© Koen Broos

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

seks(e)(n) – de KOE & Mugmetdegoudentand

Faut-il cultiver son jardin? Het is deze keer niet Voltaire, maar die andere literaire grootheid, Goethe, die in Die Wahlverwandtschaften (1809) de filosofische vraag stelt en meteen ook de tuinmetafoor levert voor seks(e)(n), de meest recente voorstelling van de KOE.

Die Wahlverwandtschaften begint met het beeld van een man die stekjes ent op jonge bomen. Het cultiveren van wat natuurlijk is, staat in de roman voor het beteugelen van de menselijke passies, maar de echte wilde tuin, de innerlijke aard, laat zich niet zomaar bijknippen als een bonzaiboompje… en al evenmin laat ze zich definiëren door de taal – dat arme, ontoereikende instrument van de geest. Hoe ‘landt’ de natuur in de cultuur, in de taal? En daarmee ook in het sociale debat?

Met seks(e)(n) slaagt de KOE er opnieuw in om de onderwerpen waarover iedereen het heeft op het podium te brengen op een manier die niet eerstegraads is. Dat doet het door niet de onderwerpen zelf, maar ons spreken en denken over die onderwerpen te thematiseren. Ja, seks(e)(n) gaat inderdaad over genderverhoudingen en aanverwante zaken als appropriatie, machtsmisbruik, identiteitsreductie en representatie. Maar eerder dan daar polemische standpunten over in te nemen, legt de KOE bloot hoe wij gevangen zitten in de onmogelijkheid om over deze zaken ‘juist’ te spreken. Omdat het spreken zelf de realiteit uitholt en verplat, en er in het slechtste geval zelfs een andere realiteit naast zet, die andere doelen dient dan eerlijke communicatie.

Taal betekent natuurlijk vanzelf de reductie van een realiteit tot een teken, van een inhoud tot een vorm, een beetje zoals een wilde bloem in een tuin eerst wordt gefotografeerd en daarna weer geprint op een dessin van Dries Van Noten – het is een afbeelding van een afbeelding van een afbeelding. De vier spelers (Natali Broods, Lineke Rijxman, Peter Van den Eede, Willem de Wolf) bevinden zich – gekleed in prachtige haute couture – niet toevallig in die tuin van diezelfde Dries van Noten, of toch in een tot reuzenproporties opgeblazen versie daarvan. De half afgeblazen pluisbollen van de paardenbloem torenen als enorme bomen boven hen uit; ze krioelen ertussen als kleine diertjes zonder overzicht op het geheel.

Ik schrijf spelers, maar dat zijn ze niet meer. De vier zijn gestopt met acteren, omdat het niet langer mogelijk bleek hun beroep uit te oefenen in een maatschappelijk klimaat waarin de speler niets anders mag representeren dan zichzelf. En dus komen ze maar naar de nieuwe collectiepresentatie van Van Noten. Naar goede KOE-gewoonte wachten ze tot ‘het’ gaat beginnen, dat wat achter de spleet in het zwarte achterdoek belooft te gebeuren. De collectie van Van Noten, met de bloemenprints, heet ‘mijnenveld’ en is geïnspireerd op het thema ecologie. Als een steeds weer uitgesteld orgasme worden de vier keer op keer naar die mystieke opening gezogen – om vervolgens met een ongenadige lichtwissel terug in de realiteit van hun speelveld te belanden.

Net zoals in seks(e)(n) Van Noten het ecologische thema recupereert en reduceert tot een imagoversterkend product (en tot hapsnap afgeleide vormen als een documentaire, een teaser, een artikel, …) zijn dezelfde mechanismen aan de gang wanneer het gaat over het mijnenveld tussen de seksen. Het ‘ware voelen’ van de dingen wordt voortdurend teruggebracht tot een retorische vorm, een taalstrijd, die vooral het eigen imago dient – want betekent het dragen van de ‘ecologische’ Van Noten ook per se dat je bekommerd bent om de ecologie? Het is immers eigen aan de taal dat ze niet alleen de realiteit verplat, maar daarmee tegelijkertijd een nieuwe, op zichzelf staande realiteit creëert. Je meet jezelf zo een nieuwe identiteit aan, als je je maar bedient van het juiste jargon.

Maar daar zit hem het probleem: tussen de wereld van de woorden en de wereld zelf zit, juist ja, een opening. Hoe weten we of iemand die we als queer betitelen ook queer is – en mag je dat woord als heteronormatieve persoon wel in de mond nemen? Mag je spreken over wat je niet bent, of problematischer nog: mag je spelen wat je niet bent? En wat ben je wel of niet – bepaalt één facet van je zijn dan je hele identiteit? De ontoereikendheid van taal ten aanzien van het volle leven is een thematiek die de KOE al drie decennia lang aanpakt, maar in seks(e)(n) laat het gezelschap zijn gedachten expliciet gaan over de ‘nieuwe woorden’ die het huidige discours overheersen: intersectionaliteit, genderfluïditeit, … Het mooie is dat je voelt dat de KOEs worsteling met deze nieuwe realiteit echt is – en dat het ervoor kiest zijn eigen positie daarin te bevragen, in plaats van dan maar snel-snel een politiek correcte houding in te nemen.

En dus gaan de spelers het gesprek aan. Ze proberen op assertieve wijze (waarbij er regelmatig van kamp/kant/kont wordt gewisseld) af te dalen in de tuin van hun ‘natuurlijke aard’, om er al snel achter te komen dat de tuin, tja, een mijnenveld is. Dat daar het particuliere primeert, de ‘gevoelsterreur’ van de eigen verontwaardiging, want elk perspectief is er eentje waard. Het gezichtspunt van de bange witte man, wiens kloten het uithangt, net zozeer als dat van de queer die zich gereduceerd ziet tot haar afwijking van de norm. Wisselende versierpogingen, onverwachte outingen en hilarische groepsmasturbatie zijn pogingen om het denken daarover fysiek te maken, om het denken te doen.

Tot heldere antwoorden leidt dat uiteraard niet. Peter Van den Eede, die vindt dat hij alles mag spelen omdat hij een toneeldiploma heeft, moet op het hakblok. ‘Intertekstuele sekslul!’ bijt Rijxman hem toe, die zou lijden aan het syndroom van Gilles de la Tourette – of is dat een rol die ze zich heeft toegeëigend, om haar vrije spreken te rechtvaardigen? Willem de Wolf, die zich opwerpt als de meest ‘geëmancipeerde’ man van het stel, moet smikkelend bekennen dat hij geilt op Rijxmans witte kousen. Het hybride, fluïde gevoelsleven laat zich duidelijk niet cultiveren in mooie woorden of principes – zoals Goethe ook al wist.

Natali Broods besluit de voorstelling met een aanmaning die wél helder is – en voor de KOE ongewoon prescriptief. We besteden buitensporig veel tijd aan het ophouden van schijngestalten. Het discours rond onze identiteit is een realiteit op zich geworden, terwijl we intussen niet bezig zijn met wat echt telt: het klimaat, bijvoorbeeld. Laat ons al die ik-perspectiefjes terug in balans brengen; niet alleen in onze eigen tuin wandelen, waar onze gevoelens groots zijn en niet te relativeren, maar af en toe ook eens empathisch uitzoomen om van bovenuit te zien dat er nog andere bomen en paden zijn. Het slotbeeld van seks(e)(n) voelt aan als een onheilstijding. Het tijdperk van de dinosaurussen mag dan wel voorbij lijken, als we niet opletten vallen we zo terug in een era waarin die prehistorische monsters het opnieuw voor het zeggen hebben.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.