Reflectie in de spiegel
Waarheen met reflectie en kritiek over en in onze podiumkunsten?
Noah Lena Vercauteren
© Fabian Hammerl
Er is maar weinig podiumwerk dat frontaler is, meer in your face dan dat van Marlene Monteiro Freitas. In haar overdonderende Gesamtkunst, waarin hedendaagse dans, muziektheater, mime, fanfare en clownerie naadloos samensmelten, richten de performers zich doorgaans direct tot het publiek, bruggen slaand met uitzinnig groteske gebaren en gelaatsuitdrukkingen.
Ook de man die in de proloog van NÔT een gammel stoeltje beklimt, alsof het gigantische podium van Théâtre National niet volstaat, doet dat. Schijnbaar op het punt om een grootse toespraak te geven of een meeslepend verhaal te vertellen, spreidt hij zijn armen pontificaal richting de tribune, haalt diep adem, maar dan stokt er iets. Uit zijn mond, die snel open en dicht gaat als die van een Notenkraker-marionet, komt geen geluid. Met de drukke, houterige gebarentaal van een slapstick-komiek tracht hij ons vervolgens zelf tot performen aan te zetten, voor hem als eenkoppig publiek. Kunnen jullie allemaal even tegen elkaar fluisteren? Kunnen jullie rechtop staan, luid applaudisseren, boe roepen, de toeschouwer naast jullie een luchtkus geven?
Als de man een soort Sjeherazade is in deze voorstelling, die heel losjes – bijna onmerkbaar – is geïnspireerd door De Vertellingen van Duizend-en-een-nacht (450 n.C.), hoe kunnen we zijn weigering of onvermogen om te spreken dan begrijpen? En hoe de activering van het publiek? Toont de openingsscène van NÔT de wederzijdse afhankelijkheid tussen de verteller en zijn gehoor? Of eerder de macht van die eerste, die ons met zijn charisma kan manipuleren als waren we zijn popjes? Het kan ook zijn dat de stomme spreker aankondigt welk soort kunstwerk we het komende anderhalve uur zullen zien: een voorstelling die zelf stom wil blijven, die het wil nalaten verhalen te vertellen om volop plaats te bieden aan de duizend-en-een verhalen van de toeschouwers.
“Bij Freitas grijpen militaire marsmuziek en de carnavalsfanfare steeds in elkaar als yin en yang. NÔT voegt daar via een klankband nog een hele resem andere muzikale referenties aan toe, van Stravinsky over Berberse muziek tot Nick Cave.”
De multimediale wereld die Freitas opbouwt geeft onze narratieve verbeeldingsarbeid natuurlijk wel een zekere focus, een kader. De hoge witte hekken die het podium opdelen in een voor- en een achtertoneel roepen samen met het harde witte licht en de strak gerangschikte bedden het beeld op van een biopolitieke, institutionele ruimte. Je denkt aan een gevangenis, de slaapzaal van een kostschool of een hospitaal. De acht performers veranderen voortdurend van gedaante. Ze hergroeperen zich door poppenmaskers op en af te zetten, van kostuum te wisselen, even een instrument te bespelen of andere nieuwe taken uit te voeren. Gaandeweg tekent zich een hiërarchische rolverdeling af.

© Fabian Hammerl
Zo zijn er de institutionele petites mains die op gehaaste kousenvoetjes heen en weer schuifelen, bebloede lakens van de bedden wegtrekken, beddengoed in wasteiltjes dompelen. Zij staan onder de supervisie van een hogere autoriteit, die hun lichamen disciplineert en hun werktijd ritmeert maar zelf anoniem blijft, zelden stolt tot een leesbare figuur. De geestelijke leider die even opduikt, met een purperen mijter op, verdwijnt alweer snel. Belangrijker zijn de drumpartijen en choreografische patronen die doorheen de voorstelling onophoudelijk de maat aangeven, het tempo opdrijven, de werknemers in de weerbarstige chaos van het scenische gebeuren steeds hun geëigende plek toewijzen.
De subjecten die het personeel op zijn beurt onder zijn hoede heeft – het kunnen patiënten, gevangenen of leerlingen zijn – verzetten zich met alle macht tegen elke institutionele zorgdwang. Een toegediende lepel siroop wordt onmiddellijk terug uitgespuwd; een man drijft de spot met hygiënische voorschriften door te doen alsof hij in een pispot schijt, om er de denkbeeldige stront nadien gretig uit te likken; een vrouw zonder benen zwaait lustig rond met haar surrogaatledematen in de vorm van opgeknoopte hemdsmouwen. De drummers ritmeren niet alleen de disciplinering maar evengoed deze kleine daden van sardonisch verzet. Bij Freitas grijpen militaire marsmuziek en de carnavalsfanfare steeds in elkaar als yin en yang.
“De voorstelling gaat maar door en door en door. Momenten om even op adem te komen, waar je als overdonderde toeschouwer al gauw nood aan hebt, worden na een paar verstilde seconden jennerig onderbroken door een nieuw drumsalvo, die het toerental van de choreografische machine meteen weer de hoogte in drijft.”
NÔT voegt daar via een klankband nog een hele resem andere muzikale referenties aan toe, van Stravinsky over Berberse muziek tot Nick Cave. De meest indrukwekkende scène is gechoreografeerd op fragmenten van Mahlers Achtste Symfonie (1907). De grandioze en desoriënterende afwisseling tussen koorpartijen, sopranen en verschillende soorten mannelijke solisten vertaalt Freitas naar een scenische compositie zonder centrale focus. Allerlei acties vinden tegelijkertijd plaats, waardoor je blik niet anders kan dan onrustig heen en weer springen in het overvolle toneelbeeld, soms weggelokt door een licht dat aanflitst, of door live bruitage die een specifieke handeling even in de verf zet.
Het is verbluffend om te merken hoe je in deze strak georganiseerde warboel toch plots oog kan hebben voor een detail. Hoe je kan zien dat in een groepje dat synchroon dezelfde acties uitvoert, ruimte is voor individueel verschil. Eén van de drie drummers sluit om de zoveel drumslagen wat preuts de benen. Het is een frêle geste die mooi contrasteert met zijn stoer vooruitgestoken kin en opengesperde ogen.
De voorstelling gaat maar door en door en door. Momenten om even op adem te komen, waar je als overdonderde toeschouwer al gauw nood aan hebt, worden na een paar verstilde seconden jennerig onderbroken door een nieuw drumsalvo, die het toerental van de choreografische machine meteen weer de hoogte in drijft. NÔT krijgt iets drammerig, ook omdat de continu transformerende rolverdelingen op de duur wat van hun compositorische spankracht verliezen, en de narratieve verbeelding stagneert bij gebrek aan nieuwe acties, rekwisieten en figuren. En toch ontroert de volharding ook wel, dat continue doordouwen met de moed der wanhoop. Sjeherazade spon nacht na nacht nieuwe verhaallijnen om haar toehoorder, koning Sjahriaar, af te leiden van zijn plannen om haar te executeren. NÔT roept misschien geen duizend-en-een verhalen op, maar deelt een vergelijkbare levensdrift met de roemruchte vertelster.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.