Elke Van Campenhout

Leestijd 7 — 10 minuten

Quod erat demonstrandum: Junge Hunde festival #5 (Monty)

Ja, er is een nieuwe generatie podiumkunstenaars aan het werk. Ja, er valt nog wel iets te beleven in het theater (of in de repetitiestudio, of op de overloop van het theater, of in de container vóór het theater, of waar dan ook). En nee, u hebt nog niet alles gezien wat er te zien valt. Of anders was u er wellicht bij op het Junge Hunde-festival, waar al deze stellingen overtuigend kracht werden bijgezet: Quod erat demonstrandum.

Tijdens de vijfde editie van dit festival werd in het Antwerpse kunstencentrum Monty opnieuw ruimte vrijgemaakt voor een keur aan internationale theatermakers, choreografen en randgevallen. Het programma leverde een verrassend spannende mix op. Door het spreiden van de voorstellingen over de verschillende ruimtes van het gebouw, en het inlassen van een pauze, was er geen sprake van festivalitis, waarin de kunstenaar zijn eigenheid node kan bewaren. Hierdoor tekenden bijna alle aanwezigen voor een sterk persoonlijke bijdrage. Met als enige rode draad de urgentie van hun vraagstelling -of die nu ging over gender, theater, de kunstenaar, de media of de aanwezigheid op de scène.

De voorstelling die ogenschijnlijk het meest letterlijk tegemoetkomt aan de vereisten van de wetenschappelijke bewijsvoering is ongetwijfeld het nieuwe installatieproject van Eva Meyer-Keller, Uta Eisenreich en Alexandra Bachzetsis, voor de gelegenheid samenwerkend onder de naam Karen Eliot. Hun It’s a kind of magic is, net als de voorganger For those who didn’t pay attention in chemistry class, een eigenaardige opeenstapeling van quasi-wetenschappelijke demonstraties, gecombineerd met een haast surrealistische beeldpoëzie, binnen een compleet atheatraal opzet. De drie performers leggen onaangedaan een parcours af doorheen logboekfragmenten van hun ‘onderzoek’, proefondervindelijke opstellingen van onder meer psychologisch gemanipuleerde bordjes gekookte rijst of ballonnen geladen met statische elektriciteit, interviewfragmenten met dubieuze ‘alternatieve wetenschappers’ en afgrijselijke karaoke-momenten. De rode draad doorheen de experimenteerdrift van dit laboratorium is niet geheel duidelijk. De verzamelde ‘wetenschappelijke’ data waarmee wordt gewerkt, variëren van een vergelijkend gesprek over de smaak van rabarber- en appeltaart, over een getuigenis van een vrouw in een spookhuis, tot een live telefoontje met een Duitse tarotkaartlegger. Eva Meyer-Keller functioneert op een bepaald ogenblik, spartelend in een grote zak, als blinde aanwijzer van lettertekens die een antwoord moeten formuleren op nijpende vragen over het toekomstige liefdesleven van één van haar collega’s. Op het einde van de sessie wordt één van de performers aan een katrol de lucht in getrokken.

Dit onderzoek aan de rand van de wetenschap is tegelijkertijd een laconiek aftasten van de grenzen van het theater. Opvallend hierbij is het ontbreken van enige dramatische opbouw, narratieve logica of choreografisch patroon. Het is een uiterst demonstratief opzet dat zich hier en nu afspeelt en waarbij bewegingen, proefjes en popnummers simpelweg achter elkaar worden gepresenteerd. Het is een proefondervindelijk theater, dat het alledaagse tot exploratiedomein heeft gekozen en eenvoudigweg, door de absurditeit van de situatie, een paar nylons en appelen of een glas gekleurd water een verontrustende kwaliteit verlenen. It’s a kind of magic is inderdaad een soort goochelshow: niks in de handen, niks in de zakken, en toch lijkt het alsof alle voorwerpen die de performers aanraken door Alices konijnenpijp zijn komen aanrollen. Eva Meyer-Keller trekt hiermee de lijn door die zij met Death is Certain had aangezet. In die performance bracht ze één voor één eenenveertig kersen (of kerstomaatjes, al naar gelang het seizoen) op inventieve wijze met alle middelen uit de doordeweekse keuken om het leven. En ook nu, in de samenwerking met haar collega’s van Karen Eliot, is het opzet: het zichtbaar te maken wat onder de huid van de alledaagse realiteit verborgen ligt. Een onverstoord boren naar de angsten, trauma’s en verborgen wensdromen van de ogenschijnlijk doodnormale burger. Gevolg: een huis raakt opeens bezeten van geesten, een bordje rijst blijkt gevoelig aan psychologische vibraties en de op- en neergaande beweging van een touw maakt een beeld zichtbaar dat vanuit het niets geprojecteerd lijkt. Wat Meyer-Keller en collega’s in hun laconieke proefjes aanwijzen is de onverklaarbare afgrond waar wij dag in dag uit langsheen balanceren, maar die het grootste deel van de tijd voor ons verborgen blijft. Wat zich toont, is de dunne lijn tussen normaliteit en paranoia, tussen wetenschap en parawetenschappelijke onzin, tussen een ‘normale’ en een verrassend gestoorde omgang met het dagdagelijkse dat ons omringt.

Een andere boeiende voorstelling was Walk Cat, Walk! van het Noorse Transiteatret. Bij de aanvang zitten drie acteurs op het podium; ze staren gespannen de zaal in. Wanneer ze beginnen te spreken, blijken ze antwoord te geven op onhoorbare vragen uit het publiek. De voorstelling ontwikkelt zich als een ingenieuze mix tussen een persconferentie, een Hollywood-parodie, een artistiekerig panelgesprek en een therapiesessie voor supersterren. In hun vraagstelling wordt de kunst over de catwalk heen gekalkeerd. De kunstenaar valt samen met de ‘superster als gewone mens’. Het resultaat is een aanstekelijk grappig koketterend acteurstrio dat zijn loze waarheden en narcistische levensinzichten in het ijle weg debiteert.

Naast de bijna gênant onoprechte scènes waarin de performers hun banale zielenroerselen verkopen als diepgaande kunstfilosofische bespiegelingen, wordt een plagerige reconstructie geplaatst van enkele scènes uit een Hollywood-oorlogsfilm. De muzikanten die de oorspronkelijke epische orkestscore reduceren tot pijnlijk eenvoudige riedeltjes ontmaskeren het heroïsche verhaal over zelfopoffering, moed en Ware Liefde als een absurde constructie. Ontdaan van alle verblindend bombast, blijft er van de meeslepende retoriek geen spaander meer heel. De nagespeelde dialoog lijkt, uit zijn context gerukt, een akelig manipulatief staaltje van publieksverlakkerij. Ook de emotionele ‘autobiografische’ verhalen van de ‘sterren’ zelf werpen een parodiërend licht op de autoreferentiële, nietszeggende kunsttheorieën die de ‘beleving’ van consument en maker centraal stellen. Waarin alleen al de inbedding van de creatie in waar gebeurde feiten, persoonlijke trauma’s, of diep-doorvoelde wazige theorietjes, haar ‘authenticiteit’ lijkt te waarborgen.

Transiteatret haalt op die manier een dubbele slag binnen. Door twee verschillende betekenislagen over elkaar te laten heen schuiven, haalt Walk Cat, Walk! enerzijds uit naar de onberedeneerde suprematie van de emotionaliteit binnen de media. Waarbij de persoonlijke betrokkenheid op een specifieke held een complete oorlog aanvaardbaar maakt. Maar anderzijds maakt de voorstelling ook een meedogenloze analyse van de oppervlakkige debatcultuur, waarbinnen de bestaansreden van de kunst gereduceerd wordt tot de vierkante meter gecultiveerde potgrond van onze eigenste secret garden. Het artistieke proces valt op dat moment samen met een allerindividueelste autobiografische ontboezeming. Waardoor de opdringerige Hollywood-retoriek op prikkelende wijze samenvalt met een verleidelijk authenticiteitsdiscours van de hedendaagse kunstenaar. Door het inventieve gebruik van uiteenlopende commerciële formats en haast magisch aandoende tussenscènes is Walk Cat, Walk! zowel een theatraal spitsvondige, als analytisch scherpe voorstelling geworden.

Erg intrigerend was ook Forma Interrogativa, een choreografie die Magda Reiter samen met de Sloveense voormalige prima ballerina Mateja Rebolj creëerde. Beide danseressen zoeken elk vanuit hun eigen achtergrond naar hun plaats op het gedeelde podium. Hun samenspel verloopt aanvankelijk onwillig en ongemakkelijk. De twee danseressen staan naast elkaar op het voorpodium, onwennig schuifelend, hun landerigheid slechts hier en daar doorbroken door een abrupte uithaal. Een beweging die nog geen beweging mag heten. Doorheen de voorstelling ontwikkelt hun aanvankelijke ongemakkelijkheid zich tot een veld van polaire wrijvingen. Rust botst op onrust, afwijzing op aantrekking.

Tegelijkertijd wordt er door de uitdrukkelijke belichting een bijna etherisch dromerige atmosfeer gecreëerd, waarin een onvoltooid verhaal in stukken en brokken vorm krijgt. De theatraal gerichte spots toveren een onregelmatig cirkelpatroon op de dansvloer. De samenhang is onduidelijk. Net als het verhaal dat als dagboekfragmenten opklinkt. Het gaat over een meisje, maar meer komen we over haar niet te weten. Iemand moet haar bereiken, maar we weten niet waarom. Het gaat ook over een slechte man, een moordenaar. De tekst vertoont de logica van een nachtmerrie, een droom die telkens weer op zijn eigen beginpunt terugplooit. De fragmenten sluiten nergens op elkaar aan tot een overzichtelijk geheel. De stukken tekst duiken op als ijsschotsen in het water, onvoorspelbaar en slechts gedeeltelijk zichtbaar.

Ook de dans lijkt meer te verbergen dan hij toont. In een occasionele solo kunnen de danseressen zich wel vinden, maar samen blijft het behelpen; ze lijken verloren te lopen in het tussenveld van vragen die hen van elkaar scheiden. Twee danseressen met een verschillende achtergrond, van een andere leeftijd, met uiteenlopende levenshoudingen. Hun gelijktijdige aanwezigheid op het podium roept meer vragen op dan ze er beantwoordt. Vragen over identiteit, over wat elk van hen eigen is. En waar die eigenheid zich dan precies situeert. De dans die zich vanuit dit uitgangspunt ontwikkelt, is dan ook aarzelend, balancerend tussen terughoudendheid en overgave, tussen een solistische opstelling en een moeizaam zoeken naar enkele minuten van unisono.

Forma Interrogativa zoekt naar een vorm waarin de vraag zich uitdrukkelijk aanwezig stelt. Een vorm dus, waarin dans nooit tot ontplooiing komt, maar altijd blijft hangen in de aarzeling voor de aanzet. Daardoor is het een erg weerbarstige voorstelling geworden, die zowel intrigeert als afstoot. De toeschouwer komt terecht in een dubbelzinnige situatie waarin hem tegelijkertijd iets wordt aangereikt én ontnomen. Het is een gemis, waar hij zich zelf een weg uit moet zoeken. Net als in een droom die vroegtijdig tot een einde komt, en waarvan je zelf in je halfslaap halsstarrig probeert de eindjes aan mekaar te knopen.

Theatrale topper van het festival was ongetwijfeld de Noor Ole Mads Vevle met zijn stuwende monoloog But, what’s it all about?. Ook Vevle duikt onder in de chaos van een ongeregelde wereld. Hij vertelt een haast mythisch verhaal over een man die zich, om aan de veelheid die hem omringt te ontsnappen, een televisietoestel aanschaft, omdat ‘TV captures the chaos in its unfolding‘. Aanvankelijk opgebouwd als een hypnotiserende trailer, worden de woorden op het scherm één voor één in razend tempo op ons afgevuurd. De man duikt onder in de beelden, ziet de hele werkelijkheid in al haar kaleidoscopische verschijningen, van Nietzsche en Freud, over Tarkovski, Britney Spears en Sneeuwwitje, tot Milton en Donald Duck. Hij beheerst de chaos door de veelheid toe te laten. Hij is overgeleverd aan zijn televisie, als een verslaafde aan zijn drug. Tot vele jaren later de man tegenover zijn zoontje staat, die hem vraagt ‘But, what is it all about?

Ole Mads Vevle schreef een ijzersterke monoloog die als een pletwals betekenissen, stromingen, historische situeringen en commerciële erotica herleidt tot de complete onmogelijkheid tot onderscheid die uit de veelheid aan keuzes ontstaat. De man die op de vraag van zijn zoon alleen maar eindeloze associatieve ketens kan verzinnen, oneindige opsommingen van wat gelijkend is en tegelijkertijd totaal tegengesteld, creëert een pornografische opeenstapeling van feiten en beelden, een orgie van informatie. Het is een wereldbeeld waarin het eigen leven niet langer te onderscheiden is van de fictieve Hoop van een ziekenhuisserie. Waarin de taal elke betekenisvolle hiërarchie is ontnomen. De vraag van de zoon naar een significant uitgangspunt, van waaruit hij kan kijken naar wat hem beheerst en omringt, blijkt utopisch. Omdat er buiten het televisiebeeld niets bestaat en het beeld de hele werkelijkheid overkoepelt.

Ole Mads Vevle spuwt dit hedendaagse filosofische sprookje aan mitrailleursnelheid de zaal in. Zijn tekst wordt uitgesproken met de egale overaccentuering van al zijn details – een stijlkenmerk dat hij met de rap deelt. Een spervuur van vaststellingen, van ondraaglijke oppervlakkigheden, die zonder uitzondering tegen hun eigen impotentie oplopen. In zijn monoloog komt Vevle tot een vorm die de horizontaliteit en overvolheid van het televisiemedium volledig kopieert en op een bijzonder intelligente wijze tastbaar maakt.

Verder noteerden we nog een acrobatische dansvoorstelling van het Britse h2dance, de Baskische choreografe Idoia Zabaleta en een bedenkelijke raciale genderstudie van het Franse T.G.V. Daarvoor blijft helaas geen plaats meer over in dit korte bestek. Duidelijk is wel dat het internationale Junge Hunde-festivalbij zijn vijfde editie het juiste evenwicht heeft gevonden tussen artistieke inventiviteit en de verplichtingen van een internationaal toonfestival. Stuk voor stuk getuigden de getoonde voorstellingen van de luciditeit van de programmerende instanties én van de intelligentie van de makers die een podium aangeboden kregen.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#90

15.02.2004

14.05.2004

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.