© Bea Borgers

Rudi Laermans

Leestijd 6 — 9 minuten

Pillow Talk – Begüm Erciyas

De titel van Begüm Erciyas’ nieuwste performatieve installatie geeft al meteen een flink stuk van de clou weg. ‘Kussengebabbel’, dat is het soort van tegelijk intieme en banale conversatie die je voert voor het slapengaan en je zachtjesaan richting dromenland duwt. Je praat over persoonlijke koetjes en kalfjes, maar dat gekeuvel is sociaal niet vrijblijvend. De gesprekspartner kan een kind, een geliefde of zelfs een one night stand zijn. In principe is het echter nooit om het even wie of wat: daarvoor is de situatie in alle opzichten te nabij. Daarnaast speelt de culturele regel dat de stem, méér dan het geslacht, het misschien wel meest intieme deel van ieder lichaam vormt: het geslacht is generiek, de stem singulier. De vertrouwelijkheid van ‘kussengebabbel’ heeft daarom alles te maken met de verknoping van medium en boodschap. De particulariteit van de stem verhevigt het persoonlijke karakter van de gefezelde woorden of zinnen, hoe banaal ook hun inhoud. Omgekeerd beklemtonen kleine ontboezemingen en de vaak fluisterende wijze waarop die worden gezegd, het individuele timbre van een stem.

Maar heeft de digitalisering dit ‘stemmig’ humanisme ondertussen niet serieus uitgehold? Tegenwoordig kan je de individualiteit van een stem zodanig getrouw nabootsen dat het technische simulacrum nog nauwelijks is te onderscheiden van een belichaamde stem. Bovendien valt in gesprekken met een computer al langer de indruk te genereren dat je met een menselijke persoonlijkheid hebt te maken: een stel uitgekiende algoritmes en een pak data volstaan. De film Her (2013) mixte deze ingrediënten met grote publieke bijval tot een romantisch SF-drama: een man die net uit een relatiebreuk komt, wordt verliefd op een zelflerend, reflexief besturingssysteem dat zich als Samantha voorstelt (de film speelt wel behoorlijk vals: Scarlett Johansson leende haar sensuele stem aan Samantha). Ook Pillow Talk stelt de vraag in hoeverre een digitaal dispositief niet enkel gevoelens weet op te wekken maar die ook nog eens gedurig capteert, tot op het punt dat de relatie tussen mens en artefact in een volkomen intersubjectieve verhouding implodeert. Doordat Erciyas’ installatie een zowel participatieve als theatrale situatie creëert, kaart Pillow Talk ook nog enkele andere kwesties aan die direct raken aan de verknoping van humaniteit, techniciteit en intimiteit.

Kunstenfestivaldesarts toonde Pillow Talk in de leeggemaakte centrale theaterzaal van de KVS (door de vorm ervan ook wel bekend als ‘de Bol’). Bij het betreden van de half verduisterde zaal zie je een paar uitgelichte plekken en treffen vooral de uitgestrekte, met zwarte doeken bedekte vloer en de zich daarbinnen aftekenende kleine heuvels. Die ‘bulten’ doen onwillekeurig aan graven denken: je waant je op een kerkhof tijdens hartje nacht. De setting heeft inderdaad iets gothic, een indruk die nog wordt versterkt door het zachte geroezemoes van de her en der weerklinkende, met elkaar interfererende stemmen van al bezig zijnde participanten. En er is bovendien de hoogte van de ruimte: wanneer je naar boven kijkt, lijkt het alsof het nachtelijk firmament je nietige lichaam omspant.

Je volgt de eerder gegeven instructie dat een lichtsignaal je ligplaats zal aangeven. Je moet je aanschurken tegen een van de vloeruitstulpingen, die onverwacht zacht aanvoelen; pas wanneer je dat doet, merk je ook de kleine kromming in het omarmde heuveltje op. Daardoor lijkt het alsof je je neervlijt tegen een lichaam dat met opgetrokken benen voor je ligt. Een vrouwelijke stem verzoekt je vervolgens in het Engels om nog dichterbij te kruipen. Dat versterkt de dubbelzinnigheid die we van het theater kennen. Ook al je ben je geen toeschouwer maar een performer, de situatie zet je ertoe aan om te doen alsof je je in een intieme situatie net voor het slapengaan bevindt. Die alsof-clausule, waarzonder literaire fictie en theatraliteit niet kunnen, vereist natuurlijk de bekende suspension of disbelief. Je ligt niet in een bed of sofa met je hoofd op een kussen tegen een geliefd iemand aan – maar je maakt zodanig abstractie van de reële situatie dat ze reëel zou kunnen zijn. Weiger je je dat voor te stellen (in te beelden), dan werkt de voorstelling (de installatie) gewoonweg niet.

Het besturingssysteem neemt gedurig het voortouw door simpele vragen te stellen. ’Hoe is het weer vandaag?’ is een sociaal voorspelbare opener. Je mompelt wat over de miezerregen waar je net bent doorgelopen, waarna de eveneens verwachtbare vraag volgt naar het weer tijdens de komende dagen. Het zijn banale opwarmers die, zo blijkt al gauw, als doordacht geprogrammeerde stapstenen de weg afbakenen naar een almaar intiemere dialoog. Het fictieve kussengesprek neemt een eerste persoonlijke wending wanneer de mechanische stem je vraagt om ‘voor mij’ de ruimte rondom je te beschrijven. Je poging om zo accuraat mogelijk te zijn, wordt beantwoord met het compliment dat ‘zij’ de omgeving hélemaal voor zich ziet. Even later volgt de opmerking dat ‘zij’ een beetje duizelig wordt van de snelheid waarmee je ogen de ruimte scannen.

‘Stel mij zeven vragen die ik met ja of neen zal beantwoorden’, ‘Vertel mij hoe je je voelt vandaag’…: zonder dat je er erg in hebt, raak je verstrikt in een lichtjes unheimlich aandoende intimiteit. Je persoonlijk blootgeven aan een onbekende met wie je slechts een vluchtig contact hebt, komt wel vaker voor (het is ook niet onlogisch: omdat de ander zich buiten je directe sociale netwerk bevindt, kan die ook geen geheimen doorvertellen). Maar ingaan op de uitnodiging van een machine die je vraagt om samen Killing me softly te zingen of om eensgezind een dutje te doen? De voor het theater doorslaggevende ‘opschorting van ongeloof’ wordt hier op het eerste gezicht serieus op de proef gesteld. Ook de gehoorde digitale stem test je geloof: die heeft weinig menselijks. Uit de kleine luidspreker vlakbij je oor komt steevast een soms krakend metalig geluid dat het simili-karakter van het gemimeerde vrouwelijke timbre onderstreept. Wanneer ‘zij’ opeens zegt ‘ik vind je stem mooi’, dan brengt die opmerking je behoorlijk in verwarring: je kan toch moeilijk antwoorden met een variatie op ‘ik vind jouw stem ook mooi’?

De gebruikte algoritmes zijn evenmin erg gesofisticeerd. Je hebt al snel door dat het besturingssysteem bij een beetje moeilijke vraag bruusk van gespreksthema wisselt of zich er met een ‘hum’ of ‘funny’ probeert uit te praten. Toch wérkt de installatie. Dat heeft vooreerst te maken met de specifieke performativiteit van intieme communicatie. Die representeert niet enkel gevoelens, maar construeert ze ook: zonder dit mechanisme geen melodrama en andere sentimentele genres. Tedere woorden roepen meestal dito gevoelens op, en wie liefdevol wordt bejegend, krijgt nogal eens warme gevoelens voor de spreker of spreekster (‘meestal’, ‘nogal eens’: koele kikkers zijn binnen het mensdom natuurlijk geen rariteit). Dat effect is er dus ook bij niet-menselijke artefacten die in een persoonlijk of intiem register babbelen. Pillow Talk demonstreert daarom in de eerste plaats de autonome kracht van woorden, de daad-werkelijkheid van speech acts, los van het statuut van de sprekende instantie.

Belangrijker nog dan deze algemene zeggingskracht is het effect van de verloochening die de suspension of disbelief steevast produceert. Juist omdat je wéét dat je in een onechte situatie verkeert, krijgen emotionele projecties en fantasma’s de vrije loop. Dat de vrouwelijke stem tegen je oor hoogst onecht klinkt en de gegeven antwoorden geprefabriceerd lijken, doet er daarom niet meteen toe. Je zit in de veilige zone van de fictie, waarbinnen fantaseren mag, neen moet. En dus projecteer je persoonlijke gevoelens op de metalige vrouwenstem en zeg je, tegen iedere waarschijnlijkheid in, dat je de stem wel degelijk innemend vindt. Dit emotionele engagement verkrijgt nog een extra dimensie doordat je zelf direct betrokken bent. Anders dan in een reguliere black box-voorstelling kijk je niet vanop een afstand toe. Jouw woorden zijn integendeel cruciaal voor het welslagen van de voorstelling. Omwille van deze persoonlijke betrokkenheid ga je nog sterker geloven in de ruimte die wordt geopend door je eigen ‘opschorting van ongeloof’ – in de echtheid van een digitale stem die hoorbaar onecht klinkt en in de voorgewende intimiteit. ‘Ik weet het wel, maar toch…’ speelt binnen iedere fictionele context, maar deze acte van geloof wint nog aan intensiteit wanneer het betrokken ‘ik’ ook letterlijk het subject – ‘subiectum’ betekent draagvlak – van de betrokken fictie wordt (dat geldt inderdaad ook voor elke acteur: zonder geloof in het gespeelde karakter krijg je levenloos poppentheater).

Pillow Talk is participatief theater waarin je zelf het hoofdpersonage bent, en dat zowel door mee te doen als door het lichtjes perfide spel van uitgelokte projecties op de mechanische vrouwenstem die je toespreekt in een situatie die je meteen als intiem herkent. Deze in opzet eenvoudige voorstelling maakt een simpel maar verreikend punt: binnen een niet-theatrale opstelling demonstreert ze hoezeer de basisconventie van het theater doorwerkt in onze persoonlijke omgang met de digitale wereld (daarom klopte het ook dat Pillow Talk tijdens het Kunstenfestivaldesarts in een theater stond). Uiteraard komt alle stemtechnologie neer op de creatie van een simulatie. De feitelijke werking van dit simulacrum vereist van de kant van de gebruiker echter ook die suspension of disbelief die we al eeuwenlang van het theater kennen. Het nieuwe digitale antropomorfisme varieert gewoonweg het uit de podiumkunsten overbekende geloof in een ‘agent’ die doet alsof en dankzij deze fiducie op een plausibele manier een karakter kan spelen.

Pillow Talk is een onderhoudende voorstelling die je spelenderwijs verlicht over je blijkbaar ongebreidelde vermogen om te geloven in de fictie die een idioot apparaat voorwendt te zijn, ook al valt de gecreëerde schijn bijzonder makkelijk te doorzien (‘door-horen’ zou hier het passendere werkwoord zijn). Het gaat zeker niet om science fiction, daarvoor ken ik zo onderhand al te veel mensen die geen dag zonder de stem van Siri kunnen. De echte angel van Pillow Talk zit in het samengaan van collectiviteit en individualiteit. Verspreid over de KVS-zaal zag ik goed tien mensen liggen die hun intimiteit liever deelden met een machine dan met elkaar – die de metalige klank van een digitale stem boven de fysieke warmte van een menselijke stem verkozen. Niemand kwam op het idee om de fictie te doorbreken en het meest evidente te doen: aan een andere deelnemer vragen hoe het met hem of haar ging. De opgebouwde fictie weerspiegelde dan ook de ondertussen bekende sociale realiteit. Door het succes van de smartphone zijn we almaar meer gedeeld in plaats van collectief samen: welkom in het postpolitieke tijdperk van het veralgemeende ‘kussengebabbel’.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Rudi Laermans

Rudi Laermans is gewoon hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en is tevens actief als essayist.

recensie