Artiesteningang: Dries Verhoeven
Dries Verhoeven
© Bieke Depoorter
Delphine Hesters brengt een reeks portretten van gulzige toeschouwers zonder professionele band met de podiumkunsten. Via een gesprek over hun traject speurt ze naar wat hen telkens weer naar het theater voert, welke plaats theater of dans innemen in een mensenleven en welke geschiedenis zich ontplooit in de persoonlijke terugblikken en reflecties. Fotografe Bieke Depoorter levert het beeld. Deze aflevering is de vierde en laatste.
Ik kwam Greta Coppens op het spoor als ‘vrouw van’ en ‘moeder van’ vader en zoon Tindemans. de vader: Carlos, criticus en Vlaanderens eerste hoogleraar theaterwetenschap. De zoon: Klaas, vandaag verbonden aan het RITS, theaterauteur en huisdramaturg van de Roovers. Maar over hen gaat dit gesprek niet. Wel over kleine Greta die in de jaren veertig de begindagen van het Antwerpse jeugdtheater meemaakte; over de moeder van vier die met een markante vanzelfsprekendheid verscheidene avonden per week in het theater te vinden was, en over Carlos’ trouwe compagnon. Wanneer die laatste na de voorstelling zonder omwegen de wagen in dook, terug richting Edegem, zat naast hem Greta, zijn eerste klankbord. Recensies schrijven begon onderweg: ‘Heb je dat gezien? En wat dacht je daarover?’ Twee analytische geesten op pad doorheen enkele decennia Vlaamse en internationale theatergeschiedenis.
Ik ben toch meer een bèta. ‘Ons moeder is een alfa én een bèta,’ beweert mijn jongste dochter. Maar ik ben daar toch niet van overtuigd. Rationeel proberen verklaren, misschien is dat de beste manier om het te omschrijven. Hoewel. Ik lees veel, en niet enkel puur wetenschappelijke dingen. Geschiedenis interesseert mij ook heel sterk. Ik ben gefascineerd door de wereldoorlogen. Maar ik denk dat ik toch meer bètagericht ben. Ik heb getwijfeld tussen Germaanse en scheikunde toen ik in 1951 naar de universiteit van Gent trok, maar ik heb dan toch voor scheikunde gekozen.
Twee jaar geleden ben ik voor het eerst in mijn leven alleen naar het theater gegaan. En net verleden zondag voor de tweede keer. Want theater kijken doe je niet alleen, je gaat altijd in gezelschap. Naar het jeugdtheater met m’n vriendinnen, met de school, met mijn ouders; later naar voorstellingen met Carlos en met de kinderen. De eerste keer heb ik echt op mijn tanden moeten bijten. Maar het ging om een stuk van Ivo Van Hove dat ik absoluut wou zien. En nu, dat van vorige week, was Kleiner Man – was nun? van de Münchner Kammerspiele, een bewerking van de roman van Hans Fallada. Schitterend! Met een staande ovatie van het publiek. Ik ga meestal naar deSingel. In de KNS (Toneelhuis, nvdr) geraak ik amper, simpelweg omwille van verkeersproblemen. Je vindt er geen parkeerplaats voor de auto, dus kan ik niet gaan. Hetzelfde geldt voor de Monty.
Het jeugdtheater is al gesticht tijdens de oorlog. Dat moet het najaar van 1940 geweest zijn. Het begon met poppenkast in de Concordia, een gekende zaal in Antwerpen. Mijn moeder vertelde later hoe ze mij en mijn vriendinnetje afzette en zich afvroeg of ik me wel goed zou voelen. Wel, van de eerste keer stond ik zelf al op het podium! Tijdens de pauze werd gezongen van ‘Jan Hinnerik woont op de Langelangestraat, op de Langelangestraat en hij kan maken wat hij wil.’ Hij maakte allerlei personages die dan vanuit de zaal op het podium geroepen werden. Ik was een Spaanse. Na een tijdje, een kwestie van enkele maanden, zijn ze begonnen met poppenkast voor de pauze en echt toneel na de pauze. Dat toneel was een vervolgspel van een gekend jeugdboek, Jan Zonder Vrees. Dat kon omdat het regelmatig dezelfde kindjes waren die kwamen, die van Antwerpen-Zuid. Er was niet veel vervoer in die tijd, dus van heel ver konden de kinderen niet komen. Op den duur ging ik te voet, want dat was niet ver van huis, op zondagochtend. En met mijn ouders ben ik ook heel vaak gegaan, behalve tijdens de periode na de oorlog. Maar toen gingen we met de klas, via school. Dus ik heb in mijn leven veel gezien.
Ik herinner me nog een liedje uit Momotaro, het perzikenkind, een Aziatisch sprookje. Je vroeg daarnaar: voorstellingen die mijn leven hebben beïnvloed. Dat was zoiets, op dat ogenblik in mijn leven. Ik zie die scène nog voor me: een grote perzik werd op een glijbaan schuin over de scène getrokken en aan het eind kwam daar een kindje uit. Dat vond ik toch zo mooi! Want ik kwam gewoon uit mijn moeder en hij uit een perzik. Ik moet negen of tien jaar geweest zijn. Ik geloof dat ik dat stuk wel een keer of vijf gezien heb.
Als kind ga je naar het theater voor het verhaaltje, maar dat verschuift heel erg. Als volwassene zie je andere dingen: de acteertalenten, de scenografie, een bepaalde regisseur. Van Franz Marijnen heb ik bijvoorbeeld erg veel stukken gezien. Of bepaalde acteurs en actrices waarvoor je speciaal gaat. Ellen Vogel was zo’n actrice. De Hedda Gabler van Ellen Vogel zal ik nooit vergeten. Ik had daar een grote discussie over met Carlos en ons gezelschap. Zij vonden dat een gefrustreerde vrouw, die mannen. Ik dacht: ‘Potverdekke!’ Da’s verdorie een vrouw met een vuist tussen al die onnozele mannen! Zo’n onnozele echtgenoot en zo’n onnozele minnaar! Ik vond dat een formidabele vrouw, hoe zij zich een hele tijd staande hield in zo’n milieu. En zij vonden dat een gefrustreerde vrouw. Ik niet, en nog steeds niet. Dan kom je tot de inhoud, maar op een ander niveau.
We reden regelmatig richting Nederland, Engeland en Duitsland, maar ook verder. Frankrijk niet. We hielden niet zo van het Franse theater. We zijn ooit in Boedapest geweest waar we een voorstelling gezien hebben van De drie zusters. Het gaat om een beroemd stuk, dus je kent natuurlijk de inhoud, maar van dat Hongaars versta je niets. En we kwamen allebei tot dezelfde conclusie: je ziet dingen die je anders niet waarneemt, want je hebt geen last van de taal. ‘Oh, nu staat die daar en zegt die waarschijnlijk dat. En nu neemt die die houding aan.’ Want je speelt toch altijd zelf mee toneel! Als je iets ziet wat je niet goed vindt, dan denk je toch: ‘Ik zou dat anders doen.’ Ik lees ook heel graag toneelstukken, al van in mijn jeugd. Je fantasie laten werken is heerlijk en dat doe je ook als je naar theater gaat. Die Drie zusters was goed gedaan en wij konden dat perfect volgen. Je denkt dat taal zo belangrijk is, maar op dat ogenblik is dat niet zo.
De Polen overstegen de gren- zen altijd een beetje, dat was boeiend om te volgen. Ik herinner me nog reizen van voor de Wende. Het was spannend om te zien wat zij op het toneel brachten. In Bratislava hebben we ooit eens een hele namiddag Polen gezien die allerlei non-verbale dingen deden. Bijvoorbeeld een actrice die zeker tien minuten lang alleen haar tong in haar mond bewoog, samen met haar ogen. Dat was soms akelig, soms lachwekkend, maar ook inspannend om naar te kijken. Ik genoot van zo’n dingen. Dat zagen we bij ons nog niet in die tijd.
Ik vond die allereerste dansvoorstelling van Anne Teresa De Keersmaeker zeer origineel. Wij hebben de dingen zien ontwikkelen in het Stuc (nu: STUK), omdat Klaas ons toen zei: ‘We zijn hier met iets bezig, je moet eens afkomen.’ Het ging uit van de studentenwereld, wat een zekere verjonging betekende, een ander soort theater. Anne Teresa hebben we ook voor het eerst in het Stuc gezien, met Fase. Dat asymmetrische, terwijl ik daar toch een zekere regelmaat in zag. Ik zag daar bijvoorbeeld een frequentie A met een resonantie B in. Natuurlijk, dat ben ik. Daarom zeg ik: ‘Ik ben meer een bèta dan een alfa.’ Naarmate de dans zich ontwikkelde, zijn we ook in deSingel veel gaan kijken. Naar Pina Bausch gingen we graag, maar dat situeert zich ook ergens tussen theater en dans in. Bij dans gaat het meer om beweeglijkheid en lichamelijkheid. En om de manier waarop ze hun rekwisieten gebruiken. Bij toneel is dat ook wel zo, maar bij dans komt het pregnanter naar voren. Zoals bij Cherkaoui. Daar gaan wij ook regelmatig heen de laatste jaren.
Actualiseren. Dat is de tendens die me het meest markant lijkt. Meer inhaken op de actualiteit; dat ze ook zeer klassieke stukken naar de actualiteit halen. Welja, het is een tendens die toch wel al dertig jaar aan de gang is. En ik vind het ook een zeer gunstig teken dat er veel jongeren naar het theater gaan. Wat wij altijd tegen elkaar zegden en waar we zeer verheugd over waren was dat het publiek op sommige plekken verjongde. Als veertigers en vijftigers beschouwden wij onszelf als oud. En dan vonden we het heel prettig om al die jonge mensen te zien. Dat zie je nu ook: het theaterpubliek in deSingel bestaat uit veel meer jonge mensen, het concertpubliek telt veel meer oude mensen.
Van één stuk weet ik heel zeker dat het mijn leven heeft beïnvloed. Waarschijnlijk zijn er meerdere, maar van één weet ik het zeker. Dat was een Knecht van twee meesters in de KVS, door een Italiaans gezelschap. Het moet halfweg de jaren zeventig zijn geweest. Ik zat toen een beetje in een mindere periode. Ik heb toen gelachen! Carlos, die nooit veel lachte, lachte ook mee. We begrepen de tekst niet, maar we kenden de intrige. Het was waarschijnlijk allemaal een tikkeltje overdreven, maar de enscenering, het spel van die mensen was formidabel. Een lachsalvo van begin tot eind. Ik heb toen echt het resultaat van die endorfines gevoeld. En ik was er door. Echt. Het is een opluchting die ik ook gevoeld heb toen ik ben beginnen zingen in het koor. Daar kon en kan ik mijn opgekropte energie kwijt en doe ik nieuwe energie op.
Theater is iets wat je geestelijk aanspreekt, waarover je napraat en nadenkt. Het is een cultuur waaraan ik behoefte heb. Zelfs het inleven is voor mij een stuk… ‘verrijking’ is zo’n woord van vijf frank, maar toch. Het is toch iets dat bijdraagt tot een zeer egoïstisch welbehagen – voldaan uit een toneelstuk of concert komen, er ook fysiek genoegen aan hebben beleefd. Het kan je opladen. Maar dat is natuurlijk zo gegroeid. Het is jammer dat andere mensen daar niet zo van kunnen genieten omdat ze liever naar tv kijken, of gewoon niet in het theater geraken. Het blijft wel elitair. Mensen die een achtergrond hebben in theater en mensen die het kunnen betalen, die blijven gaan. Dat hebben Carlos en ik vaak gezegd: we zouden niet zoveel geweest zijn als het niet voor zijn werk als recensent was. Zolang hij schreef over theater gingen wij natuurlijk voor niets. Met deze afbetaling en de vier kinderen zou het anders niet gelukt zijn, dat vele theaterbezoek. En dat geeft toch een ambigu gevoel. Ik mag dan wel vinden dat mijn buurman een gat in zijn cultuur heeft, maar wie ben ik om daar over te oordelen?
Leeftijd: 80 jaar
Studies: scheikunde aan de universiteit van Gent
Familiale situatie: moeder van vier, grootmoeder van zeven – ‘vier venten, drie dames’
Job: gepensioneerd lerares scheikunde
Activiteiten: leest, zingt in Solidariteitskoor Frappant, is actief in de parochie (onder andere voor Broederlijk Delen), bezoekt regelmatig haar 103-jarige moeder, doet eens per week vrijwilligerswerk op de afdeling oncologie van het UZ van Antwerpen
Had graag over dit talent beschikt: schrijven
Kijkt theater sinds: 1940
Is vandaag voornamelijk te vinden in: deSingel, Rataplan en De Roma
Favoriete regisseurs: Franz Marijnen, Ivo Van Hove
Favoriete acteur: Dirk Roofthooft
Favoriete personages uit de theaterliteratuur: Medea en Cordelia, King Lears jongste dochter
Drinkt na de voorstelling graag: ‘… heel graag zelfs. Maar zelden.’
Mist vandaag op het podium: de grote Julien Schoenaerts
Kijkt dit seizoen nog uit naar De kunst der vermakelijkheid van Jan Lauwers
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.