Clara Van den Broek

Leestijd 9 — 12 minuten

Robrecht Ghesquière: ‘Ik hang eerst heel veel licht en breek dat beetje bij beetje weer af’

Robrecht Ghesquière is freelance theatertechnicus en lichtontwerper. Daarnaast is hij technisch coördinator bij Monty.

Etcetera: Hoe ontstaat een lichtontwerp?

Robrecht Ghesquière: Ik volg drie leidraden die ik voor mezelf heb gesteld. Ten eerste beschouw ik belichting als een metier. Ik weiger gemaksoplossingen. Toen ik begon was het gemeengoed alleen te werken met front- en tegenlicht. De hele kunst bestond in het gebruik van ldeuren en het maken van speciaaltjes. Ik ben voor mezelf begonnen met dat af te breken en opnieuw na te denken over wat er nodig is, en waarom. Wat nodig is, probeer ik met steeds minder middelen te bereiken. Ten tweede ga ik na welke weg men met de regie of de choreografie wil uitgaan: waarop inspireert men zich, welke beelden gebruikt men, wat is de structuur van de tekst? Belichting kan de kernpunten van een regie of een choreografie naar voren brengen, beelden mooier maken. Op een soms zichtbare, soms onzichtbare manier versterk je er een systeem mee. In Straf van Jos van Kan bijvoorbeeld, evolueerde het licht via een uitgebreid palet van warm naar heel koel wit, in samenhang met de afbraak in de tekst. Ten derde probeer ik de kracht van de voorstelling groter te maken. Muziek en licht kunnen het publiek onbewust beïnvloeden.

Etcetera: Soms werkje met sterke effecten, zoals bijvoorbeeld het zijlicht dat van buiten kwam in pERFORMANCE van Marc Vanrunxt.

Robrecht Ghesquière: Het gaat me om wat het effect creëert. In pERFORMANCE, hoop ik, versterkte het zijlicht het beeld op de scène en was het er niet om zelf de aandacht te trekken. Het is een kantje-boordje-spel. Effecten, zoals schaduwspel en accenten op de dansers, zijn er om interessantere beelden te creëren. Bij pERFORMANCE was de ruimte door het licht in drie gedeeld. Achteraan zag je de gezichten van de dansers, in het midden vormden ze een soort ‘tableau vivant’ met clair-obscur, vooraan zag je alleen hun silhouetten. De scheidingslijnen zijn bijna tastbaar. Zo maak je tableaux vivants met theaterlicht.

Etcetera: Neem je actief deel aan de ontwikkeling van de dramaturgie, samen met de regisseur/choreograaf, of volg je eerder zijn/haar visie?

Robrecht Ghesquière: Er gaan altijd nogal wat babbels aan vooraf. Het voordeel aan samenwerken met Mark Vanrunxt is dat het stuk meestal al twee maanden voor de première af is. Dan heb ik een lange denk- en creatieperiode die me toestaat om dieper en dieper te gaan. Ik werk meestal alleen, ‘s Avonds ga ik heel veel licht inhangen, en ik breek dat beetje bij beetje weer af, zonder dat ik daar iemand mee moet lastigvallen. Als je tijd hebt, kan je steeds dieper gaan, totdat je denkt: ‘het is af’, en dan nog verder gaan. Het is eigenlijk beeldhouwen met licht. Je maakt een beeld, en je voelt hoe het zit, je voelt of het klopt of niet, je voelt… Het is beeldhouwen, uitbreken, kapotmaken. Roel D’Haese zei ooit: ‘Het beeld van een leeuw uit een blok hakken, is niet moeilijk: je moet gewoon alles wegkappen behalve de leeuw.’ Dat uitbreken is weglaten. Ik kijk altijd of iets wel nodig is: kan ik, op één of andere manier, niet zonder? Ik wil niet op veilig spelen.

Etcetera: Wat betekent ‘op veilig spelen’?

Robrecht Ghesquière: ‘Op veilig spelen’is alles op de scène zichtbaar maken met een gigantische batterij licht. Dan maak je niet in eerste instantie het beeld op de scène sterker, maar maak je gewoon alles zichtbaar: nergens een zwart vlekje. Dan voel je geen gebreken. Dan ga je je niet afvragen: waarom is dat of dat sterker of zwakker belicht? Risico’s nemen is interessanter. Maar ze zijn zeldzaam, de regisseurs of choreografen die ook op dat niveau bezig zijn met licht. De grootste paniek is dat je ‘niet alles ziet’. Maar donker is nu net spannend. Spelen met clair-obscur. De meeste regisseurs of choreografen gaan niet ver genoeg. Een regisseur zou bijvoorbeeld nooit zo ver gaan dat het volledig zwart is, dat je de acteurs alleen maar hoort spreken en dat zo de kracht van de tekst goed tot uiting komt.

Men gaat over het algemeen niet ver genoeg met licht. Nochtans kan de aanwezige energie erdoor geïntensifieerd worden. Licht is een artistiek element, een kunstvorm. Met enkele regisseurs en choreografen kan je op die manier werken. Die geven je alle vertrouwen. Met hen wil ik dan blijven werken. De moeilijke kentermomenten in een proces situeren zich net vóór de première, in de paniek van de laatste twee weken. Het vertrouwen is plots weg. Dan moet ik vaak compromissen sluiten, en de boel ‘netjes’ maken. Als ik voor een stuk ga, ben ik ervan overtuigd dat de tekst, de acteurs en de regisseur goed zijn. Die zaken wil ik dan ernstig nemen, ze versterken. Ik werk mee aan een erkenning van tekst en regie. Als je op veilig moet spelen, neemt men je job niet ernstig. Licht kan magie zijn. Ik wil de mensen meenemen in een toverwereld. Zoals wanneer je zelf gaat kijken: je krijgt energie als je een goede voorstelling of film ziet, als alles goed zit: het spel, de regie, het decor, het licht. Je hebt het gevoel dat je het mooiste stuk van het jaar ziet. Dat kan echt deugd doen.

Curve

Etcetera: Dus je neemt een dienende houding aan?

Robrecht Ghesquière: Absoluut. Die dienende houding vind ik belangrijk. Ik ben vereerd als ik heel dat leven, dat in het schrijven van de tekst, het ontwikkelen van de regie en het ontwerpen en maken van het decor wordt gestoken, op een hoger niveau kan tillen. Dan heb ik mij goed ten dienste gesteld.

Etcetera: Je hebt een eigen visie en stijl. Je zegt dat je niet graag alles tegelijkertijd toont, dat je het publiek de weg wijst over de scène en ze graag meeneemt in de magie van het clair-obscur.

Robrecht Ghesquière: Het ene leidt tot het andere. Als wat er gemaakt wordt, kunst is, dan heb je het publiek automatisch mee. Het publiek meenemen is niet het eerste opzet. Het is eerder door de energie goed te dienen, dat je dat resultaat bereikt.

Etcetera: Daarnet gebruikte je termen als ‘afbreken’ en ‘uitbreken’. Dat zijn niet bepaald alledaagse woorden om over licht te spreken.

Robrecht Ghesquière: Ik benader licht heel fysiek. Net zoals de tekst van een stuk wordt doorwrocht, ga ik licht afhakken, uitbreken. Ik maak bij het ontwerpen van lichtstanden ook altijd schetsen van vloeilijnen, ik teken een curve die het verloop van de voorstelling aangeeft. Het zijn spanningsvelden rond extremen. Ik zoek een curve tussen de choreografie en de emoties die moeten overkomen en versterkt worden. Hier geef ik meer, daar geef ik minder. Die curve vormt de muziek, het ritme van de voorstelling. De hoogste piek is het zwaartepunt. Ik hou ook van finesse, van het afwerken. Dat is ook het geval wanneer ik als klanktechnicus werk. Bij Rien de Rien van Larbi Cherkaoui was het een uitdaging voor mij om van de cellosolo van Roel Dieltiens en de stem van Angélique Willkie een fijne klankmix te maken, die de zaal vult en waar je rillingen van krijgt. Kleine elementen maken de perfectie. Je kan in het theater voor jezelf de perfecte avond creëren. Zoals wanneer je op een zwoele zomeravond op een terras zit, het is nog aangenaam warm, de zon gaat onder maar het koelt niet af, de muziek en het gezelschap zijn perfect, de wijn uitstekend, en niets komt die perfectie verstoren, geen lipstick op het wijnglas, geen telefoon die rinkelt. Als alles perfect is, let je er eigenlijk niet meer op. Dan voel je je goed.

Perfectie werkt onbewust. Zo wil je als lichtontwerper ook de perfecte avond maken zonder dat het publiek op je let.

Etcetera: Heb je een opleiding gevolgd?

Robrecht Ghesquière: Ik ben begonnen met muziek te maken voor theater. Daarna heb ik het licht ontdekt. Ik ben eigenlijk een autodidact op dat vlak. Ik ben ermee begonnen doordat ik, zonder enige notie te hebben van licht, een voorstelling heb overgenomen van iemand die ziek gevallen was. Ik heb mensen gevraagd om alles wat ze wisten over licht op mij af te vuren, en reproduceerde wat zij mij zegden. Ik heb het eigenlijk op één avond geleerd. In het begin heb ik veel voor kameropera gewerkt. Daar wordt niet echt op het licht gelet, in tegenstelling tot opera, waar de grote scène echt gedragen moet worden. In kameropera moet je er gewoon voor zorgen dat de zang, de kostuums en de orkestbak overkomen. Er waren veel storende elementen, b.v. de pupiterlampen van de muzikanten. Dat waren speelgoedelementen voor mij. Ik kon die lampen voor mezelf elimineren en kijken wat ik kon doen met licht en kleur. Toen heb ik de onbewuste kracht gevoeld die licht kan hebben. Dat heeft mijn interesse gewekt. Daarna heb ik bij wijze van opleiding één jaar in de Vlaamse Opera gewerkt, waar de grootste middelen en de grootste ontwerpers worden ingezet. Ik heb er o.m. met Jean Kalman gewerkt. Ik zat naast hem in de zaal en zag hem werken met percenten. Ik zag hoe het scènebeeld vorm kreeg door hier wat meer, daar wat minder te geven. Hij beeldhouwde met licht.

Harder werken

Etcetera: Is er volgens jou een evolutie merkbaar in het denken over belichting?

Robrecht Ghesquière: Ja: de afbraak van de gemaksoplossingen. Je ziet de ontwerpers harder werken. Dat is boeiend. Dat merk je ook bij lichtontwerpers als Arne Lievens en Stef Stessel. Tien jaar geleden begon ik intensief naar het theater te gaan. Toen volgden de belichters meer een vast stramien, met een paar speciaaltjes’f’ en kleuren als extra’s.

Er zijn zeker onbewuste stromingen. Voor Antropomorf van Marc Vanrunxt heb ik TL-lampen gebruikt. Toevallig hoorde ik dat Forsythe op dat moment ook met TL’s bezig was. Zo’n dingen neem je niet van elkaar over, maar er leeft iets waardoor dit of dat meer aan bod komt.

Etcetera: TL’s zijn een paar jaar mode geweest. Men had de klassieke spots gehad, en ging kijken wat er nog allemaal kon qua licht.

Robrecht Ghesquière: Zo is het ook met de gasontladingslampen, de straadampen die in het theater gebruikt worden, enz. Maar ik denk niet dat die fenomenen een rechtstreekse reflectie zijn van bredere maatschappelijke evoluties. Bewegend licht, bijvoorbeeld, kom je niet vaak meer tegen, zelfs niet bij de grote gezelschappen. Behalve dan een keer in Salt van Lalala Human Steps. Nieuwe elementen ontketenen geen revoluties. Het is niet zo dat iedereen die elementen dan plots gaat overnemen. Er is geen duidelijke evolutie die door de technische vooruitgang zou worden veroorzaakt, in die zin dat al wat daarvoor werd gebruikt als rommel zou worden weggegooid. Een nieuw element vormt telkens een nieuw speeltje, waarmee een andere kracht wordt gecreëerd op de scène. Zoals de gasontladingslampen, die een koeler licht geven dan je met kleurfilters kan bereiken. Of flexilight, dat zeer diffuus licht geeft en dat als frontlicht kan worden gebruikt.

Etcetera: Hoe zit het met de relatie licht-decor? Is licht decor?

Robrecht Ghesquière: Als je speciale TL’s boven vlees hangt, dan verkoopt het vlees beter. Een decor in werldicht ziet er veel belabberder uit dan wanneer je het belicht. Bij pERFORMANCE van Marc Vanrunxt heb ik met licht geïsoleerde gebieden gemaakt. Ik heb er toen voor gekozen om de spanningselementen zo aan te brengen dat ze visueel interessant waren. Als je de aandacht afleidt naar het licht, dan moet het er goed uitzien, het moet tot op de centimeter juist zijn. Symmetrie is voor mij heel belangrijk. In die zin was het licht toen wel decor, met een speciaal kleurenpalet, o.a. van paarse TL’s op de vloer.

Door de belichting verandert de betekenis. De objecten op de scène winnen of verliezen erdoor aan kracht. Als je een stoel in werklicht ziet, is het gewoon een onopvallende stoel. Maar zetje hem in het donker, en ga je errond lopen met een lamp, dan krijg je andere lijnen, een schaduwspel, een andere functie, een andere betekenis, een andere stoel. Licht creëert spanning.

Etcetera: Heb je soms last van budgettaire beperkingen?

Robrecht Ghesquière: Ja. Met grotere budgetten kan je meer experimenteren en met andere kwaliteiten van lichtbronnen werken. Maar goed, dat is geen hoofdpunt. De mogelijkheden worden geschapen door het budget, daar ga ik van uit. Voor festivals kan je wel blits en groot te werk gaan. Mocht ik in het theater met een ongelooflijk budget kunnen werken, dan zou ik met ander materiaal beeldhouwen. Ik zou niet op zoek gaan naar grotere effecten, want dan sla je de dienende functie over. Er zou natuurlijk wel voor het eerst in een recensie over je werk geschreven worden. Dat gebeurt anders niet.

Etcetera: Vind je dat lichtontwerpers over het algemeen te weinig erkenning krijgen?

Robrecht Ghesquière: Ja. Maar lichtontwerpers zijn ook een ander genre mensen dan acteurs of regisseurs. Lichtontwerpers hebben minder publiciteit nodig. Je werkt eigenlijk voor jezelf: ‘is het mij gelukt om ten dienste te staan, om andere mensen omhoog te helpen?’ Je hebt een soort ridderfunctie.

Dat ‘ten dienste staan’ is natuurlijk niet altijd even gemakkelijk. Voor Jubeltenen van Herwig De Weerdt had ik een ontwerp gemaakt met een kleurig palet, waarbij de drie personages elk op een eiland zaten, in verschillende soorten werelden. Je had het hoornkwartet, de tekenaar Johan en de vertelster Marlies. Op Marlies had ik een hele batterij licht gezet, helemaal rond haar, zodat er geen schaduwen waren: je wist niet van waar het licht kwam. Het was heel feeëriek. De rest was zwart, zij leek te zweven. Hier dus geen clair-obscur. Schaduw zou de magie doorbroken hebben. De tekenaar zat zogezegd in het licht van zijn bureaulamp, in een heel scherp licht. Dat was een heel andere sfeer, een heel andere wereld. Bij het meisje was het dus belangrijk dat er geen schaduwen waren, bij de tekenaar wel. Dat ontwerp is jammer genoeg opgeblazen door een panikerende regisseur. Er was ‘te weinig licht’. Ik moest alsmaar licht bijgeven. Beetje bij beetje zag ik de magie verdwijnen. Het publiek zou in eerste instantie nochtans niet op het licht, het kleurenpalet gelet hebben. Het zou alleen een effect van magie gevoeld hebben. Wat verteld werd in de voorstelling, werd daardoor versterkt.

Dat is de moeilijkheid van het ten dienste staan. De regisseur heeft er nu eenmaal al langer aan gewerkt, soms wel zes maanden. Het licht komt er altijd op het laatste bij. En dat is net het delicate moment. Als er iets begint te mislukken, ben je een dankbare factor om het probleem op te lossen, door meer licht te geven bijvoorbeeld. Als je van bij het begin kan samenwerken, zoals bij Straf van Jos van Kan, dan is er veel meer vertrouwen, geen paniek. Toen heb ik het met heel weinig licht kunnen doen (elf kringen, zelfs in de Rotterdamse Schouwburg, die heel erg groot is). Dat is een heel andere situatie dan wanneer je er achteraf bijkomt. Maar het is altijd spannend. Voor hetzelfde geld slaat twee weken voor de première paniek toe en zijn acteurs of regisseur niet meer voor rede vatbaar. Dan valt het hele ontwerp in duigen. Dan is het mislukt en kom je drie dagen je bed niet meer uit. Je moet thuis kunnen komen en aan je kinderen kunnen zeggen ‘papa is goed bezig’. Trots zijn op je werk. Ik hou van die arbeid. Arbeid is nobel.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 9 — 12 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Clara Van den Broek

Clara Van den Broek is romanist. Ze studeerde Culturele Studies aan de KU Leuven en volgde een acteursopleiding aan het Conservatorium in Antwerpen.