurele kader niet ontkend, maar op een organische manier onzichtbaar gemaakt. Mogelijk vloeien de verschillende segmenten binnen deze choreografie op een wat meer evidente manier in elkaar over en wint Nooit nog nu aan speelsheid zodra deze voorstelling beter is ingedanst.

Die speelsheid is zowat het handelsmerk geworden van Les Ballets C. de la B., het gezelschap rond choreograaf Alain Platel. Met Everyman bewijst dit eigenzinnig kunstenaarscollectief dat er binnen de ontwikkelde huisstijl ruimte is voor choreografisch initiatief, in dit geval van filmer-danser Hans Van den Broeck. Er wordt een aanstekelijke beeldtaal ontwikkeld die in zijn frisse naïviteit bijvoorbeeld doet denken aan de Orkater-stijl. Theater, dans, videobeelden en muzikale elementen vinden een goede mix in deze speelse voorstelling vol lichte humor. De podiumvastheid en het op elkaar ingespeeld zijn van de dansers-performers van Les Ballets C. de la B. schragen deze Everyman. Of: de meerwaarde van ensemblewerk.

Zand

Verder zaten er in het dansaanbod enkele kleinere produkties die niet echt konden overtuigen. Piet Rogie opteerde voor het tonen van enkele fragmenten uit Cargo/Montage, een remake van een solo en een duet die hij vijf jaar geleden maakte, maar die nu gecombineerd worden binnen één voorstelling. Uit hun globale context gerukt vielen deze losse scènes als zandkorrels uit elkaar: je ziet twee goede dansers, maar de waarde van deze nieuwe produktie kan aan de hand van die fragmenten moeilijk beoordeeld worden. Bert Van Gorp & Sean Tuan John maakten het stripverhaalachtige duet Frederick’s First Kiss. Een reeks clichébeelden ontleend aan de kinderlijke fantasiewereld flitsen in snel tempo voorbij, maar blijven geen moment hangen. Ook de poging van Enzo Pezzella om elementen uit de commedia dell’arte-traditie te transponeren’ naar de dans maakte niet echt indruk.

Wel bijzonder sterk vond ik Annemirl Van der Pluijm, die eerst als danser-performer en als assistent-choreograaf werkte bij Jan Fabre, later soliste werd bij het Tanztheater Reinhild Hoffmann en zich nu met enkele opmerkelijke solo’s profileert als een interessante zelfstandige choreografe. Voor haar Solo M. liet zij zich inspireren op de figuur en het werk van danslegende Martha Graham. Ze ontwikkelt een gestileerde en uiterst beheerste lichaamstaal waarbij ze uitgaat van soberheid en beperking: op muziek van Bach danst ze in een strakke lange jurk die haar bewegingen als het ware vasthoudt. Deze minimale bewegingsvrijheid exploiteert Annemirl Van der Pluijm maximaal, in combinatie met de mogelijkheden van het ene object dat ze in haar Solo M. hanteert, een sobere houten bank. In haar beheersing en expressie roept dit werk herinneringen op aan de Abstrakte Tänze van Gerhard Bohner.

Come-back

Hoogtepunt van dit Flemish Dance Platform was zonder enige twijfel Antilichaam, de jongste produktie van Marc Vanrunxt, waarin hij zelf danst naast Annemirl Van der Pluijm en Eric Raeves. Drie sterke theaterpersoonlijkheden naast elkaar (niet toevallig alle drie met een Fabre-verleden) die de karakteristieke, door Vanrunxt ontwikkelde bewegingstaal zeer goed beheersen: de rechte, bijna statische houding van de rug, met een grote dynamiek in de breed zwaaiende armbewegingen, uitlopend in de vingers. Vooral in het eerste deel van deze drieledige choreografie — sereen, beheerst, ingetogen gedanst op muziek van Paul Hindemith — komt die stijleenheid goed naar voren. In het middenluik, geïnspireerd op het door een maniak beschadigde doek Who’s afraid of Red, Yellow and Blue III van Barnett Newman, vertegenwoordigt elke danser één van deze hoofdkleuren en krijgt hij individueel meer ruimte. De muziek van Galina Ustvolkaya is grilliger en de dans wordt dan ook minder vloeiend. Het afsluitende derde deel biedt een onverwachte uitsmijter: Vanrunxt voert een Dalida-act op die alles in zich draagt wat onder het label ‘kitsch’ kan geplaatst worden (playback, travestie), maar door de uitvergroting van die act van solo tot trio en vooral door de onvoorwaardelijke overgave van de performers, overstijgt dit nummer het niveau van het goedkope effect.

Met Antilichaam is Vanrunxt terug van nooit weggeweest. Wie na vijftien jaar vallen en opstaan in de marge, steeds weer afhankelijk van de jaarlijkse (al dan niet toegekende) aalmoezen projectsubsidie, een dergelijke kwaliteitsproduktie neerzet verdient het om eindelijk structureel erkend te worden. Met Annemirl Van der Pluijm en Eric Raeves (die zijn choreografisch talent al liet zien in zijn solo’s en die bovendien ook als kostuumontwerper actief is, o.a. voor Blauw van Alexander Baervoets) biedt zich alvast een sterke gezelschapskern aan. De danspolitiek zou zijn verantwoordelijkheid moeten nemen om dit talent en doorzettingsvermogen te honoreren. Bovendien leveren de middelen besteed aan een kleine gezelschapsstructuur meer op dan de som van de deeltjes die nu via de projectsubsidies uitgezaaid worden. Ondertussen kunnen we alleen maar hopen dat Antilichaam zijn weg vindt naar de binnen-en buitenlandse podia. De functie en uitstraling van een promotioneel initiatief als het Flemish Dance Platform kan daaraan gemeten worden.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#49

15.04.1995

14.07.1995

Alex Mallems

artikel