Jan Simoen

Leestijd 4 — 7 minuten

Stelt u zich voor…

Stelt u zich voor: u houdt van schaken en u woont een wedstrijd bij tussen twee grootmeesters. Een niet zo grote zaal, gedempt licht, gespannen stilte. Vooraan, door een sierkoord van de toeschouwers gescheiden, een kleine estrade. Rechts is een groot schaakbord vertikaal tegen de wand aangebracht waarop het publiek de wedstrijd kan volgen. Timman speelt met wit, Kasparov met zwart.

Voor het bord, de wedstrijdleider: smetteloos zwart pak, witte handschoenen, hogepriesterlijke uitdrukking. In het midden van de estrade, een kleine tafel bedekt met een groen laken. Daarop het schaakbord met, nauwelijks zichtbaar voor de toeschouwers, de stukken: een loper, een paard, de witte koningin. Aan weerszijden van het bord een klok die, zoals u weet, de tijd aangeeft waarover elke speler nog beschikt. De spelers zitten in Louis XV-armstoelen en lijken, zoals te verwachten was, gebiologeerd door het bord tussen hen. Het publiek bestaat uit kenners en neemt aandachtig alle details in zich op. Kasparov sluit zijn bijeengevouwen handen om zijn neus en trekt zijn wenkbrauwen op. Dat doet hij wel vaker, maar is het gebaar nu niet iets nadrukkelijker en een teken van twijfel ? Timman schuift met zijn voetzolen over het vast tapijt, wrijft over zijn kin, haalt zijn andere hand uit zijn broekzak en doet een zet. Op het reuzebord verschuift de wedstrijdleider het stuk: Paard f6! Timman heeft zijn klok stilgezet, werpt een blik op zijn tegenstander en leunt dan achterover. Uw buurman fluistert u een snelle kommentaar in het oor, u knikt, bestudeert dan het grote bord. Voorzichtig proevend komt u langzaam tot een min of meer volledig begrijpen van Timmans zet. U geniet. Van het doorzicht, het talent, de durf van de speler. Maar ook van uw eigen kennis, uw eigen vermogen tot begrip. U bent een matig schaker, maar uw toch niet onaardig inzicht in het schaakspel stelt u in staat deze strijd tussen grootmeesters in bijna al zijn nuances te appreciëren, bijna. Want een deel, en, als u eerlijk bent, een groot deel ontgaat u. Maar dat is geen bezwaar: u geniet minstens evenveel van het deel dat u ontgaat, te hoog reikt. In uw genieten is er plaats voor een deel ‘nederige bewondering’ én voor een groot deel emotionele opwinding wegens bijwonen van een geniaal gebeuren.

Wittgenstein Incorporated. Stelt u zich voor : een zeer sober, egaal uitgelicht decor (Sorgeloos): bordgroene panelen, een parketvloer, een strandstoel met armleuningen, een tweede stoel, een nauwelijks te onderscheiden beeldje aan één van de panelen (een Mariabeeldje ?), achterin twee stroken wit papier. Een man komt op (Leysen). Hij blijft even staan zonder het publiek aan te kijken, maakt dan een gebaar als om een gedachte aan te zetten en zegt: “Stelt u zich voor.”

Dit wordt een voorstelling in misschien wel de zuiverste betekenis van het woord: u moet zich iets voorstellen. U wordt daartoe uitgenodigd door een man in een dekor, die een tekst zegt. U concentreert zich op de tekst. Die geeft niet alleen de woorden van een personage (Wittgenstein) weer, fragmentarisch, met veel wit ertussen, maar bevat daarnaast ook een uiterst gedetailleerde neventekst, een minutieuze beschrijving van de ruimte, van Wittgensteins toehoorders, hun reacties en gebaren en van Wittgensteins eigen gedrag. Deze neventekst verrast u, niet omdat hij er is, maar omdat hij uitgesproken wordt, op de scène, door de man in het decor, die tegelijkertijd Wittgensteins woorden uitspreekt en dus dat personage ‘speelt’.

Maar al snel merkt u dat die tekst u helpt het personage en de filosoof Wittgenstein beter te begrijpen: als Verburgt beschrijft hoe Wittgenstein tot een gedachte komt, wordt niet alleen die gedachte al wat duidelijker (u bent een matig schaakspeler), maar komt u ook wat dichter bij het personage Wittgenstein. Hij geeft college vanuit een strandstoel (dezelfde als in het decor?), hij taxeert zijn toehoorders (nochtans allen bekenden, vrienden, ‘kenners’), bekijkt ze of bekijkt ze niet, loopt tussen en achter hen door (de camera van Verburgt beweegt mee), luistert of luistert niet naar hen, negeert hun opmerkingen of gaat erop in, gebruikt ze schaamteloos als klankbord, als voedingsbodem voor zijn ideëen, want ‘dat is de methode’ en dat wordt geaccepteerd. Hij schroeft de dop van zijn vulpen, vouwt zijn handen achter het hoofd zodat de blocnote bijna van zijn knieën glipt. Hij verpulvert droge bloemblaadjes in zijn hand en gooit ze een kwartier later in de prullenmand. Een foto aan de muur van zijn kamer: Wittgenstein voor zijn blokhut in Noorwegen (een affiche); een andere foto: de filosoof Moore, ‘zijn obsessie’, een tegenspeler; Verburgt observeert, interpreteert, verwijdert zich en komt weer heel dichtbij. Hij bedient zich van verschillende vertelstandpunten en schuift die op en af als stukken op een schaakbord, tastend naar een bres in de verdediging van de tegenspeler, Wittgenstein.

U kijkt weer naar de man in het decor, Leysen, de acteur. Wat is zijn relatie tot dit alles? Vertolkt hij het personage Wittgenstein? Spreekt hij zijn woorden, toont hij zijn gebaren ? U zag het al: het is meer dan dat; Leysen zegt tekst en neventekst, en toont daarbij nog iets anders. Wat dan ? Een gevecht. Hij bevecht deze tekst om tot Wittgenstein te komen. Hij zoekt de juiste zegging, het juiste gebaar (even de hand door het haar : Wittgenstein, dan een armbeweging: daar het raam, daar de fauteuil), het juiste staan. Hij gaat Wittgenstein te lijf met zijn eigen lijf. En wat hij daarbij toont is eigenlijk niets anders dan acteren. Zijn gevecht om Wittgenstein te ‘incorporeren’, valt samen met het graven naar de wortels van het acteren zelf.

Hij lijkt daarbij op Wittgenstein, wiens pogingen om nieuwe gedachten te laten ontstaan evenveel denkoefeningen waren over de essentie van het filosoferen. En op Verburgt, die Wittgenstein tegemoet schrijft in de gedaante van verschillende vertellers en zo alle facetten van het schrijven onderzoekt.

U moet zich een kamer voorstellen: daar het raam, de zon, Moore zit naast Wittgenstein, in een leren fauteuil. De andere toehoorders worden door Leysen in een halve cirkel rond Wittgenstein geplaatst: Louis, O’Hara, Douglas en nog een paar anderen. Wittgenstein gaat in zijn strandstoel zitten, de blocnote op zijn knieën. U gaat even verzitten. Uw buurman fluistert u een snelle commentaar in het oor : “Dit is een schaakwedstrijd tussen grootmeesters.” U knikt. De arrogante verbetenheid van Wittgenstein, de dwingende nauwkeurigheid van Verburgt, de schaamteloze kwetsbaarheid van Leysen doen u meedenken. U geniet.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

agenda
Leestijd 4 — 7 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Jan Simoen