Jef De Roeck

Leestijd 6 — 9 minuten

Ruud Engelander: “Gelukkig hebben we rare theatergroepen.”

Het Nederlands Theater Instituut (NThI) is actiever dan voorzitter Alfons Van Impe van het Belgisch Centrum van het Internationaal Theater Instituut (ITI) blijkens het interview in ETCETERA 1 lijkt te weten. Een gesprek met Ruud Engelander, die sinds 1981 voltijds werkt in de afdeling Internationale Zaken van het NThI.

Een misverstand is gauw ontstaan: in Amsterdam wordt nauwelijks gesproken van een Nederlands Centrum van het ITI; de betrokkenen hebben het gewoon over het Nederlands Theater Instituut. Dit laatste is volgens de statuten ook het Nederlandse Centrum van het ITI. “Omdat het echter zoveel méér doet”, aldus Ruud Engelander, “noemen we het in de wandel het Nederlands Theater Instituut; wij weten dat het Nederlandse Centrum van het ITI daar inzit. Maar het kan best zijn dat dit voor een buitenstaander niet zo duidelijk is, ook al omdat het hem nooit met zoveel woorden werd uitgelegd.”

Het Nederlands Theater Instituut, zo vertelt Ruud Engelander, is zo’n vijftal jaren geleden ontstaan uit drie verschillende, voordien onafhankelijke instellingen: het Nederlands Centrum van het ITI, Theater Klank en Beeld – dat was het geluidsarchief van het Nederlandse theater – en het Toneelmuseum. Die drie zijn samengegaan in de hoop om daardoor effectief de belangen van het theater te kunnen behartigen. Na een boel ellende die nu eenmaal bij iedere fusie hoort, is dat zich in een positieve richting gaan ontwikkelen. Het gaat nu eigenlijk wel goed.

De doelstelling van het NThI is, in het kort: een bron van informatie voor en over theater te zijn. Informatie is het sleutelwoord, en dan in een heel brede zin: van een vel papier tot b.v. het uitgeven van het maandblad Toneel Teatraal, en tot een levende theatervoorstelling in binnen- en buitenland, buitenlandse voorstellingen in Nederland en Nederlandse in het buitenland.

Activiteiten

In het NThI vinden verschillende activiteiten plaats. Er is een bibliotheek en een museum met een eigen collectie waaruit af en toe iets wordt tentoongesteld, maar meestal worden er speciale tentoonstellingen over een bepaald thema georganiseerd. Er is een documentatiecentrum en een audiovisuele afdeling waar nu ook meer en meer met video wordt gewerkt. De videoprodukties kunnen door omroepen worden uitgezonden, ze kunnen ook meegenomen om getoond te worden in het buitenland of aan buitenlandse gasten in Nederland. Er is verder een educatieve dienst, die binnenkort meer een publiciteitsdienst wordt. In totaal zijn er aan het NThI 52 werknemers verbonden, een vaste kern van zo’n 35 man en een aantal part-timers en mensen in kortdienstverband zoals gewetensbezwaarden en werklozen.

Buiten de reeds genoemde activiteiten is er dan nog de afdeling Internationale Zaken. Wij – dat zijn twee medewerkers – doen de dingen die het ITI hoort te doen, nl. een soort liaison te zijn tussen buitenlandse en Nederlandse professionele theatermensen.

Dat ITI-werk is heel belangrijk maar ook heel gelimiteerd. Vandaar dat b.v. in België mensen dat in hun vrije tijd kunnen doen. Er is geen echt ITI-bureau in België, wel iemand die ergens een la heeft en daarin een map met “ITI” erop. Wij zijn in de gelukkige omstandigheden dat we daar een organisatie omheen konden bouwen. Behalve het tweetal dat er werkt, zijn er in Nederland geen individuele leden bij het ITI aangesloten zoals dat b.v. in België wel het geval is; het lidmaatschap van de Vriendenkring van het NThI is iets anders.

Het ITI-werk maakt slechts 10 procent uit van de taak die wij ons stellen. Het is natuurlijk belangrijk om antwoord te kunnen geven op vragen uit het buitenland, maar belangrijker is om midden in het leven van het theater te staan, daar dingen te doen. Sinds het laatste jaar houdt de afdeling Internationale Zaken zich minder bezig met import van buitenlands theater naar Nederland, om twee redenen. Er zijn namelijk al instellingen in Nederland die dat op zich nemen: Mickery, het Holland Festival, de Rotterdamse Schouwburg, het Shaffytheater, en tal van anderen. Bovendien wordt het steeds moeilijker om daarvoor geld te vinden: wij hebben geen eigen budget, geen theater, festival of zoiets. Dat soort activiteiten willen we alleen nog ondernemen wanneer iets heel belangrijks Nederland voorbij dreigt te gaan doordat geen van de anderen het oppikt.

Verder helpen we natuurlijk mensen uit het buitenland die in Nederland hun voorstellingen willen laten zien, door ze informatie te geven zodat ze een en ander zelf aankunnen of we verwijzen ze naar een impresario of wie het ook weze. In feite klopt niemand aan onze deur zonder antwoord te krijgen.

De importfactor is dus wat afgezwakt, maar de exportfactor heeft veel meer kansen gekregen. Ons beleid is erop gericht om Nederlandse theaterkunst in het buitenland te promoten. Gelukkig kan dat. Zo een twintig jaar geleden was het theater ouderwets verbaal. De afgelopen tien, vijftien jaar is het theater visueler geworden, het muziektheater heeft zich ontwikkeld, evenals de mime en het poppentheater in Nederland. Dat alles is voor het buitenland zonder taalprobleem toegankelijk.

Presentatie

Er is behoefte aan die exportactiviteit, ook omdat er in het buitenland vraag is naar Nederlands theater, dat er vaak met enthousiasme begroet wordt. We organiseren niet zelf tournees in het buitenland, we doen er wel presentaties. We gaan ervan uit dat er in Nederland een goede dertig theater- en dansgroepen zijn die onze steun hard kunnen gebruiken, meestal kleine groepen die zich nauwelijks een administrateur kunnen veroorloven, laat staan iemand die hen promoot in het buitenland, terwijl ze dat best zouden willen. Daar ligt onze functie, voornamelijk bij wat vroeger het alternatieve theater heette – het is niet zo alternatief meer, het is ‘n beetje gemeengoed geworden. We houden ons niet bezig met het Publiekstheater, omdat dit soort repertoiretheater ook in het buitenland wordt gemaakt, en je moet geen water naar zee dragen. Het gaat erom het buitenland te confronteren met dingen die ze daar niet hebben. Gelukkig hebben wij, door een speling van het lot, een aantal merkwaardige, rare theatergroepen, bijvoorbeeld de twee uit Hauser Orkater ontstane groepen. De Horde en De Mexicaanse Hond, of de Dog-troep, Jozef van den Berg,…

Wij werken daar nu één jaar aan maar zijn nog lang niet waar we wezen moeten. Er moet nog meer informatie over het Nederlandse theater naar het buitenland. Ik denk aan een Engels-, Frans- en Duitstalig informatieblad. Zo creëer je een vraag, ook door met mensen te praten, werk te laten zien. Eens die vraag er is, moet je actief helpen om die produkties naar het buitenland te krijgen.

We hebben geen budget en zijn voor elk project volkomen afhankelijk van het geld dat moet komen van het ministerie van WVC (Weivaartzorg, Volksgezondheid en Cultuur, vroeger CRM) waarmee we gelukkig een goede relatie hebben en waar men bereid is het beetje geld dat overblijft in dit soort werk te stoppen. Wij zijn een onafhankelijke stichting maar doordat we volledig gesubsidieerd zijn door de rijksoverheid, plegen we veel overleg met het ministerie. Gezamenlijk komen we tot de conclusie dat het zinvol is presentaties in het buitenland te verrichten, die geen losse flodder zijn, maar passen in een gestructureerd geheel, een gebundelde presentatie van Nederlandse kunst.

Ruud Engelander citeert o.m. een uitwisseling in het raam van het Bicentennial Nederland-Amerika: zo ging o.m. Jozef van den Berg vorige zomer naar de USA. Thans wordt een festival voorbereid in Berlijn, na de manifestaties Amsterdam-Berlijn die in 1982 voor het grootste deel door het NThI en het Goethe Instituut in Amsterdam waren opgezet: in mei-juni a.s. komt er in Berlijn een gebundelde presentatie van Nederlandse beeldende kunst, architectuur, podiumkunsten. Iets dergelijks staat in de herfst van dit jaar in Athene te gebeuren. Er zijn ook plannen om de uitwisseling met Canada wat meer vorm te geven.

Het voordeel van dat soort manifestaties, zo voegt Ruud Engelander eraan toe, is dat ze als ze er eenmaal zijn, vanzelf groeien, omdat mensen die er lucht van krijgen, er ook wat willen mee te maken hebben. En dat zijn vaak mensen die daartoe geen eigen middelen hebben.

Log ITI

Dergelijke manifestaties worden voor zover mogelijk in het raam van internationale culturele akkoorden tot stand gebracht. De centra van het ITI in het buitenland worden er eventueel over ingelicht, maar voor de organisatie ervan kunnen zij niet zoveel doen.

De meeste ITI-centra beperken zich ertoe, zegt Engelander, iemand wegwijs te maken. Dat is een zinvolle activiteit. Het ITI is echter maar één informatiebron. In de praktijk zijn er tal van andere die voor dit werk veel belangrijker zijn. Om een voorbeeld te noemen: er is sinds kort een informele overleg-club van theater- en festivalorganisatoren uit Europa, die tweemaal in het jaar een weekend bijeenkomen, om gezamenlijk plannen te maken en te horen hoe het daar en daar gaat. Mensen uit Avignon, Londen, Berlijn, het Holland Festival, het Kaaitheater enz. zitten daar in, en die contacten zijn voor ons belangrijker dan het ITI.

Iedere internationale organisatie die zowel het oosten als het westen, het noorden als het zuiden omspant, beweegt zich heel log. Ik volg het ITI nu toch al een twaalf jaar, o.a. als lid van de Nederlandse delegatie. Je ziet hoe moeizaam dat beweegt, omdat iedereen iedereen te vriend moet houden, anders klapt de boel uit elkaar. Dat betekent dat je er weinig anders kunt mee doen dan adressen verstrekken, colloquium zus of conferentie zo opzetten. Dat is niet onnuttig, maar als je besloten hebt om het te hebben over het levende theater… Ik ken geen centrum dat actief importeert en exporteert zoals het Nederlandse. Daarom zijn wij ook de uitzondering.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#2

15.03.1983

14.06.1983

Jef De Roeck