‘Groenten uit Balen’ (KNS) – Foto Luc Reusens

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 8 — 11 minuten

Stad en Theater: Antwerpen

De val van Antwerpen

In ons ‘tasten’ om de Antwerpse theaterrealiteit te vatten, stootten we op meerdere problemen. Allereerst : de moeilijkheid het onderzoeksobject te omschrijven ; de theaterveelheid die Antwerpen ons toont is nergens gestructureerd. Nergens ook vind je wetenschappelijk materiaal of theoretische steunpunten die een analyse ruggegraat zouden kunnen geven. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de stand van ons theateronderzoek. Op alle niveaus. Toch schrijven we hier onze poging tot portret, wetende dat we niet volledig zullen zijn, noch in veldbreedte, noch in diepgang. We kozen voor een verslag in twee delen: enerzijds een geannoteerde lijst van de Antwerpse theateractiviteiten, waarin we een beeld van die enorme veelheid willen geven; anderzijds drie subjectieve verhalen, omdat een objectiverend synthese-verslag voorlopig onmogelijk bleek. Drie redacteurs van Etcetera kozen uit het grote portret, die trekken –positieve of negatieve — waarop zij persoonlijk wilden ingaan. De drie invalshoeken zijn verschillend: Paul De Bruyne is ‘inwijkeling’, sinds enkele jaren woonachtig in Antwerpen; Klaas Tindemans komt uit Antwerpens randstad en Marianne Van Kerkhoven is Antwerpse. Van ‘pagadder’ tot ‘sinjoor’ : drie relaties tot een stad.

Geen enkele Vlaamse stad beschikt over zo’n veelheid van theaterbedrijvigheden als Antwerpen: de lijst die kan worden opgemaakt van professionele en semi-professionele groepen, van receptieve en pedagogische instellingen binnen het theaterveld is schier onuitputtelijk. Nochtans kan men in deze veelheid op dit moment geen enkele groep aanduiden van wie een echt vernieuwende impuls uitgaat, tenzij bij de marginalen of gemarginaliseerden die men allang niet meer typisch Antwerps kan noemen, zoals Jan Fabre bij voorbeeld.

Elke stad heeft haar cultureel klimaat, haar wortels, haar geschiedenis in beleid en publiek. In een poging dit culturele karakter of beter nog, die verhouding die Antwerpen heeft met zijn theater te omschrijven, stuiten we onvermijdelijk op het feit – en we willen in onze blik-naar-achter voorlopig slechts teruggaan tot WO II – dat het culturele beleid in Antwerpen steeds in socialistische handen is geweest ; niet alleen heeft Antwerpen sinds de bevrijding altijd een socialistische burgemeester gehad in een onafgebroken (B)SP-CVP-coalitie, maar ook werd het departement van ‘Schone Kunsten’ steeds door (B)SPers bestuurd, achtereenvolgens: John Wilms, Jos Van Elewijck (een van de geestelijke vaders van het theaterdecreet), Leona Detiège en nu Bob Cools, want sinds de fusie der gemeenten is de burgemeester zélf verantwoordelijk voor het departement van cultuur. Ook de opeenvolgende directies van de grootste Antwerpse schouwburg, de KNS, waren steeds van socialistischen huize: Firmin Mortier, Bert Van Kerkhoven, Lode Verstraete en nu Domien De Gruyter.

De cultuur van de socialisten

Men vraagt zich hierbij dan ook af of zich in een dergelijke monopoliesituatie niet zoiets als ‘een socialistisch cultuurbeleid’ heeft kunnen vestigen en waarmaken. Bestaat dat dan, een ‘socialistisch cultuurbeleid’? De internationale arbeidersbeweging, zowel socialistisch als communistisch van inspiratie, heeft nooit een prioritaire belangstelling gehad voor cultuur. België/Vlaanderen is daarop geen uitzondering, integendeel: het aantal theoretici dat de arbeidersbeweging voortbracht was zeer beperkt en de geschriften over cultuur zijn bij ons bijna op één hand te tellen : enkele teksten van Jules Destrée, Emile Vandervelde en Hendrik De Man; en, in Nederland, van Henriëtte Roland Holst, Herman Gorter en Adema Van Scheltema. En ook nù zien we geen grote persoonlijkheden opstaan die in daden en geschriften vorm geven aan een culturele visie in socialistisch perspectief. Politiek gezien heeft het socialisme in zijn opkomende fase wel een aantal talentrijke voormannen aangetrokken en/of voortgebracht, maar de Huysmansen en de Craeybeckxen (Craeybeckx was o.m. de man die het Middelheimmuseum realiseerde), d.w.z. politici die ook een culturele background en belangstelling hadden, blijken reeds lang tot het verleden te behoren. In de plaats daarvan heeft zich binnen het Antwerpse beleid een gezapige, gezellige sfeer genesteld: iedereen kent iedereen en dit schouderklopjes-contact belet elke reële kritiek. Het is er zo gezellig dat men tot op het hoogste niveau van het Stadhuis het zuiverste Antwerps hoort ‘klappen’. Voeg daarbij een goeie dosis Antwerps chauvinisme – overblijfsel van die trotse stede die in 1585 met geweld ten val werd gebracht– en je hebt het perfecte milieu om elke harde, professionele, uitsluitend op kwalitatieve normen gebaseerde aanpak van de cultuur te verhinderen. Het Antwerpse culturele klimaat komt op je over als provinciaal, zelfgenoegzaam zelfs, gesloten, op zich zelf teruggeworpen.

Deze subjectieve benadering van de culturele werkelijkheid van deze stad, dit harde oordeel er over uitgesproken, wordt niet ingegeven door een ander chauvinisme gevoed vanuit Gent, Brugge of Leuven, maar vanuit het gevoel van iemand die – geboren en getogen Antwerpenaar, opgegroeid in de schaduw van het Antwerpse theaterleven – steeds met veel bewondering en liefde heeft opgekeken naar deze stad en haar culturele verwezenlijkingen, maar uiteindelijk, vanuit een langdurige confrontatie met het hierboven beschreven culturele klimaat, bewust is geworden dat het anders kan en moéten beslist heeft die stad te verlaten. Terugkijken vanop afstand dus, maar mét pijn.

En toch blijft het allemaal paradoxaal : aan de ene kant voel je een verwaterd socialisme met een nog sterker verminderde aandacht voor cultuur en aan de andere kant stel je vast dat het budget voor cultuur alleen, in Antwerpen 3,93% van de globale stadsbegroting bedraagt, een percentage dat vér, vér boven het rijksgemiddelde uitstijgt. Voor het seizoen 1983-84 paste de stad voor KNS en KJT —het gebouw van de stadsschouwburg en zijn technisch personeel inbegrepen— respectievelijk 83.385.000 en 56.357.000 fr. bij; voor het MKT, een vroeger gemeentelijk theatertje dat door de fusie het statuut van stadstheater kreeg, nog eens 3.878.000 fr. Dat zijn geen kleine sommen of kleine inspanningen meer. Ze staan echter geenszins in verhouding tot de artistieke prestaties. Er werd —nogmaals met grote financiële inspanningen — een mastodont van een stadsschouwburg neergeplant, midden in de stad: architecturaal, aan de buitenkant gezien, een verschrikking voor de onschuldige voorbijganger; van binnen, theatertechnisch, de best geoutilleerde schouwburg van West-Europa. Er komt alleen geen volk naar toe en de afwezigen hebben in dit geval meestal gelijk. En wat doet het stadsbestuur tegenover deze enorme discrepantie tussen de betekenis van het gebouw en de prestaties die erin geleverd worden? In naam van de niet-inmenging in artistieke aangelegenheden herbenoemt het Domien De Gruyter voor de komende drie jaar en zal het (vage) inspanningen m.b.t. de promotie ondernemen. Het ontvlucht hiermee de realiteit dat deze absolute eerbiediging van de artistieke vrijheid ondertussen tot een huizenhoog economisch probleem geworden is : want de recettes gaan in dalende lijn en de staat vermindert zijn subsidie, maar de stad… zij paste bij.

Maar dé stad —op cultureel vlak bekeken— wie is dat dan? Is dat het college, dus de verantwoordelijke, in dit geval de burgemeester zelf? Of is dat de driewekelijks vergaderende gemeenteraad of zijn culturele commissie, die een uurtje daarvóór vergadert onder voorzitterschap van diezelfde burgemeester? Of is dat de culturele raad met zijn 883 aangesloten verenigingen verdeeld in 18 strekkingen ? Of is dat de zesde directie, het uitvoerend orgaan van zowel de burgemeester in zijn hoedanigheid van schepen van cultuur als van de schepen van sport en feesten? Of is het de centrale schouwburgdienst die de financiële verrichtingen op de voet volgt? Je krijgt de indruk dat de culturele macht m.b.t. de theaters eigenlijk nergens gelokaliseerd kan worden en dat daarom alles zijn gangetje gaat en zelfs onopgemerkt naar een catastrofe kan leiden.

Tekens aan de wand

Wie voeling heeft met deze stad en met het leven van haar theaters ziet nochtans duidelijke seinen, tekens die erop wijzen dat de geslotenheid en de alleen-oog- voor-zich-zelf-mentaliteit een indringende en ondergravende realiteit zijn geworden. Ik noem slechts enkele van deze tekens :
1. Antwerpen schijnt als theaterstad in haar receptieve functie volledig te kort te schieten. Het presenteren van een buitenlandse —of zelfs van een niet-Antwerpse of een niet-door-Antwerpenaren-al-jaren-gekende groep is in deze stad nog steeds een zeer groot probleem m.b.t. de publiekswerving: een organisatie als Open Theater heeft er haar kop op gebroken; de keuze van de Nederlandse en Vlaamse gastvoorstellingen in de stadsschouwburg ligt in de handen van de KNS-directie; de stadsschouwburg heeft officieel een intendant, maar wat doet die eigenlijk? Op een festival als het Kaaitheater ontmoet je welgeteld twee Antwerpse theatermensen. Op dit moment schijnt alleen De Singel o.m. via de SSST-werking en ten koste van veel inspanningen een beetje voet aan de receptieve grond te krijgen.

2. Marginale en experimentele groepen en/of projecten zoals Jan Fabre, het Epigonentheater zlv, Guy Cassiers enz., vinden in de Antwerpse bodem blijkbaar onvoldoende voedsel; ze zoeken elders naar uitwegen en speelmogelijkheden; het worden ‘vluchtelingen’ die wellicht nooit weerkeren. Ook een vorige generatie van ‘spelbrekers’, zoals het Kollektief en De Mannen van den Dam hebben zich nooit in het Antwerpse theater willen of kunnen integreren; HTP week uit naar Brussel.

Tenslotte is er die ongehoorde groei van het ‘nieuwe volkstheater’, het theater voor de Antwerpenaar, dat hem terugplaatst in die gezellige sfeer van zijn eigen problemen, meestal uitgedrukt in zijn eigen dialect, met kleine verwijzingetjes naar de actualiteit, maar zonder een wereld open te trekken. Het heelal vanuit het zoldervenster. Ik denk hierbij niet alleen aan de bloei van nieuwe initiatieven als het Echt Antwaarps Theater en het Antwerps Amusementstheater, maar vooral aan het repertoire van groepen als het EWT, het Fakkel- en het Meirteater, de KNS met Op Marode en Groenten uit Balen, het RVT en zelfs het Raamtheater met Pak ‘m Stanzi. Als we ergens van een ‘Antwerps theater’ kunnen spreken, dan is het dat, met een repertoire, groeiend van een Turks Bad tot een Caraïbische Zee. En dit soort Antwerps theater trekt wél volk.

Getuige

Heeft Antwerpen dan het theater dat het verdient ? Is er iets mis met het Antwerpse publiek? Nu? Of is dat altijd zo geweest? Met deze vragen stapten we o.m. naar iemand die een lang-lange getuige is geweest en nóg is van de Antwerpse culturele verwachtingen en van de teleurstellingen toen die verwachtingen niet werden gerealiseerd : Ger Schmook, voormalig conservator van het AMVC, die bij dit alles realist gebleven is. Over het publiek zegt hij: “Ons publiek hier in Antwerpen is archi-slecht. Men neemt mij dat kwalijk, als ik dat zeg, maar ons publiek is er een van welgezeten middenstanders en dat gaat over van ouders op kinderen. Ze willen geen vernieuwing. Nieuwe dingen zijn hier altijd laat gekomen. Het heeft lang geduurd voor Heyermans hier werd opgevoerd, en dat gebeurde dan nog eerst door de toneelafdeling van de diamantbewerkersbond. Ook Ibsen is hier héél laat gekomen. De artiesten en de intellectuelen, zoals een Pol De Mont, die waren wel bij, maar ze werden niet gevolgd. Nochtans hebben de oorlogen bressen geslagen in de mogelijkheden van het opnemen van vreemde invloeden, maar die werden dan weer niet voldoende gerelativeerd. Soms heb je het gevoel dat er iets zieks is in ons volk. En bovendien is onze toeschouwersgemeenschap zo klein. Wij zijn hier geen miljoenenstad; schouwburgen kunnen zich niet specialiseren in genres en toch heeft een directie in de complexiteit van onze samenleving de plicht te laten zien welke soorten van theater er bestaan; ook vreemde groepen zouden in dat kader een kans moeten krijgen.”

Over de toneelauteurs zegt hij: “Dat wij zo weinig toneelschrijvers hebben, dat komt omdat we geen dialoog hebben. Mensen beginnen te schrijven zonder de geschiedenis van het toneel gelezen te hebben zonder de geschiedenis van de schrijvers te kennen, zonder hun stiel te kennen en dat is een gevaar.”

Over de acteurs zegt hij: “Bij de toneelspelers is er die officialisering van het ambt gekomen; ze spelen niet meer omwille van de roeping, maar in functie van het ambt. Het geappliceerde spelen is verminderd met het theaterdecreet. De zekerheid van het bestaan heeft bij die spelers, die minder beroepskarakter hadden, de indruk gewekt van ‘j’y suis, j’y reste’. En dat is een gevaar. Er zou een cultuur van het geweten moeten ontstaan, een bewustzijn van de waardigheid van de mens. Maar dat zal moeilijk te bereiken zijn, in deze tijd van excessen. Men verliest er de wind bij. En de politisering van de cultuur bij ons, is een ramp. Daar gaan wij al tweehonderd jaar aan dood.”

Over het algemene culturele klimaat zegt hij: “Onze cultuurloosheid is nog steeds zeer groot. We hebben een achterstand van twee, drie eeuwen in te lopen en daar slagen wij niet in. Na WO I waren we aan het groeien, met Paul Van Ostayen en zo, maar de grote massa is niet gevolgd. We hebben hier nog steeds geen grote leesfähigkeit, zoals in Nederland; ook geen grote positieve schrijflustigheid en een zeer klein begrip van onze werkelijke positieve historiciteit. Dat ligt aan de geschiedenis, maar we hebben niet ingelopen wat we hadden gekund. Natuurlijk hebben we in onze geschiedenis tegenslag gehad; heel onze culturele evolutie is getekend door tegenslagen en bezettingen. 1585, de val van Antwerpen en 1648, de vrede van Munster, dat zijn onze twee grote historische tegenslagen geweest.”

En die zijn we nog steeds niet te boven gekomen… Morgen 1985, vier eeuwen na de val van Antwerpen. Als we de mogelijkheden van deze stad bekijken, de rijkdom van de geschiedenis die ze achter zich heeft, de continueringsopdracht die ze voor zich heeft, haar plaats in Vlaanderen, haar haven open op de wereld, dan kunnen we alleen maar weigeren te geloven dat dit culturele klimaat eens en voor altijd gefixeerd zou zijn.

Marianne Van Kerkhoven

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).