Ivonne Lex

Leestijd 5 — 8 minuten

Schouwburg zoekt directeur. En gezelschap.

De benoeming van een nieuwe directeur (m/v) voor de Antwerpse KNS verliep niet zonder enige heisa. Heeft men zich ook maar heel even vragen gesteld over de functie van het repertoiretheater anno vandaag, vraagt Marianne Van Kerkhoven zich af. Haar bedenkingen worden gevolgd door een interview met de nieuwe directrice. Ivonne Lex over Cools, Claus, Fabre, Rosas, Peymann, Mnouchkine, en over de KNS-erfenis.

In december jl. werd de betrekking van directeur van het KNS-gezelschap open verklaard door het Antwerpse stadsbestuur. Drie weken later moesten alle kandidaturen binnen zijn; 15 kandidaten boden zich aan, een schrale oogst. Op 4 februari werd, op voordracht van het college van burgemeester en schepenen, de aanstelling van Ivonne Lex – vanaf het seizoen 1986-87 – door de Antwerpse gemeenteraad bekrachtigd.

Op drie weken tijd kan men onmogelijk een beleidsnota voor een groot repertoiregezelschap grondig uitwerken. Verschillende kandidaten vroegen dan ook naar een gelegenheid om hun opties mondeling te kunnen toelichten; aan deze gerechtvaardigde eis werd voorbijgegaan. Officieel werd geen enkel kandidaat gehoord.

Begin februari een directeur benoemen die 5 maanden later zijn artistieke opties moet waarmaken in een nieuw theaterseizoen is een tweede absurditeit, die er wellicht mee oorzaak van is dat een aantal te verwachten namen (Franz Marijnen, Walter Tillemans,…) niet in de kandidatenlijst terug te vinden zijn. Bovendien is de opdracht zeer onaantrekkelijk: de overname van een gezelschap dat artistiek failliet is en het werken in een “voorhistorische” organisatiestructuur.

Een directeur van KNS-Antwerpen is in feite maar een halve directeur. Het artistiek personeel wordt door hem/haar in dienst genomen, maar de machinisten e.d. zijn stadspersoneel (en vaak politiek benoemd), een regeling die waarschijnlijk nog dateert uit de tijd dat zaal mét personeel aan een directeur in concessie werd gegeven. Het boekhoudkundig personeel (we citeren de statuten) “wordt gedetacheerd bij de Centrale Schouwburgdienst” van het Antwerpse Stadhuis. De directeur van deze dienst doet alle geldverhandelingen, heeft als enige volmacht om over het gestorte geld te beschikken en houdt de theaterdirectie maandelijks (!) op de hoogte van de financiële toestand. Deze anachronistische structuur beantwoordt nergens aan moderne principes van (theater-)management. Gerard Mortier zou de Muntschouwburg niet op zijn huidige capaciteit kunnen doen draaien indien hij niet de finale zeggingschap had over zijn technisch personeel en indien hij voor elke financiële verrichting naar het Brusselse stadhuis zou moeten bellen om te vragen “of het wel mag”.

Het Antwerpse stadsbestuur verklaarde de functie open, maar had geen tijd om de kandidaten te horen of om over de artistieke toekomst van het theater te discussiëren. Het politieke van deze benoeming ligt dan ook hierin dat het de gezagsdragers niet begonnen was om het artistieke welzijn van de KNS, maar wel om het thuishalen van slagen in een politiek machtsspel. Dat in Antwerpen nog steeds een puur politieke structuur als de gemeenteraad dergelijke beslissingen neemt, en niet de raad van beheer van een stichting of van een “instelling van openbaar nut”, waarvan de leden mogelijk toch enigszins in theater geïnteresseerd zijn, is zelfs flagrant in tegenspraak met het theaterdecreet.

Ivonne Lex bedong als een van de voorwaarden tot haar benoeming dat ze niet verplicht zou zijn van haar voorganger het seizoensplan voor 1986-87 over te nemen. Dat is alvast een pluspunt, maar ze moet wel de hierboven beschreven organisatiestructuur overnemen en scheepgaan met het aanwezige personeel, en ze zit opgezadeld met het theatergebouw zelf.

Deze mastodont staat er nu en moet gebruikt worden. De omvang van scène en zaal vraagt om een groots, spectaculair en dus duur theater, maar Antwerpen is geen miljoenenstad: een dergelijk instrument commercieel rendabel maken, is dan ook een zware opgave. Op het moment waarop het gebouw geconcipieerd werd, viel het publiek van KNS trouwens samen met hét theaterpubliek van de stad, omdat er zo goed als geen andere theaterstructuren bestonden. In Nederland (cfr. Amsterdam) wordt men geconfronteerd met de paradoxale situatie dat theatergebouwen op zoek zijn naar gezelschappen i.p.v. omgekeerd. In Antwerpen is het bijna net zo: er is enerzijds een zaal en anderzijds een gezelschap maar die twee zijn nergens op elkaar afgestemd. De vraag is of deze onaangepastheid het gevolg is van een foutief beleid in het verleden ofwel of de problemen dieper liggen, nl. in de evolutie van het repertoiretheater zelf. En is Ivonne Lex alleen directeur van het gezelschap of ook van het gebouw? Hoe wordt dan in het laatste geval het receptieve luik ingevuld en welke vrijheid heeft zij om dit gebouw in bepaalde gevallen ook niet met haar gezelschap te bespelen?

Essentieel lijkt ons de vraag of repertoiretheater vandaag gedefinieerd moet worden als 1) het theater van de grote middelen of als 2) het theater van het grote publiek en of 1) en 2) noodzakelijk steeds samengaan. Het repertoiretheater schijnt vandaag alleszins op een tweesprong te staan. De KVS mikt uitsluitend op het grote publiek met verwaarlozing van de artistieke rol die het binnen het theaterbestel te vervullen heeft. Het NTG brengt de tweesprong bewust binnen zijn repertoire zelf aan: het balanceert tussen een uiterst boeiende Bouwmeester Solness voor bijna lege zalen en een populaire Peter Pan, die door het grote succes volgend seizoen hernomen wordt. Maar hoe lang is die tweespalt vol te houden en wat doe je met het feit dat een voorstelling als die van Solness in de historische ontwikkeling van het repertoiretheater 100x belangrijker is dan 10 Peter Pans? Oscar De Gruyter wordt vandaag algemeen als een mijlpaal beschouwd, maar ook hij heeft voor lege zalen gespeeld. Onder Gerardjan Rijnders daalde het Globepubliek aanmerkelijk, maar zijn werk zal essentieel blijven in de ontwikkeling van het (repertoire) theater. In dit licht moeten ook de huidige ontwikkelingen in Globe (het aan de dijk zetten na enkele maanden van de vier directeurs – cfr. Etcetera 12) gezien worden als de confrontatie tussen diverse opvattingen over repertoiretheater vandaag. Welke optie men ook kiest men zal steeds een bepaald publiek (groot of klein) zijn theater binnenhalen en een ander publiek (groot of klein) eruit verjagen. De “elk wat wils”-periode lijkt om evident historische redenen voorgoed voorbij.

Is het zo logisch dat marginale theatermakers het altijd met kleine middelen moeten stellen en traditionele theatermakers de beschikking krijgen over grote middelen? Hét grote publiek voor theater, bestaat dat nog? Of is theater in welke vorm dan ook een minoritaire kunst? Er cirkelen vandaag rond het repertoiretheater honderden vragen en weer blijkt het ontstellende gebrek aan modellen om daar een antwoord op te geven. Al deze vragen zouden bij het aanstellen van een nieuwe directie van welk groot theater dan ook mee op de tafel moeten komen. We kunnen vandaag alleen maar betreuren dat de nieuwe directie van KNS van start moet gaan binnen de hierboven beschreven zware beperkingen en dat men weer eens een gelegenheid voorbij heeft laten gaan om in alle ernst een grondige discussie te voeren over functie en functionering van het repertoiretheater in onze samenleving.

15 kandidaten

In zijn editie van 14 januari 1986 publiceerde De Morgen deze alfabetische lijst van de kandidaten voor de KNS-directie: Eric Antonis (directeur Warande Turnhout), Wil Beckers (oud-directeur Nieuw Vlaams Theater), Toon Brouwers (KNS-dramaturg), Pol Dehert (regisseur Arca) Robrecht De Spiegelaere (directeur Theater Malpertuis), Gilbert Druant (leraar Germaanse talen, Edegem), Ivonne Lex (KVS-actrice en stichter TIL), Bob Löwenstein (Belgische tv-regisseur in Nederland), Geert Lunskens (oud-directeur EWT), Walter Merhottein (directeur Merksems Kamertheater), Paul ‘s Jongers (gewezen KNS-acteur), Leo Urgel (directeur Instituut Dramatische Vorming Amsterdam), Willy Vandermeulen (KNS-acteur), Jaak Van de Velde (regisseur Theater Arena) en Herman Van Dijck (journalist: Gazet van Antwerpen, 24 Uur).

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#13

15.04.1986

14.07.1986

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!