© Werner Strouven

Rudi Laermans

Leestijd 3 — 6 minuten

Penelope Sleeps – Mette Edvardsen & Matteo Fargion

Penelope Sleeps begint in media res. Drie performers, quasi-dood liggend op de scene, en een klein harmonium plus – vermoed ik – een Casiotone wachten je op bij het binnenkomen. Je neemt eveneens plaats op de scene, waarbij het publiek een halve cirkel rond de performers vormt en je uitkijkt op de verdonkerde zaal waarin je gewoonlijk tijdens een theatervoorstelling zit. Nog altijd met de rug op de vloer liggend, begint Mette Edvardsen te verhalen over een kleine spin in de logeerkamer van haar ouders en de angst die dat soort geleedpotige haar inboezemt. Het vertellen komt neer op voorlezen: zowel Edvardsen als het publiek zien de tekst in drie talen geprojecteerd op een klein scherm dat vooraan rechts hangt.

Het verhaal over de spin is een eerste, indirecte verwijzing naar de figuur van Penelope, de vrouw van Odysseus die jaren op haar man wachtte terwijl hij de wereld rondreisde en oorlog voerde, en die ondertussen ook nog eens een resem aanbidders op afstand hield. Net zoals elke spin was Penelope een weefster (etymologisch verwijst het Griekse woord pēnē trouwens naar ‘inslag’). Alleen rafelde ze elke nacht wel het resultaat van haar werk weer uit elkaar, om vervolgens opnieuw te beginnen. De voorstelling mimeert dat werken zonder uitkomst: Penelope sleeps is volgens de ondertitel een opera, maar daarbij gaat het behalve om de idee van muziektheater ook om de notie van opereren, van schrijven of performen als het weven van een tekst die gedurig begint te rafelen.

Penelope sleeps rijgt inderdaad flarden van heel uiteenlopende verhalen aan elkaar, zonder dat er echt een samenhang ontstaat. Tegelijk resoneren die vaak anekdotische vertellingen regelmatig met de figuren van Penelope en Odysseus. Zo weerklinkt in het grappige verhaal over de gelukte aanvraag voor een kunstenaarsresidentie op het barre Antarctica iets door van de omzwervingen van Odysseus, net zoals in het autobiografische verslag dat Edvardsen opdist over een toevallige ontmoeting die ze in het vliegtuig heeft met een alleenreizende negenjarige jongen die niet wil prijsgeven waar hij woont of vandaan komt. Het merendeel van de verhalen wordt al liggend gebracht, wat direct aansluit bij de titel van de voorstelling; door de terloopse nabootsing van het zijwaarts slapen met gebogen knieën wordt dat nog eens extra benadrukt. Maar de wereld van de slaap is ook die van de droom, die eveneens in het teken staat van het uitstellen van een definitieve betekenis door de juxtapositie, zonder veel onderlinge logica, van narratieve scherven.

De kracht van Penelope sleeps ligt in de combinatie van vertel- en muziektheater. Edvardsens geritmeerde ‘voorlezingen’ worden afgewisseld met songs die deels narratief maar vooral bespiegelend zijn. De songs worden haast allen gezongen door sopraan Angela Hicks op minimale, repetitieve scores van Matteo Fargion (bij ons vooral bekend van zijn samenwerking met Jonathan Burrows). Opera dus, nu in de zin van muziektheater, al zitten de gezongen stukken meestal in het register van de psalm en het lamento. Daardoor heeft het geheel ook iets van een hoofdzakelijk eenstemmig, afwisselend verteld en gezongen oratorium.

In lijn met de titel is Penelope sleeps een breekbare voorstelling zonder directe pointe: een los geweven en onaf tapijt van stemmen en verhalen, een talige resonantiekamer waarin de figuren van Penelope en haar echtgenoot, Odysseus, even schimmig blijven als een droom waaruit men net is ontwaakt. De voorstelling bespeelt daarbij in meerdere opzichten de modus van het ‘tussen’. Je hoort het vertellen of het zingen, en je leest tegelijk de geprojecteerde tekst, waardoor de verglijdende, nooit afgeronde betekenissen zich in de ruimte tussen horen en lezen nestelen. Dat effect is er bijvoorbeeld ook bij het volgen van een opera via de boventiteling, maar hier werkt het veel sterker en autonomer (of het effect initieel ook door Edvardsen werd beoogd, is nog maar de vraag: ze wilde het publiek eerst liggend, dus louter luisterend laten participeren: dan was Penelope sleeps ‘theater voor de oren’ geweest).

Het ‘tussen’-effect dat Penelope sleeps oproept, heeft vooral te maken met de gecreëerde atmosfeer van rust, ingehoudenheid, traagheid – met het tegelijk behoedzaam en gericht construeren van een toestand tussen dag en nacht, waken en slapen, beweging en stilstand. Het tegelijk kalme en eenvormige ritme van het vertellen en het zingen zorgt voor een quasi-rituele stemming zonder enige zweem van verhevenheid, een ambiance waarin je kan verzinken als in een droom – maar dan in waaktoestand. Penelope sleeps opent zo een tijdsruimte waarin op ieder moment alles mogelijk lijkt omdat wat gebeurt zodanig onnadrukkelijk wordt gebracht dat legio andere mogelijkheden meeklinken.

Immersieve performances hebben meestal iets gedwongen: ‘je moet meedoen’. In Penelope sleeps domineert daarentegen de impliciete uitnodiging om je fysiek over te geven aan het ‘tussen’ dat het onderscheid uitwist tussen actualiteit en potentialiteit, daad en droom, waakzaamheid en zelfvergetelheid. Daartoe mobiliseert de voorstelling de zwakke immateriële kracht van stem en taal, hun performatieve vermogen om te affecteren en tot een meedeinend, niet-discursief denken aan te zetten. Het resulteert in een bijzondere theaterervaring die misschien nog het meest gelijkt op het lezen van goed boek, een dat je niet wil meeslepen en zonder retorisch vertoon aanstuurt op een wakkere betrokkenheid. In de keuze voor dit soort bedachtzame engagement van het publiek, voorbij iedere zweem van morele interpellatie, ligt meteen ook de politieke relevantie van Penelope sleeps: deze performance creëert een utopische plooi in de tijd.

 

De voorstelling is o.a. nog te zien op 23/6 in Buda (Kortrijk)

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Rudi Laermans

Rudi Laermans is gewoon hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en is tevens actief als essayist.

recensie