Jean-Pierre De Decker (Links) en F.X. Kroetz (midden) n.a.v. Lieve Hemel! IN 1979 DOOR HET NTG

Roger Arteel

Leestijd 7 — 10 minuten

Regisseren is activeren: Herinneringen aan Jean-Pierre De Decker

Op 3 juni jl. overleed onverwacht Jean-Pierre De Decker. Op 28 april had hij nog een bijeenkomst geleid in de Gentse KNS waar 36 jaar Nederlands Toneel Gent (NTG) definitief werd afgesloten en onder meer hulde werd gebracht aan Dré Poppe, eerste directeur van het NTG en ‘leermeester’ van De Decker. Inmiddels had hij ook de programmering rond van zijn Publiekstheater Gent, dat op 1 juli officieel werd en de voortzetting zou kunnen zijn op grotere schaal van wat De Decker bij het NTG al een tijd bezig was onder het motto: ‘Theater voor een publiek, publiek voor een theater’.

In 1997 volgde De Decker (Gent, 29.04.1945) Hugo Van den Berghe op als artistiek directeur van het NTG. Hij diende ervoor te zorgen dat er meer volk zou komen. De raad van bestuur ontsloeg het ‘oude’ NTG-gezelschap en De Decker bereikte met een nieuwe en vooral jonge ploeg spelers en door een aanbod van activiteiten die in thematiek enigszins aansloten bij de gespeelde stukken, effectief een groter publiek. Dit streven naar een ‘open huis’ wilde hij ook koppelen aan een gevoelige uitbreiding van de speel-plateaus, eventueel door co-partnership of fusie, een ambitie die echter voorbijging aan allerhande gevoeligheden. Uiteindelijk is er een fusie met Arca tot stand gekomen en krijgt Arca de functie terug die het 50 jaar geleden van de initiatiefnemers (onder wie Dré Poppe) had meegekregen: het beklemtonen van de avant-garde, wat dat nu ook nog mag betekenen.

De Decker zal in de herinnering blijven als een regisseur die er uitstekend in slaagde de gelijkwaardigheid van schrijver, speler en spelleider te demonstreren. Hij had niet de bedoeling waarin dan ook een vernieuwer te zijn. Regisseren was voor De Decker dirigeren en vooral activeren van de creativiteit. Creëren stond altijd voorop. Niet alleen vanuit het woord, ook vanuit het lichaam en vooral vanuit de eigen persoonlijkheid. Activeren van een speler betekende voor hem, dat de regisseur in dienst staat van de speler, zonder daarom zijn dienaar te zijn. Daar is hij 34 jaar van zijn leven en in meer dan 80 regies mee bezig geweest in theater, televisie en eventjes in de film.

Labowerk

De Decker heeft zijn loopbaan ooit ingedeeld volgens vijfjarenplannen, maar die indeling ldopte niet altijd. Feit is, dat hij zich het recht voorbehield op geregelde tijden van werkplaats of van genre te veranderen.

Na twee jaar germanistiek in Gent trok De Decker naar het RITCS (Hoger Rijkstechnisch Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding, dat in 1962 was gestart; het huidige RITS) in Brussel. In 1967 acteerde en regisseerde hij in het Mechels Miniatuurtheater bij Franz Marijnen. Hij kwam ten slotte als acteur in Arca terecht, dat moeilijke overgangsjaren kende na het weggaan van Poppe in 1965 naar het NTG.

In 1968 namen Jo Decaluwe en Jean-Pierre De Decker de leiding van Arca over. Daarmee was Arca het eerste theater dat bestuurd werd door twee gediplomeerden van het RITCS. Voor De Decker was het niet zozeer van belang met andere, hier nog onbekende schrijvers uit te pakken, dan wel die stukken te spelen waardoor zijn creativiteits-drang en deze van de spelers werd gestimuleerd en kwaliteitswerk kon worden afgeleverd, ongeacht welk etiket de schrijvers of de critici er wilden opplakken.

‘Arca bouwt een repertoire op van nieuwe avant-garde, aktuele dramaturgie, of wat vandaag de dag eksperimenteel kan genoemd worden. Een introduktie van jonge auteurs, akteurs, regisseurs, nieuwe stukken. Underground, workshop, anti-teater, kabaret, improvizatie, teaterlabo, enz.’, klinkt het in een soort beginselverklaring in het Teaterjaarboek 1969-1970. Een nogal overmoedige verklaring, zoals blijkt uit deze bekentenis van De Decker in een interview in Kreatief van december 1971: ‘Ik ga helemaal akkoord met Carlos Tindemans dat de oorspronkelijke doelstellingen van het kamertheater praktisch helemaal verdwenen zijn en dat we zouden moeten overschakelen op labo- en researchwerk. Op dit ogenblik lijkt mij dit evenwel heel moeilijk, omdat aan acteurs en jongeren vooral van hogerhand geen enkele kans geboden wordt.’ Met die laatste oprisping doelde De Decker op het feit dat toen heel wat getalenteerden naar Nederland of verder uitweken. De bekendste onder hen was allicht Franz Marijnen. Arca kon er echter prat op gaan een groot aantal jonge en minder jonge spelers kansen te geven, zoals Reinhilde Decleir, Ivo Pauwels, Anton Cogen, Bob De Moor, Marcel De Stoop, Els Magerman, Leen Persijn, Dries Wieme, Filip Vanluchene, Dirk Buysse, Arnold Willems, Leah Thijs, Inge Mollet, die met De Decker door het vuur gingen.

In Arca betoonde De Decker zijn fascinatie voor het werk van een generatiegenoot als Peter Handke met de creaties van Kaspar (in 1969) en Sprekenjulliedromenjullie? Of: De rit over het Bodenmeer (in 1971), stukken waarin Handke ingaat tegen het clichématige van de gesproken taal. Als acteur stond hij in 1969 in Arca in Handkes Dag Jan… (Publik-umsbeschimpfung). Volgens De Decker trekt Handke de lijn door die begint bij Ionesco over de nouveau roman naar een nieuw realisme: een theaterrealisme, waarin de theatrale momenten uit het dagelijkse leven worden verwerkt en versterkt.

Met Kosmika (in 1969) het debuut van Jan Decorte als auteur, kreeg De Decker volop de kans om de taal als een fysiek element uit te spelen. Het stuk sluit aan bij de ideeën van Antonin Artaud, die brak met de onderworpenheid van het theater aan de tekst, en pleitte voor een terugkeer naar een oertaal en naar een ritueel zonder wezenlijke scheiding tussen speler en toeschouwer. Decorte plaatst de toeschouwer voor de projectie van zijn dromen en confronteert hem met zijn driften, obsessies, erotische fantasieën, misdadige verlangens. De productie bleek een zware dobber die meer tijd vergde om zowel de fysiek als de taalbeheersing rond te krijgen, maar als werkstuk kreeg Kosmika alle krediet.

Met La Turista (in 1970) van de Amerikaan Sam Shepard werd alweer een ander aspect van taalgebruik belicht. ‘Sam Shepard vertelt zijn verhalen in flitsende lichtstralen die ons tijdelijk verblinden maar een stralend nabeeld van silhouetten in ons hoofd achterlaten’, aldus Ross Wetzsteon. La Turista verwijst naar Mexico, drugs, koorts en buikloop, maar is in feite een metafoor voor de kwalen in de USA. De Decker maakte er een voorstelling van die van een zeldzame spelvreugde getuigde.

De Peruviaanse auteur Alonso Alegria is nu wellicht nog even onbekend als in 1972 toen De Decker De overtocht van de Niagara creëerde. Het stuk gaat over een koorddanser die de Niagarawaterval oversteekt met een jongen op zijn schouder. De knaap wil de mythe rond de acrobaat-danser relativeren en zich tegelijk met hem vereenzelvigen om samen een derde persoon te zijn. De voorstelling slaagde als combinatie van tekst en fysiek én als overbrugging van het generatieverschil tussen een volgroeid acteur (Dries Wieme) en een jonge conservatoriumstudent (Filip Vanluchene).

Corporeel theater in functie van erotiek was eind jaren zestig in Vlaanderenmaar zelden getoond. De Decker had het taboe al doorbroken met Kosmika van Decorte en het Gentse theater Arena zou dat ook doen in 1971 met En ook de bloemen werden geboeid van Fernando Arrabal, maar liep na de eerste opvoeringen een zware veroordeling op. Dat belette De Decker niet om in 1972 Anna Lusa (David Mowat) te creëren, waarin een hoge graad van sereniteit werd bereikt in het weergeven van erotische gevoelens van blinde meisjes in een inrichting voor gehandicapten.

Herkenbaarheid

De Decker is nooit de regisseur geweest van één gezelschap of van één soort theater. Zelfs als huisregisseur ging hij nog freelancen. Tijdens zijn Arca-perioderegisseerde hij ook nog bij Arena, Vertikaal, het BKT en in de Korrekelder. Een opmerkelijk succes, ook wat het aantal toeschouwers betreft, was Poetsoek van Vaclav Havelbij Vertikaal (1969-1970), een politieke satire over de ontmenselijking van het individu.

Na vijf jaar Arca hield De Decker het daar voor bekeken. In 1976 verklaarde hij aan Rik Lanckrock: ‘Ik verliet Arca omdat ik van oordeel was dat een periode van vijf jaar kamerteater ruimschoots voldoende was in mijn optiek. De konfrontatie met een ander medium leek me boeiend: met de hulp en veel goede raad van Dré Poppe ging ik over naar de dienst drama van de Vlaamse Televisie. Daarenboven kon ik als mede-direkteur niet meer volledig achter de werking van Arca staan en ook de subsidiëringspolitiek van de kamerteaters leek mij volkomen onaanvaardbaar geworden.’ Dré Poppe had na zijn ontslag in 1967 bij het NTG de evolutie van de afdeling tv-drama op de Vlaamse televisie van nabij meegemaakt als regisseur. Er bleek daar grote nood aan regisseurs die het medium televisie kenden en tegelijk konden omgaan met acteurs die uit het theater kwamen. Dat bleek Jean-Pierre De Decker zeer goed te kunnen. Van 1973 tot 1978 verfilmde hij er onder meer Voorjaarsontwaken van Frank Wedekind, over ontluikende seksualiteit tegenover hypocriete moraal, een productie die zelfs in 1976 bijna onmogelijk werd gemaakt. Een ander hoogtepunt was Er was eens in december, een vrij origineel, hedendaags kerstverhaal van Roger van Ransbeek, waarvoor De Decker de Prijs van de TV-Kritiek 1978 kreeg.

Was hij in Arca gefascineerd door het werk van Peter Handke, voor de Vlaamse televisie verfilmde hij drie stukken van Franz Xaver Kroetz, een auteur die hij ook in zijn NTG-periode zou koesteren, en die in zijn werk verwantschap vertoont met het theaterrealisme en de verhouding tussen personage en taal, die De Decker ook bij Handke aantrof.

Stilaan was echter een evolutie waar te nemen in de regies van De Decker, van het vormexperiment à la Handke naar het sociaal engagement a la Kroetz. Een grote zorg voor de vorm enerzijds, vanuit een artistiek individualisme, een kiezen voor herkenbaarheid in de inhoud anderzijds, vanuit een bekommernis voor de kwetsbare mens. Merkwaardig is dat de man die van het intieme en het uitdagende van de kleine scène en het kleine scherm hield, met evenveel enthousiasme de overstap naar het grote plateau maakte.

Vakmanschap

Van 1977 tot 1986 was De Decker huisregisseur en lid van de beleidsgroep bij het NTG. Eigenlijk was hij na Arca nooit volledig uit Gent weggeweest. In januari 1973 regisseerde hij bij het NTG Interieur van Hugo Claus, weg van elk mogelijk naturalisme en met een onvergetelijke Ann Petersen als de pastoorsmeid Natalie. In 1974 stond hij daar weer, nu met De aannemer van David Storey, waarin Jef Demedts uitblonk.

Evenals in Arca beleefde De Decker bij het NTG topjaren. In het seizoen 1979-1980 regisseerde hij

maar liefst drie totaal uiteenlopende stukken en telkens haalde hij een niveau dat voor Vlaanderen uitzonderlijk mag genoemd worden. In Lieve hemel! van F. X. Kroetz, toonde hij wat visualiseren van een tekst eigenlijk betekent. Met De meeuw (A. Tsjechov) bevestigde hij zijn opvallende feeling om een stuk correct te interpreteren en zijn onbetwistbaar technisch meesterschap om het een vorm te geven. Bruiloft van Elias Canetti gaf aanleiding tot een prachtige analyse van De Deckers regiekunst door Frans Verreyt: ‘Hij tracht niet iemand te dwingen in het personage zoals hij dat vooraf definitief omlijnde. Hij wenst geen marionetten. Ook Bertolt Brecht, als regisseur, werkte zo: praten met de acteurs, voorstellend het zo of eventueel zo te doen, zoekend naar wat elk het best ligt, en tevens afwegend wat het best past in het geheel van het concept. Dit is typisch regisseurstheater, maar dan met een regisseur die de mogelijkheden evalueert en ze ordent.’ (De Nieuwe, 30.05.1980).

Ondanks het overweldigend succes van Peter Pan in 1985 en een danteske afdaling in de kern van een man-vrouwrelatie met De reisgids van Botho Strauss in 1986, ging De Decker toch weg bij het NTG, moe van de geschillen tussen de raad van bestuur en de beleidsgroep die uiteindelijk afgeschaft werd. Hij bleef lesgeven aan het Gentse Conservatorium en het freelancen gaf hem onder meer de gelegenheid met musicals bezig te zijn in Vlaanderen en Nederland.

In 1988 kwam De Decker in Brussel in de KVS regisseren. Hij had een nieuwe favoriete auteur: Lars Norén, van wie hij twee stukken deed: Nachtwake, waarmee hij een stijlvolle entree maakte, en Een onderwereldse glimlach waarmee hij in 1993 bij wijze van afscheid de spelers op zo’n niveau bracht dat het vermoeden werd gewekt dat de wedergeboorte van de kwijnende KVS was ingezet. Wat hij daar tussendoor regisseerde – Alice (Jan De Vuyst), Kijk, het bloedt (Kristina Lugn), Lulu (F. Wedekind) en La grande magia van Eduardo de Filippo – was niet altijd even sterk, maar kon toch telkens gelukkig stemmen.

Met het experiment van De discrete charme van de bourgeoisie (naar het filmscenario van Luis Bunuel) in mei 1993 in een aangepaste Minnemeersruimte, was voor De Decker de cirkel rond. Hij was weer in Gent en zou het NTG niet meer loslaten. Zijn Publiekstheater Gent is een feit en een tastbare herinnering aan een nooit aflatend vakman.

 

 

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Roger Arteel