de redactie

Leestijd 2 — 5 minuten

Redactioneel Etcetera 155

R.I.P. Meneertje Geniaal

Een hele poos kon de keizer er ongestoord mee rond paraderen, maar #MeToo trok hem onlangs – definitief? – de pronkerige kleren van het lijf. Neen, we willen het hier niet opnieuw over de strapatsen van die ene fameuze regisseur hebben, daarover is al voldoende inkt gevloeid. Wel over een specifieke beeldvorming rond het kunstenaarschap, die vandaag razendsnel veroudert en uit de tijd valt.

Lang was het een collectief gecreëerde fictie met een aanzienlijke impact on the ground: die van het idiosyncratische genie, één van de vele erfstukken uit de Romantiek. Vlotte één-tweetjes tussen communicatieverantwoordelijken van theaters en de pers plantten de idee regelmatig in de bredere publieke verbeelding. Ook een vakblad als Etcetera schreef in haar 35-jarige bestaan dikwijls gretig mee aan verschillende personencultussen.

Die symbolische uitzonderingstoestand kwam sommige kunstenaars en hun entourages bijzonder goed van pas om persoonlijke excessen van allerlei slag te legitimeren, door de vingers te zien, te verdoezelen. In de repetitiezaal kon al eens begripsverwarring ontstaan tussen een grensverleggende praktijk en grensoverschrijdend gedrag. Idem dito voor klaslokalen in kunstacademies, waar docenten zich konden wentelen in de waan dat ze jonge studenten mochten ‘afbreken’ om hen daarna weer ‘op te bouwen’. Ongetwijfeld zijn zo’n scheve machtsverhoudingen vandaag nog niet totaal verdwenen. Ze zijn wel passé.

De idee van het alleenstaande genie is niet alleen onhoudbaar in een tijd van aanwassende kunstenaarspopulaties, die ex-regisseur Jan Ritsema ooit de ‘army of artists’ noemde. De periode waar anderhalve student per jaar afzwaaide aan de toneelschool van Dora van der Groen ligt al even achter ons. Binnen de podiumkunstpraktijk was die opvatting eigenlijk altijd al een fremdkörper. Het collectieve karakter van theater, opera, dans, performance, circus, etcetera, onderscheidt deze disciplines van pakweg de literatuur of heel wat beeldende kunst. Dat hoeft trouwens niet veel af te doen aan het onmiskenbare bestaan van singuliere esthetische signaturen of zeldzame talenten. Zo besteden we in dit nummer uitgebreid en kritisch aandacht aan het werk van Romeo Castellucci en Julien Gosselin.

Het punt is dat deze artistieke vermogens zich niet in een vacuüm ontwikkelen. Het geniebegrip maakte die schatplichtigheid – aan een ploeg van medewerkers, een artistiek veld, een geschiedenis, maatschappelijke privileges – te vaak onzichtbaar. In hun extreem gedetailleerde boek rond het maakproces van Kris Verdoncks End (2008) traceerden Marianne van Kerkhoven en Anoek Nuyens een paar jaar terug nog de gelaagde verdeling van auteurschap achter deze meesterlijke voorstelling, inclusief de verregaande invloed van technici. Sarah Vanhee somde in haar solo Oblivion (2015) een lange lijst van medewerkers, vrienden en familieleden op: zonder deze afhankelijkheden had ze het werk niet kunnen realiseren.

Een groeiend eco-centrisch kunstenaarschap, dat zowel beïnvloed- baar als invloedrijk kan zijn, verdrukt vandaag de achterhaalde ego-centrische praktijk en beeldvorming. Tussen de totaalregisseur en het spelerscollectief ligt een spectrum aan mogelijke samenwerkingsverbanden, die horizontale en verticale verhoudingen op uiteenlopende en gelaagde manieren met elkaar kunnen combineren. Op een ontroerende manier pleitte theatermaakster Hannah De Meyer onlangs in een opiniestuk voor De Standaard voor een praktijkmodel waarin regisseurs ‘samen met hun acteurs gebieden opzoeken waar ze allebei nooit eerder zijn geweest. Gebieden waar ze samen zijn, samen veilig en samen onveilig.’ Een model dat we als redactie delen en waar we graag alle kunstenaars, kunstwerkers en liefhebbers mee in uitnodigen.

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

#155

14.12.2018

14.03.2018

de redactie

Ciska Hoet, Sébastien Hendricxk, Kristof van Baarle, Natalie Gielen, Charlotte De Somviele

artikel