Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Leontien Allemeersch
Menzo Kircz en Eleonore Van Godtsenhoven zoeken in residu naar verschillende betekenissen die achter een hoop prulletjes kan liggen. Hele verschillende werelden toveren ze op scène, de ene al abstracter dan de andere. Het ene moment is het object de aanleiding voor een verhaal, het andere is het een pion op een spelbord. Het is een best fascinerend experiment, al haalt het ook wat levendigheid uit het stuk.
Het opzet van de voorstelling is simpel. In opeenvolgende scènes zoeken Menzo Kircz en Eleonore Van Godtsenhoven naar verschillende manieren om lijsten aan objecten op te sommen.
In de eerste scène ontrafelt Kircz bijvoorbeeld een hoopje rommel, terwijl Van Godtsenhoven in een reeks onnatuurlijke houdingen kruipt. Ze doet hard haar best om duidelijk te maken dat ze ook een object is. Om de beurt verzinnen ze een verhaal bij een prulletje. Een dennenappel wordt dan bijvoorbeeld de laatste van heel IJsland, een touw hield tot voor kort een zeilboot aan de kade of een goudkleurige folie en een kleikorreltje worden afbeeldingen van de zon en van mars. De verbeelding van een hele fictieve wereld achter de objecten geeft een kinderlijke vrolijkheid aan het begin van het stuk.
Al snel verschuift de aandacht voor de – verzonnen – werelden van de objecten naar wat ze op zich kunnen bereiken. Zo wordt Kircz lichaam ook tot object omgetoverd wanneer Van Godtsenhoven voorzichtig de spulletjes op zijn gezicht en lichaam plaatst, alsof hij een uitstaltafel is. De lichamen van de twee acteurs moeten ook objecten zijn, hun speelstijl is dan ook vrij afstandelijk naar elkaar en naar het publiek toe.
De rest van de voorstelling volgt telkens een gelijkaardig stramien. Eerst neemt taal het over van de fysieke objecten en declameren ze om de beurt hoe ze in een kristallen bol alle dingen op de wereld gelijktijdig kunnen zien. Alle fonteinen van de wereld, een zonsondergang in Cuba, massa’s mensen, alle ogen van alle mensen, alle zandkorrels, alle bedden waar ze ooit in sliepen. De spulletjes staan dan niet meer voor verhalen, maar taal representeert een reeks objecten.
“Residu brengt een fijn experiment, een soort ode, aan de verschillende statuten die een object kan hebben. Van een aanleiding tot verzonnen verhalen tot een representatie van de wereld en concepten.”
De spullen zelf vormen ondertussen verschillende constellaties op het podium. Eerst worden het nog punten in een kronkelende lijn, later krijgen ze terug een eigenschap door ze te sorteren per kleur en per grootte, voor ze in een grid over het podium worden gelegd. In nog een passage wordt hun materialiteit tegenover hun eigenschapsloosheid geplaatst. In een lange passage vergroot een opname elk object tot gigantische proporties. De ruwheid van de prulletjes op de projectie staat dan in contrast tot het werkelijk klein puntje in het grid op de speelvloer. De objecten als geheel, op zich, eisen dan geen aandacht meer op. Een speelgoedpaardje wordt dan tegelijkertijd een punt op het vlak en een stuk plastiek met krassen en texturen, maar doet niet meer aan dat paardje zelf denken.

© Leontien Allemeersch
In residu wisselen objecten en taal elkaar af in hun vermogen om de wereld te beschrijven, te representeren. De Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure loert om de hoek met zijn Signifiant/Signifié. Dat wordt het duidelijkst in een krachtige scène waarin de twee spelers opnieuw ieder voor zich een object neerleggen en zo een fictieve kaart maken. Het lijkt een synthese van de voorstelling. Als pionnen leggen ze eerst een reeks objecten neer die je bij een klassieke maquette zou verwachten. Akkers, het bos, vuur, huizen, de objecten representeren een tastbare wereld, op schaal. Beetje bij beetje voegen ze ook concepten toe, alsof ze een denken proberen uitleggen. Sterren en planeten, de toekomst, zorgen, verveling, wat we nu nog niet kunnen zien. Als ze naar het einde toe ook elkaar op het plan zetten, merk je dat de betekenis van hun spel verandert. ‘Dit ben jij’ klinkt in combinatie met een object op een bord zetten als een verschaalde representatie van een persoon, alsof ze een bankinbraak plannen. ‘Dit ben ik’ associeert dan weer met een gezelschapsspel, met een concept.
Residu brengt zo een fijn experiment, een soort ode, aan de verschillende statuten die een object kan hebben. Van een aanleiding tot verzonnen verhalen tot een representatie van de wereld en concepten. Elke poging om te achterhalen wat er nu eigenlijk gerepresenteerd wordt, elke poging tot een interpretatie eindigt echter in een vreemd ongemakkelijke, politieke ondertoon.

© Leontien Allemeersch
Te midden van de Coronapandemie schreef Bernard Dewulf het essay ‘Bestudeer je Theelepeltjes’. Het was tegelijkertijd een prachtige ode aan hele werelden ontdekken in de kleine zaken en toch ook lichtjes belerend voor wie wat minder geduld had. Op boze momenten dacht ik toch: de schoonheid van de wereld kan je toch niet evenaren met uren staren naar wat rommel uit je keukenlade? Maar het ging hem om hele verhalen te ontdekken in de alledaagse objecten. Het vele in het geringe.
Residu lijkt op het eerste gezicht dezelfde oproep te doen als Dewulf, een aandacht vragen voor de dagelijkse objecten die ons omringen. Al snel besef je echter dat de voorstelling eigenlijk het tegenovergestelde doet. Dewulf zoekt naar verhalen achter de objecten, naar de schoonheid en het leven in de objecten zelf. Maar residu reduceert als een machine alle verhalen, alle elementen in de voorstelling een object. Het toont de schoonheid van de taal door zijn taalgevoeligheid en de vele woordgrapjes, maar toch voelt de tekst te veel als een geschreven gedicht. Je voelt bijna het papier waarop het geschreven is. Ook verdwijnt de spitsvondigheid van de verhalen bij de objecten in de eindeloze stroom aan voorbeelden.

© Leontien Allemeersch
Zelfs de scenografie is ontworpen om alles tot object te maken. In de rechterhoek, over de helft van het podium staat een constructie uit multiplexplaten. Een vloer helt omhoog naar de verste hoek en twee wanden schermen de werkelijke muren van het podium af, wat een bijna klinische speelruimte geeft. De hellende constructie zorgt voor een gezichtsbedrog: het lijkt alsof wij, de toeschouwer, vanuit een onnatuurlijke hoek naar het vlak kijken, alsof we boven de scène hangen. Ook wij worden zo een beetje een object, losgerukt van onze normale kijkpositie.
Misschien is de fascinatie voor het object nog het duidelijkst in de laatste handelingen op de scène. Eerst omringen ze om de beurt elkaars lichaam met spullen, als een forensische krijttekening. De lijven veranderen opslag in twee levenloze objecten op dat podium. Als ze ernaar staan te kijken, begint Van Godtsenhoven eindeloos hetzelfde verhaaltje te herhalen, tot het geluid en de lichten doven. Het voelt alsof na het overlijden van haar lichaam nu ook haar verhaal uitdooft. Ook haar gedachten worden zo een te analyseren object.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.