(c) Hanne Ghekiere

Leestijd 5 — 8 minuten

Rabot II – Simon Allemeersch (Lucinda Ra)

Iets maken van wat er gebeurt

Wat is een woontoren? Een utopie, een verdienmodel, een plek van sociale bescherming? In Rabot II gaat theatermaker Simon Allemeersch, tien jaar na zijn intense ervaringen in de Gentse Rabottorens, op zoek naar de bredere betekenis van zo’n woonvorm. Maar het Rabot en zijn mensen trekken aan hem. Met Rabot II lijkt Allemeersch een voorstelling te hebben gemaakt tegen wil en dank – eentje die hij bezwoer niet te zullen maken. Dat hij dan toch door zijn eigen materiaal is overrompeld, blijkt uiteindelijk ook niet zo’n probleem.

Rabot II begint met een disclaimer, of een handleiding zo je wil, over de positie van de kunstenaar ten aanzien van zijn materiaal. Allereerst gebeurt dat ruimtelijk: centraal op de bühne staat enkel een groot scherm, links een kleine licht- en geluidsinstallatie met daarachter, bescheiden, Allemeersch zelf die de knoppen bedient. Hij lijkt even te aarzelen, typt dan met voorzichtige vingers: de letters verschijnen in oldskool groen MS-DOS-type op het scherm. Wat ontstaat aan betekenis zal Allemeersch even later ook weer deleten. Niets aan deze communicatie claimt een pontificale waarheid te zijn, elk statement is tijdelijk, efemeer. Samen met het publiek grijpt Allemeersch even iets vast, om er goed naar te kijken, en het vervolgens weer te lossen, waarbij het moment van het samen goed kijken natuurlijk cruciaal is.

De dominante rol van het scherm en de zijdelingse positie van Allemeersch op de bühne betekenen overigens niet dat hij geen rol speelt in wat er staat te gebeuren. Welke rol dat precies is illustreert Allemeersch slim via een collega: muzikant Rudy Trouvé, die de soundtrack voor Rabot II maakte, baseerde zich in zijn compositie op de akoestische realiteit van de stad. ‘Opening a window on the 16th of June 2013’, zo heet het nummer waarmee Rabot II inzet, en het is een track die Trouvé maakte op basis van wat hij hoorde toen hij, tja, op 16 juni 2013 een raam opende. Daarmee is de verhouding duidelijk, zowel voor de muzikant als voor de theatermaker: ze faciliteren de blik op de realiteit, ze “maken iets van wat er gebeurt” – wat niet hetzelfde is als zomaar tonen wat er gebeurt. Er is bij dat faciliteren geen sprake van objectiviteit. Daarvoor brengt Allemeersch zichzelf te veel in het spel, door bij momenten zijn artistieke zoektocht en zelfs zijn persoonlijke kwetsbaarheid te thematiseren.

Zie het eerder zo: de kunstenaar is een doorlaatbaar gaas, waardoorheen de realiteit wegstroomt, hier en daar brokstukken achterlatend in het artistieke net. Naar die brokstukken kunnen wij kijken.

De dramaturgie van Rabot II is opgevat als een lange brief. ‘Beste woningmaatschappij’, typt Allemeersch, en daarmee sluit hij naadloos aan bij zijn eerdere voorstelling uit 2012, waarin hij de ervaringen verwerkte van zijn langdurige onderzoeksproject in de Gentse woontorens. In 2010 trok Allemeersch in een leegstaand appartement in een van de torens, en hij bleef er bijna twee jaar, in voortdurend gesprek met de bewoners. Op dat moment was al bekend dat vanaf 2013 de drie woontorens, in lamentabele staat, zouden worden gesloopt. De voorstelling Rabot 4-358 aan het eind van die twee jaar was een poging om de bewoners ‘tekst’ te geven maar in één beweging ook een scherpe politieke aanklacht tegen het sociale woonbeleid van de stad Gent, dat volgens Allemeersch sociale ongelijkheid in stand hield of zelfs versterkte. Tien jaar nadat hij voor het eerst voet zette in een Rabottoren en zeven jaar nadat zijn eigen studio er dicht ging vat Allemeersch het plan op om de mensen van toen te bezoeken en “te kijken waar ze nu zijn”.

Hij begint eraan, met een oude smartphone als camera. Sommige voormalige bewoners zijn verhuisd, andere zijn overleden of simpelweg verdwenen. Degenen die hij terugvindt onthalen hem ook tien jaar later opvallend vaak met open armen: “Ah, kom maar binnen, manneke. Het is op het eerste verdiep.” Het zegt iets over de zorgzaamheid waarmee Allemeersch destijds het geschonken vertrouwen van ‘zijn’ bewoners heeft bewaakt. Hij drinkt koffie en geeft lang verloren voorwerpen terug. Intussen gaat, anno 2019, de betonknipper met zijn angstaanjagende tanden onverbiddelijk zijn gang met het geraamte van de derde, laatste Rabottoren.

De kunstenaar is een doorlaatbaar gaas, waardoorheen de realiteit wegstroomt.

Maar dan verschuift er iets in het werk- en denkproces. Er doet zich een probleem voor: Allemeersch beseft dat hij in tegenstelling tot de eerste keer geen ‘grond’ heeft om op te werken (geen studio, geen ruimte) en dat hij (mijn interpretatie) bezig is op een meer vrijblijvende manier het proces van tien jaar geleden over te doen. Bovendien heeft hij geen zin meer om opnieuw het verhaal van armoede en miserie te vertellen. Hij expliciteert zijn twijfels in een gesprek met José, een Luikse man waarmee hij eerder bij het Brusselse Globe Aroma samenwerkte. Rabot II moet anders. De voorstelling moet weg van het Rabot, de wereld in, de scope moet breder. En het uitgangspunt moet weg van de armoede. In plaats daarvan wordt de centrale vraag: “Wat is rijkdom?”

De eerste koerswijziging krijgt op een mooie manier vorm in de poëtische reis die Allemeersch en José ondernemen. Met een rudimentaire toren van houten latjes trekken ze van stad naar stad, om hun ‘woontoren’ tegenover andere, bestaande torens te plaatsen. In Antwerpen zijn dat de Silvertoptorens, in Gent de blokken van Nieuw-Gent, in Oostende de chique nieuwe woontorens op Oosteroever. Woontorens met verschillende statuten: te slopen (Gent), nieuw leven in te blazen (Antwerpen), te bewonderen (Oostende). Verschillende keren in de geschiedenis is zo’n toren een baken geweest van hoop en vooruitgang, een architecturale landmark om trots op te zijn, een “uitroepteken voor de rijkdom van de plek”. Ook de Rabottorens waren dat, bij hun oplevering in 1972. Ze waren een bron van trots en de beste vorm van sociale bescherming. Maar alles staat of valt met de manier waarop de buitenwereld naar de torens kijkt – de ‘blik’ op de realiteit is vaak krachtiger dan die realiteit zelf, zo vertelde ook Rabot 4-358 al. De toenmalige trots op het sociale wonen sloeg in de loop der decennia om in afkeuring en minachting. En wie het huis minacht, minacht ook haar bewoners, want “wie weet waar wonen en leven scheiden”. Een huis, zo zegt een van de blokbewoners, is als een spiegelbeeld van jezelf.

De fascinerende beelden van Allemeersch en José, struggelend met hun onhandige toren, geven Rabot II een magische dimensie, maar in het verlangen om de scope breder te trekken verliest Allemeersch zich ook in zijn materiaal. Hij knoopt aan de thematiek van de woontorens een historisch luik waarin de ontmanteling van de welvaartsstaat, de privatisering van de maan en de ideale stad van King C. Gilette (de uitvinder van de scheermesjes) een plaats krijgen. Dat is veel, en het neemt de vorm aan van een grote macropolitieke geschiedenisles, die we in Rabot 4-385 eigenlijk ook al kregen. Het voelt alsof de verleiding te groot was, en de urgentie van dat politieke verhaal (of misschien de woede daarover) de maker overmande. Maar het zorgt er in de flow van Rabot II vooral voor dat de focus versnipperd raakt.

Iets soortgelijks overkomt hem wat betreft het expliciete verlangen om het over rijkdom te hebben in plaats van over armoede: dat lijkt maar niet te lukken. De vraag naar rijkdom, naar het hebben, mondt in bijna alle gesprekken uit in een antwoord over het niet-hebben, alsof die zijde van de medaille vanzelf zwaarder doorweegt. Wanneer een jonge man in Nieuw-Gent zijn verlangen uitspreekt om met zijn zoontje naar een rustige plek te verhuizen, gaat daar een verhaal van dakloosheid en criminaliteit aan vooraf. Een oude bewoner die naar een ‘gerieflijker’ appartement is verhuisd kan niet genoeg benadrukken wat ze mist – “want er is hier niets, niets is er hier. Daar hadden we alles.” Het gebrek, het tekort neemt alsnog de bovenhand, waardoor Rabot II, misschien meer dan de bedoeling was, aanknoopt bij zijn voorganger. Opnieuw lijkt het alsof Allemeersch zijn materiaal niet in de hand heeft, het gaat met hem op de loop – getuige ook de verschillende valse eindes aan Rabot II.

Dat is, gezien de uitdrukkelijke positiebepaling bij het begin, niet zo verwonderlijk, en misschien ook niet zo erg. Een hardere en meer doelgerichte montagehand ware onnatuurlijk geweest. Allemeersch is in Rabot II meegeveerd met wat er op hem afkwam, met wat de realiteit hem dwong te vertellen (in combinatie met wat hijzelf misschien ook toch het liefst van al wilde vertellen). De realiteit is door hem heen gestroomd en er is een grote rijkdom aan materiaal blijven hangen, die het gebrek aan focus compenseert. Hij heeft “iets gemaakt van wat er gebeurt”. Dat is wat het is.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!