‘Een lied van leven en liefde, een reis in de winter’ (werkvoorstelling H. I. D.K.)

Paul De Bruyne

Leestijd 6 — 9 minuten

Stad en Theater: Antwerpen

Zij willen het nie weten nie.

Antwerpen is een aardige middelkleine stad. Geen nest en ook geen grootstad. Met haar slordig half miljoen inwoners is ze net groot genoeg om duizend verschillende hoekjes te verbergen en net klein genoeg om ‘jouw stad’ te worden. Aardig is Antwerpen vooral omdat de plek ontsnapt aan het sluipende provincialisme door twee bijzondere kenmerken. Er is de haven waar je het zout uit de zee riekt. De internationale toets die er van uitgaat is onmiskenbaar en aangenaam. De wijde wereld ligt vlak om de hoek, ruikbaar en hoorbaar in het water. De tweede permanente behoeder voor een gesloten stadsbeeld is de ultraorthodoxe joodse gemeenschap in Antwerpen. Naar verluidt de tweede grootste van de wereld. Vooral de mannetjes in zwarte pakken, witte kniekousen en zwarte hoeden met lange tressen haar daarvanonderuit kunnen je elke dag een cultuurschok geven. De vanzelfsprekendheid waarmee een totaal ander cultureel patroon zich aanwezig toont doet nadenken over de eigen levenspremissen, -doelen en -stijl. Antwerpen is een aardige middelkleine stad waar bovendien een sterk uitgaansleven bloeit. Er schijnt zoiets te bestaan als een profiel van ‘de’ Antwerpenaar en daarin scoren de woorden ‘extrovert, chauvinistisch en levensgenieter’ hoog. In zo’n stad moet het toch goed gaan met het theater?

Een slecht mens

De meest prestigieuze toneelschool van België, Studio Herman Teirlinck, geeft in inversie een duidelijk beeld van de Antwerpse theatersituatie. Directeur Fons Goris en een veel te groot en vooral te disparaat docentenkorps leveren keer op keer irriterende theaterprodukties af. Nochtans ogen de voorstellingen in de Studio altijd modieus. De studenten mogen allemaal een liedje zingen, solo de spots halen of anderzijds in de kijker lopen. Ze mogen mooi zijn in de voorstelling, sexy en uitdagend. De esthetiek die hier beoefend wordt is die van het reclamefilmpje. Het produkt dat wordt aangeprezen is, in dit geval, de jonge acteur of actrice zelf. Informatie is hier afwezig, seductie staat centraal. Vooral met regisseur François Beukelaers is de kans groot dat de kassa rinkelt. (In de zaal zitten de theaterdirecteurs met contracten in de binnenzak.)

Maar Jezus (retorische uitroep), wat heeft dit soort acteren en ensceneren met een theatraal onderzoek van de werkelijkheid te maken? Waarom moet een school zijn studenten tot domheid opleiden? Thematisch onderzoek (en dramaturgisch vooronderzoek, wat ermee samenhangt) is afwezig in deze voorstellingen. Alles hangt aan elkaar van louter sfeertjes. Dat een voorstelling een plaats is waar in de openbaarheid de meest intieme en de maatschappelijke gevoeligheden worden getoond en besproken met de toeschouwer, is niet geweten.

De ontegensprekelijke plastische kwaliteiten van de Studio-voorstellingen worden nooit meer dan versiersels. Scenografie als voorwaardescheppend element voor betekenisproduktie is ongekend. Het soort scenografisch vernuft dat een verhouding van regisseur en acteur tot de stof letterlijk ruimte geeft en in zoveel theater van vandaag de echte vernieuwing betekent, is afwezig.

Acteren in de Studio is tonen dat je lef hebt, dat je kunt zingen en soepel bewegen. Een puur fysieke activiteit dus die bovendien erg genormeerd is in wat er esthetisch hoort en niet hoort. Denken, analyseren, opvattingen ontwikkelen door de acteur met betrekking tot zijn eigen aanwezigheid en tot de tekst is er op geen enkele manier bij.

De voorstellingen in de Studio zijn dan ook zo vluchtig als ether. Hier moet de toeschouwer een slecht mens worden. Een voyeur tweehonderd procent. Een consument die de zoetigheid snel binnen wil halen. Een lomperik. (En van de acteurs spreek ik dan nog niet.)

Een enkele keer kan het anders. Zelfbeschuldiging van Peter Handke in een regie van Erik De Volder had alles van een goede voorstelling. Met als vertrekpunt de stekelige litanietekst van Handke toonden twee actrices wat echt theatraal onderzoek op een school kan betekenen. Zij hadden duidelijk gezocht naar de betekenis van de tekst door hem te plaatsen in verschillende concrete maatschappelijke situaties. Toch werd de valkuil van het Hoog Naturalisme kundig vermeden door allerlei a-naturalistische spelvarianten te gebruiken tot nieuwe dans toe. Het resultaat was onevenwichtig maar het leerproces was duidelijk. Hier hadden mensen gezocht om tekens te produceren die levenswaarde hebben. Hier werd niet geprobeerd iets te verkopen. Hier werd geprobeerd te spreken door een levende situatie te scheppen.

Inversie

Op het eerste gezicht lijken de public-relations-voorstellingen van de Studio in niets op wat er te zien is in het dominante Antwerpse theater. De plastische gevoeligheid bijvoorbeeld die prominent is bij de Teirlinck-boys is op een schreeuwende manier afwezig op de andere Antwerpse podia. En ook de thematische ongevoeligheid van Goris en zijn kinderen herhaalt zich niet bij KNS, Fakkel, TIL en de anderen. Integendeel, bij het dominante theater staat ‘het thema’ voorop. Een voorstelling die niet in één zin kan worden samengevat, kan geen goeie voorstelling zijn. Maar de tegenstellingen die binnen het thema kunnen worden getoond zijn altijd zowel inhoudelijk als theatraal zeer beperkt. Vrijwel nooit kun je zien dat de theatermakers de eigen ideologische en technische grenzen opzoeken. Onder het mom van de consumeerbaarheid van het produkt is het Antwerps toneel middle-of-the-road.

En hier wordt duidelijk hoe de Studio zich inversief verhoudt ten opzichte van het Antwerps beroepstheater. Inversie is een ‘omkering van de gewone orde waarbij de inhoudelijke logica niet wordt veranderd’. De gemeenschappelijke onderliggende logica is die van de verkramptheid. De theatermakers hebben zich een idee gevormd over de werkzame theatrale middelen van vandaag, hebben zich daar een publiek mee verworven en houden zich als de Zuidafrikaanse Witten krampachtig vast aan het status quo. Dat een verhouding theaterpubliek een dynamische moet zijn, dat de theatertaal elke seconde wijzigt… zij willen het nie weten nie.

Geen alternatief

Merkwaardig is dat ook in alternatief Antwerpen ‘het apartheidsdenken’ hoogtij viert. Maar de marginale groepen hebben meer excuses om vast te houden aan het eigen subcultuurtje. Een absolute veronachtzaming door de gevestigde culturele apparaten helpt niet de eigen cocon doorbreken.

Binnen de eigen thuislandjes is de semi-amateuristische alternatieve scène altijd in beweging. Soms zijn daar aardige dingen bij (Epigonen, Akt, Zwarte Sneeuw). Maar zowat altijd blijkt een adembenemend gebrek aan ambitie om iets te vertellen/laten aanvoelen van de dynamiek van de hele maatschappij. Een groep jongeren die én het eigen ‘ikje’ én de collectieve bewustzijnen én de maatschappelijke machtsverhoudingen gebruikt als evidente bronnen voor het theatrale feest bestaat niet. Typevoorbeeld daarvan is Ivo Van Hove’s Akt die er nu al vier jaar in slaagt alleen maar over incest te spelen. Het spreekt boekdelen. Dat alternatief Antwerpen zich lijkt te vermijen in het cultiveren van een soort amateurisme (spreken op stem, niet op adem; dialect spreken; stuntelig gedrag…) lijkt een logisch gevolg van het hele geborneerde wereldbeeld.

De enige marge-club in Antwerpen die én de valkuil van het veredeld amateurisme én de zelfverheerlijking van de eigen ideologische bekrompenheid probeert te ontlopen is het Gezelschap van De Witte Kraai, van Lucas Vandervost, Warre Borgmans en Sam Bogaerts. Zonder te willen suggereren dat dit Antwerps enige hoop in bange dagen is kun je bij de Witte Kraai nog veel theaterpret voor de toekomst vermoeden.

Een Witte Raaf ?

‘Het Gezelschap van De Witte Kraai’, de naam van de groep, geeft al een aardig staaltje van de aanpak. De associatie met de witte raaf ligt voor de hand. Maar door ‘de kraai’ in te voegen (‘de onheilsbode, roofzuchtig en azend op lijken’ zegt van Dale) wordt de voor de hand liggende betekenis ontwricht. En komen minder fraaie perspectieven naar boven.

Indien ergens in Antwerpen ‘het realisme/naturalisme’-debat daadwerkelijk wordt gevoerd, dan hier. De Witte Kraai is een echt researchclubje voor acteren en schrijven. Uniek vooral is dat laatste. Potentieel is Sam Bogaerts de grootse toneelschrijver in Vlaanderen van dit moment. Zijn bewerkingen van Honger (Hamsun) en Embers (Beckett) zijn meer dan slimme vertalingen. De dramatische tekstuur ervan is rijk, vol actuele pointes, goede flauwe grappen en met een aardige kundigheid de motieven te suggereren en te omcirkelen eerder dan ze direct te verwoorden.

Wat binnen De Witte Kraai de belofte ontgroeid is, is de acteerstijl. Vooral Lucas Vandervost is nu al veruit de betere acteur van zijn generatie. Hij heeft een geloofwaardig neonaturalistische speelstijl ontwikkeld die haaks staat op het expressionisme (Cassiers) of hyperrealisme (Fabre) van veel ander margetheater. Vandervost en co hebben, bijvoorbeeld, ‘de ruis’ aan het spelarsenaal toegevoegd. Tientallen kleine geluidjes zijn er alleen maar om de nietverbale theatercomponent kracht bij te zetten. Wat tussen de woorden gebeurt, wordt dank zij ‘de ruis’ beter zichtbaar en evidenter vol betekenis.

Bogaerts en de zijnen opereren binnen de traditie van het realisme omdat zij duidelijk geïnteresseerd zijn in de gedragscodes die het menselijk samenleven regelen en in de actuele verschijningsvorm daarvan. De Witte Kraai probeert röntgenfoto’s van gedrag te maken. Ze zijn op zoek naar barsten in de welvoeglijkheid, naar wreedheid achter de facade van het gewone, naar evidente leugens die een maatschappelijk systeem dragen. Het is een engagement tot authenticiteit, dat opvalt in een verder nogal doods Antwerps landschap. (Hoewel vol leven en beweging en drukte !)

Een stad

Waarom het niet goed gaat met het theater in Antwerpen ? Misschien is de zee toch te ver weg. En misschien werken de orthodoxies niet als uitdaging, maar als zelfbevestigers. En misschien heb je voor goed theater geen ‘extroverte, chauvinistische’ maar zichzelfopvretende types nodig. Wie weet.

En ongetwijfeld heeft de stad wat domme theaterbestuurders. Om nog te zwijgen van de trambestuurders en de schoonheid van het justitiepaleis, de potentie van de Vogelmarkt en de kwaliteit van de koning.

Paul De Bruyne

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Paul De Bruyne