De Koopman van Venetië (RO Theater) Foto Leo van Velzen

Johan Thielemans

Leestijd 7 — 10 minuten

Ro Theater: De Koopman van Venetië

Er zijn tenminste twee stukken van Shakespeare die de hedendaagse schouwburgbezoeker ongemakkelijk maken: De Getemde Feeks en De Koopman van Venetië. Het eerste stuk prijst gedachtenloos het onvoorwaardelijk gezag van de man over de vrouw aan, en het anti-semitisme is al even onkritisch de motor van het tweede.

Enkele jaren geleden heeft Michael Bogdanovich met het eerste stuk exemplarisch afgerekend bij de Royal Shakespeare Company te Stratford door het einde – zonder tekstwijziging! – tegen zichzelf te laten spreken. De Koopman pakt men meestal omzichtig aan, wat heel duidelijk blijkt uit het feit dat de BBC in zijn Shakespearereeks de joodse producer Jonathan Miller gevraagd heeft om de joodse regisseur Jack Gold de joodse acteur Warren Mitchell te leiden. Dan mocht er gebeuren wat wilde, vond men, men zat goed safe (zoals voor bijna alle andere afleveringen van deze onzalige reeks gebeurde er niets). Wat men thans met De Koopman kan aanvangen hebben reeds verschillende theatermakers getoond, zowel zij van traditionelen huize, zoals Laurence Olivier, als de meer avontuurlijk aangelegden, zoals Georg Tabori of Peter Zadek. In beide gevallen blijkt de formule om De Koopman aanvaardbaar te maken hierin te bestaan dat men de emoties van aantrekking en afstoting op zijn kop zet. Waar Shakespeare duidelijk aan de kant van de christenen stond (ondanks één humanistische monoloog), buigt men zich nu met sympathie over het lot van de joden:

Olivier zorgde voor een aandoenlijke koopman, verloren in een vijandige omgeving. Deze nieuwe verdeling van onze sympathie wordt ook bij Marijnen aangehouden. Ze lijkt dus wel de klassieke lezing van vandaag te worden.

Der Jud Süss en Sharon

Marijnen heeft de situatie naar het heden verplaatst, zodat het publiek zich makkelijker kan identificeren met de personages. Op die manier kan hij bijzonder duidelijk tonen wat hem als regisseur voor de geest staat: Shylock is een gevierd zakenman, gekleed in een wat pijnlijk net pak. Het zijn de rijke christene zakenlui die zich de fantasie van een leren jekker kunnen veroorloven. Voor Shylock komt het er op aan om niet op te vallen. Maar dit uiterlijk streven naar aanvaarding verbergt natuurlijk een diepe spanning: tussen jood en christen heerst er een hevige haat. Shylock wordt er door gedreven schandelijke condities bij een lening op te leggen. Als hij tenslotte de bankroete concurrent voor het gerecht daagt om zijn contractueel bepaald deel te krijgen, keert de hele christene wereld zich tegen hem. De rechter spreekt hem niet met de familienaam aan, maar gebruikt het woord: jood. En Shylock, de zakenman, heeft dat voorzien: op dit proces verschijnt hij – voor het eerst – in de traditionele kleding, met kaftan en keppel. Terwijl hij voor zijn zaak pleit, neemt hij alle typische gebaren aan (Marijnen is er Der Jud Süss voor gaan bekijken): Shylock speelt de jood en Marijnen toont op deze manier dat het stereotiep een opgelegde rol is, een gevangen zitten in andermans vooroordelen. De christene wereld – en meteen ook de toeschouwer in de zaal – wordt er ongemakkelijk van.

Marijnens overdenking van het fenomeen anti-semitisme gaat echter nog een stap verder: het pond vlees dat de jood eist is onmenselijk, en als Shylock er zo sterk op blijft insisteren, zitten er bij hem ook belangrijke menselijke waarden fout. Shylock wordt door een afschrikwekkende innerlijke kracht gedreven, vergelijkbaar met de kracht die generaal Sharon ‘bezielt’ (cfr. programmaboekje): zijn eis wordt bloeddorstig. Indien we in deze voorstelling geen sympathie kunnen opbrengen voor de christenen, wordt het ons evenmin gegund zomaar de andere kant te kiezen. Indien de toeschouwer op zoek is naar een personage waarop hij zijn gevoelens van identificatie en medeleven kan projecteren, komt hij tot het besluit dat er voor deze gevoelens geen plaats is.

Geen komedie

Meteen hebben we het essentiële punt geraakt van waaruit Marijnen het stuk benadert. Immers dat afwijzen van medelijden en het vervangen ervan door cynisch, afstandelijk toekijken beïnvloedt ook alle andere aspecten van de opvoering. Men weet dat deze tekst gecatalogeerd staat bij de komedies, maar Marijnen wijst dit aspect radicaal af. Hier grapjes maken zou een vorm van medeplichtigheid zijn, en Marijnen wil niets met de koopmanswereld van Venetië te maken hebben. In een radiointerview met Pol Arias zegt hij hierover het volgende: “Er wordt ontzettend veel gekocht en verkocht in dit stuk. Iedereen koopt zich in de gunst. Ik heb er moeite mee gehad bij de repetities de acteurs steeds te blijven overtuigen van het feit dat dit een stuk is met een corrupte inboedel. Het is niet te geloven! Ik heb eigenlijk voor geen van de personages van dit stuk, op Jessica (de dochter van Shylock) na, meer dan verachting. Ik vind het nogal een zootje dat daar rondloopt. Dat zit ook in de voorstelling.”

Marijnen onderstreept de toonaard van zijn interpretatie vanaf de eerste repliek van Antonio, die met veel nadruk meedeelt dat hij worstelt met een onverklaarbare somberheid. Deze stemming houdt Marijnen aan – al laat Shakespeare die veel meer wegebben – en die somberheid wordt alras een hekel aan de wereld. Deze hekel wordt door Marijnen zelf spontaan gedeeld. “Uit het stuk”, zegt hij, “komt een vrij somber wereldbeeld te voorschijn. Waarop wel eens gezegd wordt dat ik een aartspessimist zou zijn. Ik ben geen lachebekje. Ik heb geen al te positief levensbeeld – ik ga er niet van uit dat de mens goed is.”

De Koopman is in deze versie een stuk over slechte mensen. De acteurs wordt geen enkele mop of geestigheid gegund, het zou teveel de kille atmosfeer breken. Alleen John Kraaij-kamp mag zich eens laten gaan (wat hij in de Spaanse scène schitterend doet), maar dat is een geïsoleerd moment, een kleine verademing in een opvoering die constant drukkend, gespannen en koud is. De zaal kijkt toe, in stilte. Bij de pauze heerst er een zeldzaam gedrukte stemming: immers, Antonio is zwaarmoedig, Bassanio een nietsnut, Lorenzo zit achter Jessica aan om haar geld én omdat het opwindend is een meisje uit haar joods milieu te stelen. De dames van de vertoning, die bij Shakespeare voor een sprookjesachtige, luchtige sfeer zorgen, zijn gereduceerd tot koele, onuitstaanbare krengen. Portia, die anders een lieftallige schoonheid is, wordt vervormd tot een koud, zelfzuchtig wezen.

Alles wat deze sfeer kan breken wordt weggegomd: als Lorenzo en Jessica zich eindelijk op het landhuis van Portia beginnen thuis te voelen, geeft Shakespeare hen een badinerende dialoog. Marijnen behoudt de woorden, maar verandert de intonatie: “mijn engel” klinkt als een wonde, “vrouw” is een belediging. Zulk een lezing stelt natuurlijk problemen voor de laatste scène, één van Shakespeares meest romantische momenten. Het vijfde bedrijf opent met een ode aan de liefdesnacht en vervolgt met een zeer pakkende monoloog over de macht van de muziek. Maar wat kan Marijnen in zijn visie hier mee aanvangen? Juist: niets. Dus schrapt hij de tekst heel consequent. Hij vervangt hem door een lange stille scène, waarin hij de verhoudingen tussen Bassanio, de jonge man, Portia, zijn jonge bruid, en Antonio, de oude vriend, duidelijk maakt: een homosexuele liefde wordt ingeruild tegen de liefde voor een rijke vrouw. Portia maakt duidelijk dat voor haar part Antonio nog een rol kan vervullen, maar Antonio weigert radicaal. Helemaal gedegouteerd laat hij de jonge gelieven achter. Doek. Het publiek heeft deze laatste scène met ingehouden adem zitten bekijken. Dit woordloze toneel is het sterkste moment van de avond en draagt in zich al de magische kracht waarvan de kijker telkens weer hoopt dat die bij een enscenering van Marijnen zal aanwezig zijn.

Vragen

Deze erg boeiende lezing van het stuk roept natuurlijk een paar vragen op. Niet over tekstgetrouwheid, dat is een probleem waar alleen dorre filologen en onbewuste verdedigers van het persoonlijk bezit zich druk kunnen om maken. Neen, het probleem wordt pas interessant als men deze vertoning plaatst in de totaliteit van Marijnens arbeid. Men vraagt zich dan af of de diepe ontevredenheid van de regisseur niet te sterk zijn produkties kleurt. Immers, de beschreven stemming was er precies zo in mindere produkties als Tartuffe of Alice. De mensenhaat is dan niet iets dat gewonnen wordt uit de tekst, maar er op wordt geplakt. De radicale weigering van enige romantische liefde begint op het cliché van de jaren tachtig te lijken: bij Jean-Pierre Dedecker in zijn Maat voor Maat werd het belachelijk, bij Marijnen dreigt het onrecht te worden, wat de gratuite, maar leuke invoering van een televisiescherm reeds aanduidt. De titel van Marijnens volgende produktie De Laatste Dagen der Mensheid ligt dan wat in een te gemakkelijk verlengde van deze lijn.

Met deze interpretatie gaat Marijnen verder in de richting van het teksttheater, daar waar hij vroeger uitblonk in het oproepen van onvergetelijke, dieptreffende beelden. Hoe meer hij in deze richting gaat, hoe sterker hij aantoont dat hij op het vlak van tekstzeggen niet even sterk begaafd is. Hij hangt dan volledig van de kwaliteit van zijn acteurs af. Die is op dit ogenblik in Rotterdam niet schitterend en zoiets weegt natuurlijk erg zwaar op de totaalindruk van de avond. De enige acteur die het volledig waar maakt is Lou Landré: klein en gedrongen staat hij de ganse avond op de scène alsof er een springveer op het punt staat los te schieten. John Kraaijkamp heeft in de enige komische momenten een wat makkelijkere taak, maar niettemin zorgt hij voor virtuoos toneelspelen. Marijnen heeft de rol van Shylock wat verrassend toevertrouwd aan Peter Tuinman. Deze jonge acteur tekent een erg boeiende versie van zijn rol, met uitschieters zoals de gerechtsscène (al ontsnapt hem daar net de nodige dosering om het echt pakkend te maken). Maar één dimensie van het personage komt helemaal niet uit de verf: als vader van Jessica – nochtans een erg belangrijk element in het verhaal – blijft Tuinman helemaal afwezig. En met deze rollen is het op: de vrouwen zijn – en dat wordt een pijnlijke Rotterdamse traditie – slecht van het ogenblik dat ze hun mond opendoen. Zo verknoeit Marieke van Leeuwen helemaal haar monoloog als rechter. De overige mannen zijn schimmen: Paul Röttger loopt hier nog altijd rond even onovertuigend te zijn als in de vorige produkties (al wordt het nooit zo erg als in Tartuffe). Fred Vaassen interpreteert een avond lang duidelijk niet de rol van Bassanio en het is moeilijk een zich meer inadequate acteur dan Wik Jongsma voor te stellen in de rol van Lorenzo. De vocale tekortkoming van Marijnens spelersmateriaal op een ogenblik dat hijzelf meer en meer tekst zonder franjes wil laten zeggen, begint erg zwaar te wegen op de prestaties van het Ro Theater. Het is toch wel erg beduidend dat de enige scène die echt naar de keel grijpt, deze is waar niemand (en dan vooral de vrouw niet) een woord zegt…

Dat alles levert een produktie op die bijna in evenveel opzichten boeiend als ontoereikend is. Bij Marijnen zelf valt aan te stippen dat hij zich verder en verder verwijdert van het barokke theatergeweld waarvoor zijn naam bijna als merk diende. Hij heeft hier een bijna filmisch realisme nagestreefd, dat volledig openbloeit in de finale. Ik weet voor mezelf nog niet of ik me daar gelukkig om voel. In ieder geval zal het wel duidelijk geworden zijn dat ik het direct niet zeer erg vind als Marijnen uit Rotterdam weggaat. Nieuwe mensen, een nieuwe omgeving kunnen hem stimuleren. En we kunnen alleen maar hopen dat hij op zijn weg sterkere talenten ontmoet om zijn interessante theaterdromen overtuigend vorm te geven.

 

DE KOOPMAN VAN VENETIË

auteur: William Shakespeare, vertaling: Gerrit Komrij, groep: Ro Theater, regie: Franz Marijnen, dramaturgie: Tom Blokdijk, decor: Peter de Kimpe, spelers: Lou Landré, Fred Vaassen, Wik Jongsma, Paul Röttger, Marieke van Leeuwen, Peter Tuinman, John Kraaijkamp, e.a.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#1

15.01.1983

14.04.1983

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.