(c) Diego Franssens

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

Dihya – hetpaleis & Action Zoo Humain

Rijk pamflet, arm kunstwerk

Wat is nog het belang van ‘vorm’ in theater vandaag? Ik vraag het me soms af, nu zo veel voorstellingen lijken te zweren bij de boodschap, de hele boodschap en niets dan de (ware) boodschap. Dihya, een coproductie van HETPALEIS en Action Zoo Humain, is de meest recente in de reeks. Maar als vorm inhoud is, zoals de boutade wil, wat betekent dat dan voor een bijna vorme-loze voorstelling als Dihya?

Een aantal jaar geleden was ik op het Klein Karoo Nationaal Kunstfestival in Oudtshoorn, een van de belangrijkste theaterfestivals van Zuid-Afrika. Ik zag er zes voorstellingen per dag, onveranderlijk met een politieke en emancipatorische insteek – werk van de eerste generatie post-apartheid-makers, eind de twintig en eager om haar verhaal te vertellen. Dat was dan ook letterlijk wat er telkens opnieuw gebeurde: er werd een verhaal verteld, van onderdrukking en bevrijding, van strijd en solidariteit. Het viel me op hoezeer alles steeds maar weer in het woord moest worden gebracht, expliciet en nauwelijks bemiddeld door een vorm – van abstractie was meestal geen sprake, niet in de taal, niet in het spel, niet in scenografie of beweging. Alsof een meer gesluierde vorm van vertellen een luxe was die deze generatie zich niet kon of wilde veroorloven. Alsof alles nog te ‘vers’ was, en er eerst maar eens langdurig en herhaaldelijk moest worden gezegd, verteld, uitgeschreeuwd wat er was gebeurd, en nog steeds aan de hand was.

 

Het Zuid-Afrikaanse theater en mijn gesprekken met makers en toeschouwers daar zetten mijn kijken op losse schroeven, want hoewel ik de noodzaak van dit soort voorstellingen respecteerde, kon ik er als theatercriticus maar moeilijk enthousiast over zijn. Ik vond het drammerig en opdringerig, expliciet en pamflettair, met personages die vaak niet meer waren dan talking heads – lege vehikels van politieke ideeën in plaats van autonome karakters. Bovendien dwongen het kijken naar en schrijven over deze voorstellingen me in een morele positie, want zoals Susan Sontag al in 1966 schreef in Against Interpretation: wie een kunstwerk terugbrengt tot zijn interpretatie, ziet zich vervolgens gedwongen tegenover die content stelling in te nemen. Als een theatervoorstelling vooral bestaat uit boodschap, is dat wat verteld wordt dan goed of slecht, moreel aanvaardbaar of verwerpelijk? Ik nam de gesprekken mee terug naar huis en vandaag merk ik dat ik hier in Vlaanderen steeds vaker op dezelfde vragen stoot.

 

Een groeiend aantal makers vertelt vandaag in eigen land ook zo’n verhaal van strijd en onderdrukking, en slingert zijn boodschap op een even onbemiddelde vorm naar het publiek, met de dwingende vraag tot morele stellingname. Dihya, een samenwerking tussen regisseur Simon De Vos en schrijfster Rachida Lamrabet, is de meest recente in de rij. Actrice Dahlia Pessemiers-Benamar speelt een moeder van wie de dochter radicaliseert in haar strijd tegen, ja, eigenlijk een beetje tegen alles: racisme, het patriarchaat, klimaatverandering, uitbuiting, … Het jonge meisje creëert een internationaal netwerk waarin ze al de verschillende fronten met elkaar tracht te verbinden, maar lijkt op een gegeven moment ook bereid de grens van de geweldloosheid over te steken.

 

Dihya gaat over de vraag naar impact: wat kunnen/mogen jonge mensen doen die de wereld willen veranderen, hoe ver mogen ze gaan? Hoe verhoudt zich de realiteit van het dagelijks leven – wroeten in een broodjeszaak, zoals de moeder doet – tot het romantische idealisme van Dihya’s strijd? Het lijken te overwegen kwesties, maar wie de tekst leest, beseft dat het flinterdunne retorische vragen zijn, want Lamrabet maakt van Dihya, die door haar moeder is genoemd naar een rebelse krijger-koningin uit de zevende eeuw, ondubbelzinnig een activistische heldin. Er is geen twijfel rond de rechtgeaardheid van haar strijd, zelfs niet in het licht van het geweld dat ze mogelijks gebruikt. Dihya staat aan de goede morele zijde van de geschiedenis en de emotie van de moeder door wiens ogen we naar de dochter kijken, komt primair voort uit angst om haar welzijn, niet uit ethische bezwaren.

 

Ook Lamrabet heeft met andere woorden een talking head geconstrueerd: een recipiënt waarin ze haar eigen ideeën over de noodzaak van de hedendaagse emancipatiestrijden en de manier waarop die te weinig op elkaar ingrijpen onder woorden brengt. De ideeën schuilen in de tekst zelf en worden door De Vos nauwelijks getransformeerd, ze krijgen geen vorm of verbeelding die hen werkzaam maakt op een ander domein dan dat van het publieke debat of het georganiseerde meningsverschil. De scenografie (ontwerp van Rachid Laachir) en choreografie van danseres Sandra Delgadillo vullen mee de ruimte maar voegen geen enkele gelaagdheid toe. De soundscape (Osama Abdulrasol) onderstreept in zijn eentonige gekabbel alleen maar het uniforme register waarin Pessemiers-Benamar zich dient te bewegen. Dihya is dan misschien een rijk maatschappelijk pamflet vol urgente ideeën, maar als kunstwerk is het compleet flat.

 

Mag ik dat zeggen? Mag ik verlangen van een kunstwerk dat het een geheim bevat, dat er iets in te ontdekken valt, dat het zichzelf hult in een vorm die het onderscheidt van wat ik dagelijks lees in de krant? Of is dat de voorbijgestreefde eis van een elitaire, witte criticus en is vorm inderdaad een luxe geworden die een generatie geëngageerde theatermakers zich niet meer wenst te permitteren, omdat er iets belangrijks dient uitgeschreeuwd te worden? Als dat het geval is, fair deal, maar laat ons dat dan helder stellen. Laat ons helder stellen dat er van mij als kunstcriticus geen vormanalyse meer wordt verwacht, maar dat het gewoon de bedoeling is dat ik me aansluit bij de ‘goeden’, want ja, natuurlijk, ook ik ben tegen racisme, ik ben voor feminisme, ik vind het verschrikkelijk wat er met het klimaat gebeurt, noem maar op. Waar situeren we eigenlijk tegenwoordig de bestaansreden van de kunsten? Louter en alleen op het domein van de ethiek? Wiens ethiek dan? Is dat niet heel arrogant?

 

Ik wil me op een eerlijke manier tot Dihya verhouden maar ik merk ironisch genoeg dat de enige manier om me uit de morele tang te bevrijden eruit bestaat juist abstractie te maken van wat er wordt gezegd. Want hoe en wat zijn natuurlijk niet te scheiden, vorm en inhoud zijn één en hetzelfde, zoals Sontag in hetzelfde essay uit 1966 betoogt, als twee zijden van dezelfde medaille. Vanuit dat oogpunt vallen Dihya’s gebrek aan vorm en de pamflettaire inhoud inderdaad naadloos samen, op een manier zoals dat in Zuid-Afrika ook het geval was: er primeert niet wat maar vooral dat er wordt gezegd, dat er een verhaal wordt verteld, dat er iets naar buiten kan. De content van Dihya is de schreeuw an sich.

 

Als dat voor de makers van Dihya en voor coproducenten HETPALEIS en Action Zoo Humain bewust het doel was, om het spreken zelf op de bühne te zetten, dan respecteer ik die keuze – in het domein van het politieke gesprek, dat in Zuid-Afrika niet meer te onderscheiden was van het artistieke gesprek, is dat zelfs een goede zaak. Maar als propositie voor een kunswerk blijf ik het problematisch vinden.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie