© Tina Herbots

Leestijd 9 — 12 minuten

State of the Union – Jan Martens

Dank u, Laura Neys – Een State of the Union in ABA-vorm

Op de openingsavond van het TheaterFestival sprak Jan Martens de State of the Union uit. Via zijn persoonlijke zoektocht naar (h)erkenning en zijn parcours als choreograaf vertelt hij over het belang van grenzen durven aangeven en verzet hij zich tegen de ‘totale overgave’ die sommige theatermakers en choreografen vereisen. Lees hieronder zijn volledige speech.

A

2017, Leuven.

Bij fABULEUS houden we auditieworkshops voor PASSING THE BECHDEL TEST, een productie waarvoor ik op zoek ben naar vrouwelijke of transgender jongeren die zich thuis voelen onder het label queer, om samen een canon van alternatieve, vrouwelijke teksten te ontginnen. Met elke jongere houden we een kort individueel gesprek, om te peilen naar gevoelens, persoonlijkheid, motivatie om mee te doen. Het meisje dat voor me zit zegt: “Ik zag de flyer voor de workshop en het thema sprak mij aan, ik ben het thema, ik wil mensen zoals ik ontmoeten, ik wil er over kunnen praten, op school ben ik het enige lesbische meisje.” Ik vraag haar of het een grote school is. Ze zegt “ja, met iets meer dan duizend zijn we.”

2001, Antwerpen

Tijdens mijn laatste jaar middelbaar onderwijs dwingt onze leerkracht Nederlands ons om vijf voorstellingen te gaan kijken. Mijn eerste lief neemt me mee naar deSingel, naar As Long As The World Needs A Warriors Soul. Fabre’s werk overdondert me compleet. Ik zie mensen diep gaan, grenzen opzoeken, totale overgave. Ik zie performers die vanzelfsprekend hun lichaam bewonen, alsof ze na jaren hard werken lichaam en geest hebben geoptimaliseerd om zich zo helder mogelijk uit te kunnen drukken. Wat ik zie is het tegenovergestelde van wat in mij huist: schaamte, onzekerheid, een gevoel van niet verbonden te zijn met mijn lichaam en mijn omgeving. In Beveren, het dorp waar ik opgroei, is homoseksualiteit onzichtbaar. Op Canvas kijk ik s’avonds laat stiekem series als Six Feet Under en Queer as Folk, eerste ontmoetingen met weliswaar fictieve homoseksuele personages.

Ook muziek biedt troost. Tori Amos en Kate Bush on repeat.

“Ik wilde niet dat je wist dat ik al op mijn negende of tiende ondervond wat neerslachtigheid en wanhoop betekenden, dat ik door die gevoelens vroeg oud was geworden, dat ik elke ochtend wakker werd met deze vragen in mijn hoofd: Waarom was ik wie ik was? Waarom was ik geboren met dat verlangen naar andere jongens en niet naar meisjes, zoals mijn vader en mijn broers? Waarom was ik niet iemand anders?“ Zo helder en schrijnend schrijft Édouard Louis het neer, rechtstreeks gericht aan zijn moeder in zijn recente Strijd en Metamorfose van een vrouw.

Maar op dat moment zit mijn worstelende 17-jarige ik dus vooraan in de Rode Zaal van deSingel, met naakte dansers en versterkte gitaren vlak voor me, en er vindt een zeer aangename vorm van kortsluiting plaats, er komt iets in mij tot besef, één of andere Messias daalt neer en zegt: de wereld is groter dan hij lijkt.

Het zijn de eerste jaren van het internet, informatie is makkelijk te vinden, ik bots op video’s van het werk van Anne Teresa De Keersmaeker en opnieuw een coup de foudre: het verwarrende onbegrip dat mathematiek je zo diep kan raken.

Bovendien blijkt het dat het een beroep is, danser zijn, dat je met kunst je brood kan verdienen. Ik ben weg van dansen maar het feit dat het erop lijkt dat die kunstensector een veilige plek is waar ik mezelf kan zijn, is voor mij een belangrijke factor om me in die richting te begeven.

2003, Tilburg

Wanneer ik mijn professionele dansopleiding begin, vraagt de balletleraar of we een concreet toekomstperspectief hebben van waar we in het werkveld terecht willen komen. Ik antwoord: “bij Jan Fabre.” Die totale overgave leek me toen nog steeds iets ultiem. Ik denk dat dat kwam omdat ik als 17-jarige mijn seksualiteit onmogelijk had kunnen accepteren, ik kon me op dat vlak simpelweg niet overgeven. Vier jaar later doe ik auditie voor Fabre, hier in huis. Na twee rondes lig ik eruit, ergens ontgoocheld, en ergens voelend dat het niet de juiste plek voor me is.

Opgroeien is niet rechtlijnig, het is een warrig en verwarrend proces dat levenslang doorgaat, als mens zowel als kunstenaar. Je wordt verliefd, je wordt ontgoocheld, je raakt gefrustreerd. Je toekomstplannen veranderen, je ambities, je smaken. Een held valt van zijn voetstuk of werk waar je eerder nooit de waarde van inzag raakt je plots diep. Je zoekt je plek. Je wil er één opeisen en even later twijfel je of je daar wel recht op hebt. Het ene moment wil je je uitspreken over dingen die je belangrijk vindt. Het andere moment wil je de blik naar binnen, de studio in, verdiepen, gewoon met je mensen werken, niets meer dan dat, omdat het echte werk daar gebeurt: tijdens het proces.

Als we artistiek werk beoordelen hebben we het vaak over vorm en inhoud. Mijn kunstenaarschap ontstaat door te zoeken naar het samenvallen van vorm, inhoud en proces. Die drie zijn voor mij onlosmakelijk verbonden. Het is ook daarom dat ik voor een carrière als choreograaf gekozen heb: ik hou van het sociale aspect dat plaatsvindt tijdens een creatie. Het feit dat je voor enkele maanden een mini-maatschappij vormt waarin iedereen op elkaar ingespeeld raakt, zorg draagt voor elkaar. Sociaal artistiek werk is alle artistiek werk waarbij mensen betrokken zijn. Al mijn werk is sociaal artistiek werk.

Zo wordt PASSING THE BECHDEL TEST bijvoorbeeld niet alleen een poging om een andere canon zichtbaar te maken voor een breder publiek, maar laat de gekozen werkmethodiek de jonge queer spelers ook door een proces van herkenning en erkenning gaan. Waar het in het begin van dat werkproces ging over het ontdekken van oude en nieuwe rolmodellen nemen de jongeren naarmate de maanden vorderen steeds meer zelf die rol in. Ze beseffen dat ze midden in de wereld kunnen staan. Dat het, door hun plek op toneel op te eisen, ook makkelijker wordt om dat in het dagelijkse leven te doen.

Het probleem met de snelheid waarmee we leven is dat belangrijke thema’s snel overvleugeld worden door nieuwe al even belangrijke thema’s en dat het voorgaande naar de achtergrond verdwijnt. Soms moet je op dezelfde nagel blijven kloppen.

We hebben het vaak over de voorbeeldfunctie die onze sector kan innemen. We hebben het over het creëren van inclusieve ruimtes, waarin iedereen veilig kan zijn. Dat was misschien wel mijn grootste ontgoocheling toen ik toegang vond tot deze sector: dat het niet altijd de safe space blijkt te zijn die ik dacht dat het onvoorwaardelijk was. Na de getuigenissen door enkele medewerkers van Fabre over zijn machts- en ander misbruik, sprak ik een aantal andere medewerkers die zeiden: “Ik snap het niet, ik heb persoonlijk nooit last gehad van hem.” Ik ben gelukkiglijk (nog) nooit persoonlijk in elkaar geslagen vanwege mijn seksuele geaardheid, maar what the hell happened to empathie? Kunnen we onze eigen ervaringen of niet-ervaringen niet linken aan overduidelijke structurele pijnpunten?

Of een ander statement: “Je moet de kunstenaar van zijn werk kunnen scheiden.” Maar een werkproces verbindt die twee wel degelijk. De manier waarop een schilder haar laagjes verf aanbrengt, de technieken die ze zich daarvoor heeft eigen gemaakt, die bepalen en maken het eindproduct.

Ik kan nu, jaren later, beter benoemen wat ik toen ergens aanvoelde op die auditie. De overgave waar ik naar zocht werd afgedwongen. En exact dat is volgens mij het pijnpunt, en lang niet alleen bij Fabre. Ook bij andere makers, en ook sommige kunstopleidingen staan er nog bol van: het summum van gedwongen overgave. Geef je over. Geef je aan mij. Oorlogstermen zijn het: Surrender. Capitulatie.

Aan dansers, acteurs, performers, studenten in de kunstopleidingen zeg ik: geef je niet over. Blijf te allen tijde jezelf. Blijf te allen tijde van jezelf. Zoek en vind het verschil tussen overgave en voluit gaan. Geef je niet over aan regisseurs of choreografen, maar zoek zelf je grenzen op. Spelers: Geef aan als het teveel is. Makers: Creëer ruimte zodat spelers aan kunnen geven dat het teveel is. Overgave is belangrijk, je raakt er mensen mee, maar gedwongen overgave, nee, ça ne marche pas.

We zijn gebaat bij dansers en spelers die hun mond opentrekken en/of wantoestanden aankaarten. Die de dingen in vraag stellen, hun aarzeling uiten, “Time-out” of “Nee” zeggen. Daar worden we een betere, juistere sector door. Verwelkom dus spelers en medewerkers die dat doen, niet alleen inhoudelijk over je werk of methodiek, maar ook over hoe de dingen intern geregeld zijn. Maak hen bewust van een CAO en dat een reisdag ook betaald moet worden. Zorg dat ze bij andere werkgevers gelijkaardige voorwaarden onderhandelen. Zorg dat ze weten waar ze voor wat kunnen aankloppen. Zorg dat er informatie te vinden is over het kunstenaarsstatuut en subsidiemogelijkheden, in as many different languages as possible.

Maak hen sterker.

© Tina Herbots

B

Er is veel waar ik over wou spreken maar waar ik de tijd niet voor heb.

> Over dat ik tijdens mijn eerste job in de kunstensector honderden keren in cc’s en gemeenschapscentra voor peuters danste, een diversiteit aan minimensen die ik later in hun volwassen versie in de zalen niet meer zal tegenkomen.

> Over dat ik vind dat je moet maken wat je wil maken, maar steeds het of een publiek indachtig. Zonder een authentieke wil om op de meest laag- of hoogdrempelige manier een publiek voor je te winnen, of het nu door verleiding, humor, abstractie of provocatie is, don’t bother the effort.

> Over dat ik niet geloof dat we de eerstkomende jaren een groei van middelen gaan kunnen bewerkstelligen.

> Over dat ik bijgevolg voor een radicale herverdeling van middelen ben.

> Over dat de groten ruimte moeten maken voor andere stemmen omdat de mogelijkheid tot groei die zij hebben meegemaakt er simpelweg niet meer is.

> Over dat iedereen niet meer of niet minder dan de CAO zou moeten verdienen.

> Over het verschil tussen comfort en luxe. Dat je in een solidair veld geen aanspraak kan maken op luxe zolang er organisaties zijn die tot op het bot onder hun tandvlees zitten, en ook daarna niet.

> Over de vraag waarom continue economische groei zo ingebakken zit in ons systeem.

> Over dat ik me afvraag of er ooit een punt gaat komen waarop ik ga zeggen: “Dit subsidiebedrag is voldoende. Los van wat indexering van de lonen hoeft er niks meer bij.” Of: “Ik wil de komende 5 jaar maar om de 2 jaar iets maken in plaats van ieder jaar. Dus laten we dit keer een kwart minder aanvragen.”

> Over de complexe relatie tussen het geloof in je eigen unieke signatuur en bestaansrecht enerzijds en een bewustzijn van je vervangbaarheid anderzijds. Dat als ik mijn plek verlaat, iemand anders zal instromen en iets fantastisch met “mijn” geld zal doen.

> Over de nood aan verdiepen, specialiseren en niet cumuleren. Er zijn zo weinig plekjes, neem er dan geen twee of drie of zes in. Talent genoeg.

> Over ons choreografisch platform GRIP waar meerdere makers een thuis vinden en de organisatie dragen en waar we sterk geloven in gedeelde waarden en middelen. Ja aan meer organisaties die dat doen. Verenig u.

> Over toekomstvisioenen van spelers- en dansersensembles waarin niet een gedeelde opleiding, techniek of zienswijze het grondbeginsel is, maar diversiteit.

> Over dat het me razend maakt als een journalist zijn recensie over Fabres werk dat vorige maand nog tijdens de Biënnale van Venetië te zien was gortdroog afsluit met: “Hopelijk binnenkort ook eens in België te zien.” Over wat je dan negeert en wat je in stand houdt. De verpletterende verantwoordelijkheid daarvan.

> Over weinig hoopvolle dingen die gebeuren in begijnhofkerken en China en Afghanistan en achter microfoons die per ongeluk nog openstaan en over de moeilijkheid of onmogelijkheid om je werk in die optiek als constructief te zien.

> Over dat ondanks die donkere gedachten en het feit dat we als kunstenaar dan misschien wel vervangbaar zijn, het ongemeen helder blijft dat onze sector dat hoegenaamd niet is.

© TIna Herbots

A

2021, Vlaams Parlement Brussel.

Gisteren zijn de nieuwe eindtermen voor de tweede graad in het secundair onderwijs van start gegaan. Ze werden begin dit jaar goedgekeurd door het Vlaams Parlement. In die nieuwe eindtermen wordt, aldus vrt.nws, “meer aandacht besteed aan wetenschappen, techniek, wiskunde, digitale en financiële competenties, ondernemingszin en burgerschap.” Toen Ben Weyts in het parlement vragen kreeg over de plaats van kunst en cultuur in ons onderwijs, antwoordde hij: “Het is een zero-sum game. De onderwijstijd is wat hij is. Dat wil zeggen dat, als je aan het ene meer aandacht wilt geven, je aan het andere minder aandacht moet geven.” Einde citaat.

Enkele jaren eerder besliste de Vlaamse regering al dat openbare bibliotheken en cultuurcentra onder de autonomie van het lokale bestuur vielen waardoor middelen ongeoormerkt in het gemeentefonds verdwenen en de verplichting om een bibliotheek of cultuurwerking te organiseren werd afgeschaft. Ook tijdens de pandemie werd duidelijk dat cultuur en essentiëel nooit in zinsverband met elkaar staan.

 2021, Beveren.

In het dorp waar ik, na 20 jaar elders gewoond te hebben, ben teruggekeerd, hangen de regenboogvlaggen veelvuldig aan de gevels. Zelfs het gemeentehuis heeft een exemplaar van recordgrootte aangekocht. Een paar dagen eerder werd door drie jongeren de homoseksuele David Polfliet vermoord.

Op het VRTnieuws, voorgezeten door Wim De Vilder (hoe voelt dat, als homoseksueel nieuwsanker neutraal een homofobe moord aankondigen?), zie ik een reportage over een school in Beveren waar een leerkracht een groepsgesprek over het gebeurde begeleidt. Voor de camera zegt de 17-jarige Laura Neys over dat gesprek: “Ik denk dat dat ook al in de lagere school moet gebeuren, want de eerste les die we er nu over hebben gekregen was in het vierde middelbaar. Dat vind ik al superlaat omdat de meesten dan hun ideeën wel al hebben vastgelegd.”

Ik zeg: dank u, Laura Neys, voor dat mooi idee voor de eindtermen lager onderwijs, en vraag me af of er iemand is die haar woorden noteert.

Afsluiten doe ik met woorden van Ursula K. LeGuin, zowel in het Engels als het Nederlands:

 “All of us have to learn how to invent our lives, make them up, imagine them. We need to be taught these skills; we need guides to show us how. Without them, our lives get made up for us by other people.

Human beings have always joined in groups to imagine how best to live and help one another carry out the plan. The essential function of human community is to arrive at some agreement on what we need, what life ought to be, what we want our children to learn, and then to collaborate in learning and teaching so that we and they can go on the way we think is the right way.”

“We moeten allemaal leren hoe we ons leven moeten uitvinden, verzinnen, verbeelden. We moeten deze vaardigheden aangeleerd krijgen; we hebben gidsen nodig die ons laten zien hoe dat moet. Zonder hen wordt ons leven door andere mensen voor ons verzonnen.

Mensen hebben zich altijd in groepen verenigd om te bedenken hoe zij het beste kunnen leven en om elkaar te helpen bij de uitvoering van dat plan. De essentiële functie van de menselijke gemeenschap is overeenstemming te bereiken over wat wij nodig hebben, over hoe het leven zou moeten zijn en over wat wij willen dat onze kinderen leren, om dan samen te werken bij het leren en onderwijzen, zodat wij en zij verder kunnen gaan op de weg die volgens ons de juiste weg is.”Dank aan Kathleen Treier voor de uitnodiging en het vertrouwen

Voor nuancering, structurering en verdieping dank ik Klaartje Oerlemans, Carolina Maciel de França, Rudi Meulemans, Ilse Ghekiere en Joris van Oosterwijk. Voor de vertaling naar het Engels, die online te vinden is, dank ik Naomi Gibson.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

statement
Leestijd 9 — 12 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!