Paniska – Foto Keoon

Charles Van Lerberghe

Leestijd 38 — 41 minuten

PAN – Charles Van Lerberghe

Een komedie in drie bedrijven

Vertaling en bewerking door Lucas Vandervost

PAN
PETRUS herder
ANNA zijn vrouw
PANISKA hun dochter
PASTOOR
ONDERPASTOOR abt
KOSTER
BURGEMEESTER
SECRETARIS
SCHOOLMEESTER
GARDE
MADAMEKE KAK vrouw van de burgemeester
JONGELING
ZIGEUNERS
KINDEREN

 

PROLOOG

Een strand. Een zee.
Vlaanderen? Wacht maar.
We leven in een moment waarop de avond
verandert in een klare naeht.

Naast een enorme kei, druïdesteen, zit Petrus vuurhout te kappen. Een geitebok houdt hem companie.

Op de achtergrond liggen zigeuners, een twintigtal. Ze slapen op het zand, verzameld rond een kooi op wielen met daarin twee tijgers.

Een jongeman, met zware valiezen, komt voorzichtig naderbij en stopt bij Petrus. Het is zijn zoon. Onder zijn arm draagt hij zijn portret met daarop in gouden letters: denkt aan mij.

Ze praten zacht. De zee belet ons hen te verstaan.

Jongeling Ik hoop dat het voor altijd niet is dat we van mekaar scheiden. Ik hoop dat we mekaar nog weer zullen zien, en dat we al te gaar nog gelukkig zullen zijn. Adieu vader.
(geeft hem zijn portret, maar Petrus weigert dit en hakt koppig verder. Ondertussen is Anna dichterbij gekomen. Ze is blind.)
Jongeling Adieu moeder, stel het wel.
Anna God beware u jongen. Kom… ik zal u een kruiske geven. Gij gelooft daar wel niet aan, maar het is toch een troost voor mij. Doe een goede reis, Eduard. Zorgt dat ge uw geld niet verliest en dat ge in geen slecht gezelschap dompelt.
Jongeling Ik moet gaan moeder. (hij geeft haar zijn portret, pakt zijn valiezen)
Anna God beware U, Eduard jongen.
Petrus (met snikkende stem) Eduard… doe een goede reis… en ik hoop… dat ge ginder… gelukkig zult zijn. En doe de complimenten aan nonkel Justien.
Jongeling En aan Kamiel, vader, moet ik niks zeggen aan Kamiel? Mag ik niet zeggen dat ge hem vergiffenis schenkt, en dat ge hem graag ziet?
Petrus (ontroerd) Ja, zeg het hem. Zeg hem dat ik hem ook geluk wens in zijn leven. (stopt met kappen, en gaat af.)

De jongeman zoent zijn moeder en vertrekt. Anna weent. Ook Paniska, haar jonge dochter, slentert droevig aan de zeerand, en weet dat ze haar enige vriend en broer nooit meer zal zien. De zee wordt wild. De zee die Eduard naar Amerika moet brengen.

Vier kwetterende viswijven wachten op hun mannen. Ze stinken naar vis. Slechts drie mannen, met baarden, komen met volle netten uit het water. Voor de vierde werd de zee zijn graf. Het vierde viswijf blijft huilend achter. Maar toch. Een drenkeling wordt uit de zee opgevist. Een moment van hoop voor dc oude vrouw.

Maar het is niet haar man, wel een jong schepsel, half mens, half dier. Hij wordt voor dood achtergelaten, zijn naakte lichaam op de koude kei.

Paniska komt dichter en streelt het vreemde wezen.
De zee wordt rustig.

EERSTE BEDRIJF

Paniska Hij slaapt… alles slaapt… alles is stil… geen windje aan de lucht.
Anna Paniska?
Paniska Is hij de zee overgestoken, mama?
Anna (streelt het portret van haar zoon) Ja lieveke, hij is de zee overgestoken.
Paniska En is dat ver?
Anna Dat is het einde van de wereld, lieveke.
Paniska Wat is er daar, aan het einde van de wereld?
Anna Een ander land.
Paniska En verder?
Anna …nog andere landen…
Paniska En nog verder?
Anna …de sterren, lieveke.
Paniska Ik zie alleen de sterren, mama, aan de andere kant van de zee. Begint misschien de hemel daar, aan het einde van de wereld?
Anna Nee lieveke. Maar ze zijn er wel heel dicht bij. Hij zegt dat de mensen daar veel gelukkiger zijn. Hier ziet alles zwart en triestig.
Paniska Maar waarom mama?
Anna Omdat onze lievenheer dood is, lieveke.
Paniska Hij slaapt.
Anna Nee, nee…
(Petrus op)
Paniska Alles slaapt, de ganse wereld. Zelfs de zee. De planten en de vogels. Zelfs de wind. Tot de maan opkomt en alles wakker wordt. Omdat morgen de lente begint.
Petrus Paniska?
(Paniska vlucht tussen de slapende zigeuners)
(Garde op; hevig)
Garde Wat doen zij hier?
Petrus Ssst! Ze slapen!
Garde Ah! Ze slapen! Wel dat ze dan opstaan! Wie is den oudste van de bende? Ik moet hem iets zeggen.
Petrus Dat weet ik niet.
Garde Ah! Gij weet het niet. Maar weet ge dan wel waarom gij ze hier hebt doen laten komen dan?
Petrus Maar ik heb ze niet doen laten komen.
Ze kwamen vanzelf.
Garde Doet uw deur dan op slot.
Petrus Wij doen ons deur nooit op slot. In de dag niet en ‘s nachts niet.
Garde Ge ziet het! ‘t Is zo dat ge van uw kot een dievenstal maakt.
Petrus Ze wilden alleen maar slapen. Ze zitten aan de grond.
Garde Leg het maar uit aan de burgemeester. Ik heb hem doen komen. En den onderpastoor ook. Gij weet gij heel goed dat ge hier zonder toelating niet moogt kamperen. En zeker ‘s nachts niet. Waar is den oudste? (gaat richting kamp) Hij krijgt een proces!
Petrus Pas op, ze hebben hun beesten bij!
(een tijger brult; de garde angstig terug)
Garde Ze hebben hun beesten bij! Ge krijgt ook een proces gij. We gaan wel eens zien of dat hier allemaal zomaar gaat aflopen. Het is verboden wilde beesten te houden. Het is zelfs pure goedheid dat ik ze niet direct afpak. (schrijft) De burgemeester is ook veel te goed. Als er ongelukken gebeuren, wat dan? We hebben al eens zo een bende in ‘t dorp gehad, tien jaar geleden. Die hadden een beer meegebracht. Maar die gasten hier brengen tijgers mee. Ze denken zeker dat hier alles kan.
Paniska (dichterbij gekomen) Het zijn brave beesten garde. Ze doen geen kwaad. Ze slapen.
Garde Tijgers zijn tijgers, ook als ze slapen.
Maar pas op, hé, ik moei me niet ze. Meneer de burgemeester zal beslissen wat er met deze zottekesprocessie moet gebeuren. Maar ondertussen krijgt gij een proces gij. Uw naam?
Petrus Kent gij mij dan niet meer?
Garde Toch wel, maar de wet wil dat ik het u vraag.
Petrus Petrus
Garde Uwen ouderdom?
Petrus Dat weet ik niet meer.
Garde Uw werk?
Petrus Herder en houder van de bok van de gemeente.
Garde Ik zal hem binnenkort eens van doen hebben. Mijn geit staat te springen. Om welk uur zijn ze gekomen?
Petrus Om elf uur.
Garde En wat hebben ze gezegd?
Petrus Niets.
Garde Gij gaat gij mij niet vertellen dat gij niet in verstandhouding zijt met hen. Wat komen zij hier doen?
Petrus Ik weet het niet.
Garde Goed. Ik schrijf het op. (burgemeester op)
Garde Ah! Ze zijn daar, meneer de burgemeester. Ze slapen.
Burgemeester Ja, ik zie het.
Garde Pas op, ze hebben hun beesten bij. (de tijger brult)
Burgemeester Ze hebben hun beesten bij!
Petrus Ge moet niet bang hebben, meneer de burgemeester, ze lopen niet los.
Burgemeester Maar goed.
Garde Ik kom hier juist het proces op te maken van de herder, hier aanwezig, waarvan zijn voordoen mij zeer dubbelzinnig is!
Burgemeester Spreekt wat zoeter.
Garde Hij weigert zich te verklaren. En doet voor dat hij niet weet waarvoor zij gekomen zijn!
Burgemeester Maar spreekt toch wat zoeter!
Garde U heeft ze verboden, meneer de burgemeester, te kamperen zonder toelating: eerste overtreding. En tien jaar geleden hebt gij verboden wilde beesten te houden in het dorp: tweede overtreding! (de tijger brult)
Burgemeester God! Spreekt zoeter, zeg ik u!
Garde Ze kunnen alleen met boosaardige bedoelingen gekomen zijn. Hun gedrag is meer dan verdacht. Als u het van mij wilt, dan zal ik ze nu ondervragen.
Burgemeester Pas maar op gij! Laat hen gerust. Van het ogenblik dat ze slapen, kunnen wij de ogen sluiten. Goed! We gaan. Een mysterieus volkske. Hebt ge meneer pastoor verwittigd?
Garde Ja, meneer de burgemeester, maar hij ging juist naar bed. Hij verstond er niet veel van. Hij wordt oud. Ik moest naar de onderpastoor, zei hij.
Burgemeester En zijt ge geweest?
Garde Ja.
Burgemeester En wat zei deze?
Garde Hij komt. Hij is helemaal van zijn melk.
Hij voorspelt dat deze heidenen een dienst zullen houden op onze hoogste duintop, door een mensenoffer te brengen. En dat ze hiervoor op de maan wachten. Tot ze hoog genoeg staat. Hij is helemaal opgedraaid. Hij riep zo van: Ah!
Burgemeester Ssst!
Garde We zullen wel zien.
Burgemeester Dat is zijn zaak. We kunnen ons niet mengelen in deze spirituele zaken… zolang ze de gemeentelijke orde niet verstoren. Kom we zijn weg, het stinkt hier.
Garde Ja, ja. Maar dat komt wel door de bok burgemeester.
Burgemeester Ja natuurlijk… Ah ja, ge moet hem rap eens sturen, Petrus, mijn geit wordt wakker.
(de burgemeester en de garde af)
Zigeuner Paniska! (hij zingt een lied)
Paniska De wind komt op. De zee wordt wild.
Anna Zij zingt.
Paniska En de maan komt op. Kijk mama! De zee wordt licht van tintelingen en de golven zijn juist zilveren horenkens.
Anna Dat is de eerste lentenacht, lieveke.
Paniska Het ruikt zo lekker scherp. Als naar rozen in de diepe zomer.
(Pan staat op)
Mama! Hij is opgestaan!
(Abt komt op met de koster)
Abt Stilte! Wat gebeurt er? Wat doen die zigeuners hier?
(tot de zigeuners) Wat doen jullie hier? … Geen antwoord? Ik versta het. Ik heb jullie ook niets te zeggen. Ketters. Morgen wordt ge uit het dorp verjaagd. Ge kunt uw bijgeloof elders uitbeelden. (ziet Pan) Wat is dat voor een spook?
Petrus Pardon, eerwaarde. Dat is mijn gast. Beledig hem niet.
Abt Het is hem.
Petrus Stillekes, hij is pas wakker.
Abt Het is hem. Ik herken hem! Retro Satanas!
In godsnaam maakt u weg. Ik verjaag u.
Petrus Maar eerwaarde toch. Hij is mijn gast.
Anna Hij eet bij ons aan tafel.
Abt Dat hij zegt wie hij is.
Petrus Zeg toch maar uw naam… hoe ge heet… De onderpastoor zou het graag weten, voor het gemak. Het kan toch niet geheim zijn hoe ze u noemen in uw land.
Pan Pan.
Petrus Is uw voornaam?
Pan Neen.
Petrus Uw familienaam dus. Pan.
Abt Gij zijt de duivel.
Pan Ik ben God,
Abt Hij zegt het! Er is maar één God!
Pan Gij zegt het! Dat ben ik.
Abt Gij liegt, bedrieger!
Petrus Eerwaarde, alstublieft. Ik verbied u mijn gast te beledigen.
Abt Onwetende! Gij verdedigt de duivel!
Petrus Duivel of God. Het is mij gelijk. Onder mijn dak wordt niemand geslagen.
Abt Hij heeft beestenoren!
Petrus En dan. Hij heeft zijn eigen niet gemaakt.
Abt Absoluut! Het is hem.
Petrus Laat ons gerust.
Abt Ik bevind me in het diepst van de hel. Maar ik vrees niet. (naar de zigeuners) En zij zijn gekomen om hem te helpen, hem te beschermen. (tijger brult) Ze hebben hun wilde beesten meegebracht! En omdat alvast de stank hem gewend was, is hij bij deze man neergedaald, die leeft bij de beesten, zoals de beesten. Samen met zijn grijze heks en zijn bosnimf van een dochter.
Petrus Eerwaarde!
Koster Wees kalm, meneer de onderpastoor, ge trilt helemaal van opwinding.
Abt Ik stik. Kom, we zijn weg! Het stinkt hier.
Koster Naar de bok.
Abt Naar de duivel! De bok…! Laat de klokken luiden. Ik wil alle mensen in de kerk, de duivel is onder ons. Vooruit! (Koster af)
Zigeuner Paniska!
Abt Ze zijn wakker!
(de zigeuner zingt en Paniska danst tot trance)
Abt Godslasterlijk!
Paniska Ik ben alleen maar uw nederige dienares.
Abt Een parodie! Stop die wilde negerdans. (Paniska kleedt zich uit en danst naakt verder)
Abt Heiligschennis! Verdorven!
Petrus Stil.
Abt Dit kunt gij van uw dochter niet goedvinden.
Anna Toch! Laat ze dansen. Wat krijgen jullie allemaal! Onze rust en haar jeugd verstoren, midden in de nacht. Buiten!
Abt Bezeten zijt gij allen. Maar gij zult onze kudde niet de duivel aandoen zolang ik hun herder ben.
Anna Buiten zeg ik u! Van ons erf.
Abt Vol zonde! (de abt hopt weg, achternagezeten door Anna)
Petrus Anna.
Paniska Vergeef hun, mijn God. Luistert niet naar de woorden van deze mensen. Mijn vader en moeder deelden hun tafel met u en gaven hun gastvrijheid. Ik kan alleen mijzelf geven.
Abt Wacht u voor het noodlot zondares. Het zijn de poorten van de hel die voor u opengaan.
Paniska Oh God. Ik hou van u. Niemand zal u van mij afpakken. Geen andere God.
Abt O exsecrando daemon! Paniska! Redt u, onnozele.
(tot Petrus en Anna) Red uw dóchter dan, ongelukkigen.
Petrus Paniska!
Abt Zij ís verdoemd. Gij hebt ze aan hem uitgeleverd. (Paniska en Pan af)
Petrus Paniska!
Abt O wee! Het is te laat. Ge zijt verloren (af).
Petrus Paniska!
Anna Vertroebel haar wonderlijke liefde niet.
Hoort ge de zee? Ze zingt!
Petrus Is dat de zee? Zijn het niet de vogels?
Anna Is het al morgen?
Petrus Neen, het zijn de klokken. Ze luiden de klokken. Ze gaan bidden. Laten wij ook bidden.
Anna Ja, laten wij ook bidden.
Petrus Weent ge, mama?
Anna Van geluk papa. Maar gij trilt. Hebt ge bang dat we verkeerd deden.
Petrus Neen mama, ook ik tril van blijdschap.
(een haan kraait)
De dageraad?
Anna Een God is tot ons gekomen en we hebben aan zijn woord ons geloof gegeven.
Petrus We hebben hem alles gegeven. (weent)

DOEK

TWEEDE BEDRIJF

Rond de noen.
Uit de kei waarop Pan lag, komt water. Het wordt in flesjes opgevangen door Petrus en Anna. De flesjes worden verzameld in bakken. De zigeuners zijn er niet meer.

(koster op met 12 stoelen en een emmer wijwater)
Koster Zijn ze weg? De raad van wijzen heeft beslist een geheime samenkomst te organiseren op de plaats van het ongeluk. Als u zo goed wilt zijn…
Petrus Dat ze doen wat ze willen.
Koster (zet de stoelen neer)
Meneer de onderpastoor
de burgemeester
de schoolmeester
de secretaris
ikzelf.
(Anna weg met een bak)
We hadden graag gehad dat ge hier zoudt blijven voor een ondervraging. En een biecht achteraf misschien…
Anna We lopen niet weg. (af) (de anderen op)
Koster Langs hier.
Burgemeester (appel in de hand) Gelooft gij nu echt dat dat een appel is.
Pastoor Ik vrees het.
Burgemeester Appels op de eerste dag van de lente. Ik heb geen bloesem gezien.
Koster Het is een echt mirakel.
Abt Een raadsel! Een natuurlijk raadsel.
Meester De natuur…
Abt Oh! De natuur.
Koster ‘t Is een schandaal.
Meester De natuur…
Pastoor Jozef, hebt gij het gewijde water mee?
Koster Ik heb voor de zekerheid een emmer meegebracht.
Pastoor Goed.
Meester De natuur…
Burgemeester Meester, wilt gij de vergadering noteren tot mijn secretaris er is?
Garde (op, buiten adem) Ik ben ze kwijt. Ik kon ze niet volgen tot in de boskes… met mijn astma, door al die bloemen. Het pakt op mijn asem. De rozen schieten als bomen en om de twee stappen struikelt ge over hun ranken. En appels!…
Pastoor Zijn het echt appels?
Garde Miljarden.
Pastoor Het is toch een mirakel.
Garde Ge kunt geen stap doen of er valt er een op uw kop.
Koster Ik heb ook last van mijn asem.
Meester Drinkt een beetje (geeft hem een flesje van de bron)
Garde Ik kwam maar zeggen dat het voor mij ook onmogelijk is, helemaal alleen, het volk uit de boomgaard te houden. Ze klimmen over de hagen. Ze luisteren niet.
Abt Hoe dat?
Garde Ze willen het mirakel zien, zeggen ze.
Abt Jaagt ze dan weg.
Burgemeester Dat is zeker.
Garde Het zit zo, meneer de burgemeester, dat dat helemaal onmogelijk is, in mijn alleen. ‘t Is om uw verstand te verliezen. De mensen aan deze kant van ‘t dorp hebben af van de appels gegeten, buiten mijn optreden.
Abt Laat de gendarmerie uitrukken.
Garde Ja maar, wacht efkes. Ik ga terug. We zullen wel eens zien… (trekt zijn wapen)
Burgemeester Schiet boven de hoofden, Kamiel.
Abt Zeg hun dat het verboden is van die vruchten te eten, op gevaar van de doodstraf.
Burgemeester Maar eerwaarde!
Abt Ja, ja,… de doodzonde.
Garde Ay, mijn vrouw heeft er al van gegeten.
Abt Hoedat?
Garde Ik vond ze juist terwijl ze in zo een verboden vrucht stond te bijten. Ik heb ze een rammeling gegeven en om een dokter geroepen.
Koster Dat er maar geen ongelukken gebeuren.
Garde Natuurlijk gebeuren er ongelukken, koster. Onze jongens klimmen in die bomen.
Meester Ik moet gaan zien of de mijnen er niet bij zijn.
Garde Natuurlijk zijn ze erbij, meester, ik heb ze gezien.
Meester De bandieten, ik ga erachter.
Burgemeester Meester, dat is onmogelijk. De wijzen moeten vergaderen. Het komt wel goed als wij verstandig doen. Ik stel voor…
Koster Met kinderen niks dan last.
Abt Ge drinkt water van het grotteke van de duivel!
Koster Het kan geen kwaad, ik voel het.
Burgemeester Ik stel voor dat de oudste de vergadering opent.
Meester De natuur…
Abt Meneer pastoor is de oudste, meester.
Pastoor Ja maar. Ik weet van niks. Het enige dat ik zie, is het mirakel.
Abt Ja, de volgende.
Meester De natuur…
Abt Dat is de burgemeester, schoolmeester.
Burgemeester Is het aan ik? Wel het was rond 10 uur en wou me juist naar bed begeven toen de garde mij kwam vinden om me op de hoogte te brengen van de aanwezigheid van… de gipsies… in ons dorp; dat zij zonder mijn toelating hun kamp opgeslagen hadden… op het strand… bij de herder. En dat sommigen zich naar de duintoppen begaven… op een manier die in het proces-verbaal omschreven werd als ongewoon en… en…
(zoekt het juiste woord op in het proces-verbaal) duister… jaja … duister. Zeker. Want de maan stond nog aan de hemel niet. En toch verstoorden zij onze nachtrust niet, en alles zou in regel zijn geweest, hadden zij niet hun kampplaats gekozen … hier … (gaat naar de plek) zonder mijn voorafgaande toelating. Trouwens, zij hadden ook hun wilde beesten bij.
Pastoor Ze hadden hun wilde beesten bij?
Burgemeester En ik dus naar Petrus. En ze waren hier, op deze plaats, waar wij ons nu bevinden. Ze sliepen op de grond; en ze hadden hun wilde beesten bij.
Pastoor Buitengewoon.
Burgemeester Maar ik zeg het nog eens: ze stoorden onze nachtrust niet. En ik ben dus gaan slapen.
Abt Wat ik zag, was veel erger. Ik zal zelfs zeggen van zo een gewicht dat de gevolgen niet te tellen zijn.
Allen Oh!
Abt Daarnet was u nog, op weg naar hier, getuige van een deel van dit schandaal. U zag hoe in één nacht het zaad van de duivel vruchten wierp. Het gaat hier niet om een simpele overtreding van de wet. Wat ons deze noen bij elkaar brengt, is niet te noteren als ongewoon of duister, maar als duivels.
Allen Oh!
Abt Deze heidenen aanbidden onze God niet. Ze hebben hun eigen God: Belzebub. Daar zat hij. (wijst de pastoor aan)
Pastoor Wie?
Abt Belzebub.
Pastoor (verplaatst zich) Moge de goede God ons behoeden. Laat ons deze plek wijden.
Koster Ik kom al, meneer pastoor.
Abt Ik had hem onmiddellijk herkend en bezwoer hem met dezelfde woorden die Christus zei in de woestijn. En toch deze keer hadden deze woorden minder effect. Hij bleef koppig staan. Innerlijk vechtend tegen Gods woord, want ik had hem ontmaskerd. En deze twee getuigen beletten me hem dan maar met geweld te verjagen. Ze namen hem in bescherming. Godslasterlijk!
Pastoor Schaamt gij u niet, de duivel op bezoek te hebben gehad?
Anna Het was de duivel niet, meneer pastoor, maar de goede God in persoon.
Pastoor Hoe in persoon?
Abt Ze vloeken voortdurend.
Pastoor Wilt gij ons niet vertellen hoe het allemaal gekomen is?
Petrus Het was rond zeven uur, want de zon lag reeds rood op de zee. Ik deed nog een wandelingske met de bok.
Koster Waar is uwen bok nu, Petrus.
Petrus Bij de burgemeester.
Burgemeester Ja ja, verder.
Koster Mag ik hem daarna, burgemeester.
Burgemeester Verder Petrus.
Pastoor Wat is dat toch met die bok?
Petrus Ik zag een vissersboot voorbij varen. Het had een gele boog en paarse zeilen. En de matrozen riepen. Het scheen mij dat ze riepen, dat er iemand dood was. Verdronken dacht ik. De zee was wild vannacht. En ik ook roepen. Mijn vrouw en dochtertje kwamen aangelopen. En toen we alle drie aan het roepen waren, kwam er ineens iemand uit de zee gestapt: Ik zijn niet dood! En de zon ging onder achter zijn rug. Mijn vrouw zei direct: het is een mirakel! En mijn dochtertje knielde en zei: Hij is verrezen. Maar ik zei: nee, nee. En toen hebben we hem mee naar huis genomen en verwarmd. Hij sliep direct, hij stierf van moete. Hij moet van de nieuwe wereld gezwommen zijn.
Anna En toen kwamen de engelen.
Pastoor De engelen?
Burgemeester Ze wil zeggen de gipsies.
Abt De duiveldienaars.
Pastoor En wat hebben ze gezegd?
Petrus Niets. Ze sliepen direct.
Burgemeester Ja, ik zie daar dus geen slecht in.
Pastoor Maar hebt ge zijn naam dan niet gevraagd.
Petrus Ik vraag nooit de naam aan iemand. Zijn voorkomen was mij genoeg.
Abt Maar hebt gij zijn lelijkheid dan niet gezien. Zijn bokkepoten?
Allen Hij had bokkepoten?
Abt Hij had bokkepoten! En horens ook. Ik heb ze gezien.
Koster Ik ook ja, bij…
Petrus Het waren niet de oren of voeten van om het even wie … nee… Maar hij komt van de nieuwe wereld.
Anna Het is het bewijs dat hij God is.
Burgemeester Een schoon bewijs.
Meester De natuur…
Abt Het is het bewijs dat hij de duivel is. Ik neem aan dat dat de twijfels van de raad wegneemt.
Meester We moeten wel weten,..
Pastoor Het is niet klaar hoor voor mij.
Burgemeester Het is niet voldoende. Aan wat dacht ge hem nog als God te herkennen.
Petrus
Anna Aan alles!
Petrus Hij was bloot.,.
Allen Oh! Oh! Oh!
Petrus Aan zijn manier van slapen, eten, drinken… lachen, dansen.
Meester Haha! Hij danste!
Petrus Ik dacht dat hij danste ja. Toen hij uit de zee kwam en land voelde. Ge zoudt voor minder na zo een zwemtocht.
Abt Ja, het is zijn manier om te bewijzen dat hij God is. Dansen en lachen.
Koster (blijft drinken van het water en wordt stilaan dronken) Een god die lacht! Hahaha… (iedereen lacht)
Burgemeester Absurd.
Abt Onwelvoegelijk. Die man is gevaarlijk.
Pastoor Zijt gij dan minstens zo zeker dat hij niet God is.
Abt Welke God?
Pastoor De Vader bijvoorbeeld.
Abt Maar meneer pastoor!
Petrus Hij heeft het zelf gezegd: ik ben God.
Pastoor We vergeten verlichting te vragen aan onze heilige geest.
Abt Als we nu al gaan twijfelen aan het bestaan van de duivel, waar gaan we naartoe. Noemde hij zichzelf niet Pan? Of is dat dan een bewijs dat hij niet de duivel is.
Meester Nu wil ik toch wel zeggen…
Burgemeester Het mirakel is er toch maar…
Meester Neen…
Pastoor Doet de duivel ook mirakels?
Abt Ja, van rozen bomen maken.
Pastoor En de appels,
Abt Dat nooit! Niet de appels!
Meester (roept) Is het toegestaan. Alstublieft!
Het is goed mogelijk dat wij ons te midden van een eenvoudig natuurlijk “verschijnsel” bevinden.
Abt U vindt alles natuurlijk, meester. Maar ik beweer het tegendeel. Niets is natuurlijk in de wereld. Alles hangt af van de wil van God, die niet onderhevig is aan de wet van de natuur.
Meester Pan is noch mens, noch God… noch een duivel. Hij is alles. Het is alles. Het is de grote verwekkende kracht. De allegorie van het ontstaan. Alles is God, en God is alles.
Abt Woorden, woorden, woorden.
Koster Poëzie!
Abt Zo wordt Mars ook een God.
Koster Die missen we nog! (lacht)
Meester Men herkent Pan aan zijn dans, aan zijn lach, zegt deze man. En hij heeft gelijk! Het is een blije God, en dat is uniek in de wereld. Wat u een mirakel noemt, noem ik een theatraal, natuurlijk verschijnsel. De verbeelding van de lente.
Abt Oh! Oh!
Meester Zonder twijfel zijn bij ons, in dit seizoen, de bloemen en vruchten nog niet in staat tot zo een tochtige bloei of rijpheid. Maar elders op deze bol wel, verzeker ik u. Een welgezinde wind, een wonderlijk magnetisme, waarvan wij de oorzaak nog niet kennen maar toeschrijven aan het bovennatuurlijke…
Abt Een les van onze onderwijzer.
Meester Alleen de natuur is goddelijk.
Abt Gaat gij het bestaan van de schuldige ontkennen? Ik heb hem gezien!
Meester Wel ja, ik ontken het.
Abt Oh! Gaat nu weg.
Koster Ik heb hem ook gezien. Hij stond hier.
Meester Ik ontken het! Het is een natuurlijk fenomeen.
Abt Als ge uw eigen ogen al niet meer kunt geloven. Het is niet serieus.
Meester We moeten in het bedrog der zintuigen geloven.
Abt Is dat de moraal die ge aan de kinderen onderwijst?
Burgemeester Heren, wat kalmer.
Abt Pan is de God van de goddelozen en het is een volmaakte misdaad te veronderstellen dat Pan nooit bestaan heeft of bestaat! Hij heeft altijd bestaan. Gelooft in mij.
Koster In u geloven, goddenhere.
Abt Ik wil maar zeggen dat Pan Pan is. Het is te zeggen, een van de zovele afgoden die aanbeden werden voor de verlosser kwam. Trouwens als hij niet bestaat, waarom kwam dan de verlosser tot ons? God staat hem, af en toe, toe zich hier op aard te openbaren om de mens te beproeven. En vooral als kastijding voor onze twijfels. Twijfels die de zwaksten onder ons zich doen overgeven aan het Pantheïsme.
Pastoor Hebt gij u aan het Pantheïsme overgegeven?
Anna Zonder twijfel.
Burgemeester Hoezo, zonder twijfel. Weet gij wel wat dat wil zeggen, het panterisme?
Petrus Ik heb niet naar school geweest, meneer
Pastoor Hier zijn we nog niet gereed mee. Zijn er nog getuigen?
Petrus Er is nog mijn dochtertje, meneer pastoor.
Pastoor Waar is zij dan?
Petrus Ik dacht dat meneer pastoor verstaan had…
Pastoor Ik heb niets verstaan.
Petrus Zij is met Pan in de boskes.
Pastoor In de boskes? En wat doet zij daar?
Anna Ze zijn aan mekaar gebonden.
Abt En we zullen ze nooit meer zien. Ze is in zijn bezit, voor goed!
Pastoor Maar hoe is dat dan toch gebeurd, Petrus?
Petrus Het was nacht… en… mijn dochtertje… Ik weet het niet.
Anna Ze vielen in elkaars armen.
Petrus We dachten niet dat ze verkeerd deden.
Anna We waren samen in tranen.
Petrus Omdat we wisten dat die dag een keer zou komen dat ons dochtertje…
Anna We hebben gebeden om God te danken. Het was zijn wil.
Abt Schaamt gij u niet Gods naam te gebruiken om uw laagheid goed te klappen?
Petrus We hoorden muziek, klokken, de zee. Ik dacht de nieuwe wereld…
Anna We zagen het paradijs.
Petrus Alles stond in bloei.
Pastoor Ik verstaan er minder en minder van.
Koster Ik ook.
Pastoor (tot de abt) Waarom hebt gij ons dat niet direct gezegd? Abt Uit schaamte.
Burgemeester Dat is fout, We moeten alles weten.
Allen Zeker en vast.
Abt Het ergste is dat zij hun meisje aan de duivel schonken.
Pastoor Dat is verschrikkelijk! Schaamt gij u niet?
Anna We schonken haar aan de Goede God met al zijn liefde. Als dat fout is, straft ons dan.
Abt Roept niet om een straf die ge niet kunt omlopen!
Pastoor Maar hoe is dat alles dan gebeurd?
Abt Als ge dan alles wilt weten: het meisje maakte voor hem een vulgaire dans. Naakt! Ze legde haar bleke vel tegen zijn… zijn pels, en hij omarmde haar. Voorgoed in zijn klauwen.
Abt Ze riep ik hou van jou. Ik wou ze losrukken van de verleiding, maar ik kreeg slaag van deze twee zondaars. En het strafste komt nog. Ze gaven hun dochter en haar minnaar de zegen en ze knielden om ze te aanbidden.
Petrus We baden ons ochtendgebed. Het was morgen ondertussen.
Anna En de engelen zongen.
Burgemeester Ja, zij bedoelt natuurlijk de gipsies.
Petrus Ze vertrokken samen met hen de duinen in.
Abt Naar de hoogste top om een mensenoffer te doen.
Past op mijn woorden.
Pastoor Jaagt ze niet op. Straks verklappen ze niets meer.
Anna Ons kind vertrok vredig en bloot zoals ze geboren is. De zon kwam op om ze te verwarmen. En de vreemdelingen zongen een hooglied. Ze gaven ons kadoos: gouden vaaskes, zilveren taljoren. Nog nooit eerder hadden wij iets gekregen van iemand. Ze klapten voor haar en strooiden met strooien bloemen. Toen gingen ze zich samen wassen.
Koster Allemaal zonder kleren aan?
Meester Ze zijn getrouwd op de manier van de bohemers.
Abt Dat is niet om mee te lachen, meneer. Dees zijn ernstige zaken.
Burgemeester Zeker. En ik kan dergelijke publieke schandalen niet toestaan in ons dorp. Het breekt alle grenzen van goede zeden.
Koster Het is ongelofelijk. Als meneer pastoor graag zou hebben, dat ik eens ging zien…
Pastoor Hier blijven! Om onpasselijk te worden van die blote lijven…
Abt Ik heb dus echt niet overdreven.
Burgemeester Ik zal een beslissing moeten nemen. Maar de garde is er niet. En waar zit de secretaris…
Pastoor Ik versta het niet.
Abt Laten we stemmen om te weten wat we moeten doen.
Allen Ja, ja!
Burgemeester Kom, iedereen gereed? De gestelde vraag is deze: Is Pan de duivel, of onze vader, het is te zeggen God die ons verscheen in de persoon van… eh… die ons verscheen in een persoon. Gelieve te staan als jawoord. Dan nu: Wie kiest voor God.
(pastoor, koster, Petrus, Anna en de burgemeester recht)
Vijf!
Abt Hoe vijf! Een meerderheid die van Pan God maakt. Dat is onmogelijk. Dit is een vergissing.
Burgemeester Ik was vergeten te gaan zitten.
Pastoor Ja, ik kies voor God natuurlijk.
Koster Ik doe wat meneer pastoor doet.
Abt Gij hebt ongelijk. Meneer pastoor heeft er niks van verstaan. We moeten alleen weten wie gelooft dat hij God niet is.
Meester De vraag is verkeerd gesteld.
Abt Da’s zeker.
Burgemeester Goed, dan herbeginnen we.
Pastoor Voor wie kiezen we dan nu?
Koster Voor de duivel.
Pastoor Lieve God.
(gaat zitten, gevolgd door Koster, Petrus en Anna)
Burgemeester Vier!
Abt Maar nee! Wie gelooft dat Pan de duivel is. ‘t Is toch simpel.
(Pastoor, Koster, Abt, Burgemeester, Petnts en Anna staan)
Burgemeester Zes!
Meester Ik onthoud mij.
Abt Het zij zo! Maar de stemmen van de herder en zijn vrouw tellen natuurlijk niet mee.
Pastoor Maakt het nu niet moeilijker alstublieft.
Abt Ze beïnvloeden de meerderheid.
Burgemeester Het blijft toch vier.
Pastoor Maar wie heeft dan de meerderheid?
Abt De duivel!
Pastoor Maar dat kan toch niet.
Abt Ik wil maar zeggen dat de meerderheid vindt dat Pan de duivel is.
Pastoor Dat vind ik ook.
Abt Proficiat.
Meester Mag ik u vragen om ook te stemmen voor “het natuurlijk verschijnsel”.
Burgemeester Dan nu: Wie kiest voor “het natuurlijk verschijnsel.” (de meester staat recht)
Dat is één stem voor “het natuurlijk verschijnsel.”
Abt Zo, deze zaak is dan gehoord. Hij noemde zichzelf God. Hij heeft geknoeid met onze zekerheid. Ons beledigd met hoererij. Het sacrament van het huwelijk bevlekt. Hij is in staat tot alle misdaden. Het behoort ons niet toe de bedoelingen van de voorzienigheid te peilen, noch ons af te vragen waarom zij deze plaag op ons afstuurde. Wat wel belangrijk is, is de houding die ons rest te nemen tegenover het kwade. Als het aan mij ligt: ik stel voor hem levend te verbranden. En zijn vrouw ook.
Burgemeester Ik ga in oppositie. We gaan onze rechten te buiten.
Koster Nu gaan we onze vingers verbranden. (lacht)
Meester Gij leeft nog in de middeleeuwen!
Pastoor We moeten exorciseren.
Abt Ge kunt alleen de bezetenen exorciseren.
De duivel zelve niet. Die verjaagt ge.
Pastoor Ge hebt het al geprobeerd, gelijk Jezus en met weinig succes.
Abt Christus leerde ons nog andere middelen. (leest voor)
“Erat autem ibi, circa montem, grex porcorum magnus, pascens… – Et deprecabantur eum spiritus dicentes: mitte nos in porcos ut in eos introeamus – et exeuntes spiritus immundi introierunt in porcos.”
Onze Lieven Heer wist van aanpakken.
Burgemeester Kunt gij u misschien verduidelijken, eerwaarde, want…
Abt We moeten de duivel verjagen in het lijf van een zwijn.
Pastoor Petrus, hebt gij hier een varken.
Petrus Ik heb alleen nog de bok van de gemeente, meneer pastoor…
Burgemeester Nee, nee, nee…
Petrus Maar ik wil me in deze affaire niet moeien.
Pastoor Jozef, houdt op met drinken en gaat een varken zoeken. (koster af)
Burgemeester En als hij nu eens niet in dat varken kruipt?
Abt We jagen hem er met geweld in.
Burgemeester En wat doen we dan met dat varken?
Abt Gooien we in de zee. Et magno impetu praecipitatus est in mare.
Burgemeester Kan een varken niet zwemmen dan?
Petrus Neen, burgemeester.
Burgemeester Neen? Ik moet niet hebben van die truuk met het varken… Kunnen we hem niet beter in een onschuldig maar toch sinister beest krijgen? Een uil bijvoorbeeld. Ge kunt beter een uil verjagen in plaats van een varken… Denk ik… Of een zwarte kater. De zwarte kater is het lievelingsbeest van de heksen…Of een pad. Ik zeg maar iets… Een stil beest laat zich goed pakken… en bijt niet… en het ziet er toch duivels uit.
Pastoor We zullen alles proberen, Maurice.
(koster en garde op, de garde draagt een roos biggetje)
Koster Het enige varken dat we konden vinden, was dat van de burgemeester.
Burgemeester Jamaar, jamaar, waarom mijn varkenske?
Abt Zijt gij dan niet blij dat het uw varken is dat ons zal redden?
Burgemeester We gingen het juist slachten met de kermis.
Koster Kiek is ook lekker.
Pastoor Hebt ge kaarsen en wierook?
Koster Ja.
Pastoor Steek het aan en we zijn weg.
Koster Ik zal het wijwater ook maar meedoen.
Burgemeester (tot de garde) Awel?
Garde Ik dacht dat het in uw opdracht was burgemeester.
Pastoor Waar is mijn brevier? Ha, hier. We kunnen vertrekken. Kom, vormt een mooie processie. Start. (vertrekt)
Burgemeester Mijn klein varkske. Wat gaat mijn vrouw zeggen?
Garde Ja, over uw vrouw gesproken, ik zag ze…
Burgemeester Meester, schrijf in het verslag dat het mijn varken is dat geofferd wordt…. Waar zit de secretaris toch?…
Meester Ge moet niet bang zijn voor uw varken, Maurice, der zal niks mee gebeuren.

DOEK

 

DERDE BEDRIJF

Avond.
Boetelingen, onherkenbaar door hun boetekleren sleuren met kruisen. De kruisen zullen de brandstapel worden voor Pan, als niets anders wil helpen.

Abt (tot de boetelingen)
De duivel betaat evengoed als God! Vandaag weet ik het zeker. We schamen ons voor zijn aanwezigheid en het rood van de hel kleurt onze kaken. We verwerpen zijn bestaan niet openlijk uit ons geloof, we gaan er stilletjes aan voorbij. We loochenen, verloochenen. We gooien een voile over de hel! Maar dat is de ergste ketterij die er bestaat! Want de hel is de as waarrond onze Heilige Kerk draait. Zonder hel stort de hemel in elkaar. Zonder duivel is onze kerk een koninkrijk zonder fundamenten. De hemel: lucht!

Onze kerkvaderen moeten het bestaan van de duivel prediken. Want zonder duivel, geen God. Elke religie heeft zijn duivel, als een lommer voor het licht. De lommer: onafscheidelijk aan het licht.
Zonder slecht geen goed. Hij is voor het evenwicht van het universum nog meer noodzakelijkheid dan God. Zonder hem maakt het kwade zich niet duidelijk en heeft deze wereld geen zin meer. Maar hij bestaat…
(koster en pastoor op)
Koster Hij wilt er niet in.
Abt Hoe dat, hij wilt er niet in.
Koster We hebben het zelfs met de kater geprobeerd, en de burgemeester zei dat een uil nog veel beter was geweest.
Burgemeester (met kruis en boetekleed).
Probeer het ook maar eens met een pad.
Pastoor O god! O god! O god!
(met de koster af)
Burgemeester (kap af)
Ik vrees dat we macht missen. En als we de kracht niet hebben, moeten we het met zachtheid doen.
Meester Dat vind ik ook. Meneer de onderpastoor, gij zijt te geweldig.
Abt Zachtheid dient tot niets. Het koninkrijk der Hemelen staat nog recht dankzij het geweld.
Burgemeester We moeten in ieder geval dit schandaal doen stoppen.
Gans onze administratie klopt al niet meer met die God in ‘t dorp.
Abt Die duivel.
Burgemeester Of die duivel, wat voor belang heeft het. Ik kan niet meer instaan voor de orde in deze wanorde. En het is het mirakel dat de wanorde is.
Abt Het is de afschaffing van elke natuurwet.
Burgemeester Ge kunt de wet niet afschaffen.
Meester Anarchie? Dat zou nog eens een schandaal zijn.
Burgemeester Laten we maar niet te hard roepen. Daarbij als hij er niet in wilt, stel ik voor van hem gerust te laten, We zetten onze goede naam op spel.
Abt Maar gij noemt het mirakel zojuist nog een schandaal.
Burgemeester Oh! Als hij zich zou willen onthouden mirakels te doen… We zouden het hem moeten vragen. Ik wil wel… zeg kom: wie gelooft er nu nog in de duivel, geen kat neemt hem nog serieus. We hadden hem maar moeten kunnen verdragen… Oh! Misère, misère
(tot Petrus)
Waarom hebt gij hem vergast in uw huis, in ons vredig dorp. Tot welk een misdaad zijt gij in staat dat de hemel u zoekt te straffen, en met u, wij erbij!
Petrus Mijn geweten is rein.
Anna Goed geweten.
Pastoor (op) Hij wilt er niet in.
Allen Hij wilt er niet in.
Pastoor Zelfs in de pad niet.
Burgemeester Hemelse goedheid.
Pastoor Het is verloren moeite. Hij houdt vol te weigeren. En de gebeden dienen ook tot niets.
Meester Ik had het wel gedacht.
Abt We moeten het bisdom verwittigen.
Pastoor Ik heb heel de emmer wijwater over hem gegoten. Het deugt niet. En de koster is onpasselijk geworden.
Abt Waar is hij?
Pastoor Hij is ginder gebleven. Hij moest gaan zitten. Hij was draaierig. En het is wat ginder. Arme koster. Het is de eerste keer dat hij zoiets ziet.
Meester Wat dan?
Abt Pudenda mulieris.
Burgemeester Allez dan, we zijn er toch maar niet in gelukt.
Pastoor Zwijgt erover. Daarbij ge kunt er niet mee discussiëren: ze lopen allemaal bloot. Zoals Adam en Eva na de val.
Meester Voor de val, wilt ge zeggen.
Pastoor
… ik verzeker u dat het na de val was, want zoiets afgrijselijks heb ik nog nooit gezien.
Abt Laat ons niet aandringen… zodus … hij weigerde.
Pastoor Hij riep heel hard: boe! en begon toen te lachen.
Abt Was het een duivelse lach?
Pastoor Zeker.
Meester Hoe gaat dat dan?
Pastoor Zo van … Hi, hi, hi… (hoog)
Petrus Neen, dat kan niet. Hij lachte van ha, ha, ha (diep)
Pastoor Ja, ja, zo was het. (iedereen lacht)
Abt Mijne heren alstublieft, er valt niet mee te lachen.
Burgemeester We moeten hem met zachtheid aanpakken. Ik zie echt geen andere mogelijkheid.
Anna Ge hebt groot gelijk, burgemeester. Ge kunt echt alles van hem bekomen. Hij is zo zacht als een schaap.
Pastoor Wat? Ge krijgt hem in geen enkel beest, en zeker geen schaap… Hij riep een vies woord naar mij en ik durf niet zeggen hetwelk.
Abt Fluister het toch maar in mijn oor. We moeten alles weten. De duivel herkent men aan zijn woorden. (gefluister) Oh!
(doorfluisteren)
Allen Oh!
Garde (op) Meneer de burgemeester, uw vrouw komt eraan en ze ziet er kwaad uit.
Burgemeester Godverdomme, ik ben er niet. Zeg dat ik er niet ben, (zet zijn boetekap op, knielt en bidt)
Vrouw (madameke Kak, op) Meneer Pastoor, waar is mijn man?
Pastoor Is er iets met uw man?
Vrouw Ons varkske is ziek van emotie, en blaast zijn laatste adem. Het is zijn schuld. En gijlie hebt hem opgestookt. Zijt ge niet beschaamd… als kwajongens die rietjes steken in het gat van een kikvors.
Pastoor We hebben geen rietje in zijn gat gestoken.
Abt Slacht het rap en eet het op.
Vrouw Het is vrijdag, meneer de onderpastoor. En daarbij van dat vlees durf ik niet meer eten.
(ziet de geknielde man) Maurice? (burgemeester bidt intenser)
Pastoor We zullen het vergoeden, hier.
(neemt een gouden vaasje dat op grond ligt)
Vrouw Echt goud.
Petrus Dat is van ons.
Vrouw Uw dochter is ook van u.
Anna Geeft terug.
Vrouw Ze heeft al een buikske. ‘t Zal van moetens geweest zijn. En ‘t hoerejongske zal wel met een staartje geboren worden.
Abt Maakt dat ge hier weg komt.
Vrouw Met veel plezier, het stinkt hier naar de duivel.
Abt Buiten! We vragen van u geen commentaar.
Petrus Geeft ons vaaske terug! Dievegge! Heks. Geeft terug!
Vrouw En gij dan. Kreng, Satanskind. Door de duivel gescheten.
Anna En gij door ‘t gat van een varken.
Vrouw Geit.
Petrus Madameke kak.
Burgemeester Weg! Alle drie. Het is vulgair.
Vrouw Maurice?
Burgemeester Garde, stuur ze weg en als ze iets zeggen, den bak in.
Vrouw Wacht tot ge thuis komt, manneke.
Abt Gemeen! En straks komt zotte Maria nog wat vragen voor haar kater en andere beesten. Het mens met de slechtste reputatie van het dorp, wiens klap nog ongepaster is.
Pastoor We hadden geen keus. Zij is de enige in ‘t dorp met een zwarte kat en een uil! En daarbij zo slecht is ze nu ook niet, de duivel moest van haar kat niet hebben.
Garde Meneer pastoor, ge moet toch nog wat weten.
Abt Wat?
Garde Het is dat ze uit de boskes zijn gekomen en onderweg zijn naar de duinen. Pan en Paniska vanvoor en een hoop zingend erachter. En meer dan de helft loopt al bloot.
Pastoor Hemel.
Burgemeester En wat hebt gij gedaan?
Garde Ik ben gaan lopen.
Abt Zoals de ergste dagen van het heidendom… De Romeinen.
Meester Wilt ge dat ik eens ga zien.
Pastoor De Koster! Hij is nog ginder. Hij is misschien in gevaar.
Garde Maar wat gaat Pan in de duinen zoeken?
Abt De bergrede! Ik had er mij aan verwacht.
De heiligschennende parodie gaat door.
Garde Luistert! (gezang op de achtergrond)
Burgemeester Doe de deur toe. Ik word niet goed.
Abt Straffe maatregelen hebben we nodig.
Pastoor Maar waar blijft de koster toch?
Garde Hij is verloren, meneer pastoor.
Pastoor Dan moet ge hem de weg wijzen.
Garde Ah ja.
Burgemeester Ik ga zelf. We zien wel. Het moet gaan gedaan zijn.
Abt Stuur de gendarms te paard.
Meester Revolutie!
Abt Straffe maatregelen!
Burgemeester Niks forceren. Ik ga zelf.
Pastoor Laat ons beter bidden.
Abt De tijd van bidden is voorbij. Daden zijn vandoen. We hadden hem moeten doen opsluiten, van bij het begin.
Meester Voor welke misdaad?
Abt Voor alle misdaden! Omdat hij de orde vertroebelt, onze godsdienst beledigt… en zijn dienaars… omdat hij publieke… publieke… publieke samenkomsten…
Omdat hij satan is, hé zeg. Vroeger, in de goeie tijd, werd men geradbraakt en verbrand voor het minste van die daden.
Maar vandaag!… Vandaag twijfelt men. Men maakt een proces-verbaal. De wereld is niet meer met God. En wie niet met Hem is, is tegen.
Pastoor Het is misschien te laat nu.
Abt Het is nooit te laat. Het evangelie zegt…
Pastoor Ge moet uwen hof proper houden van onkruid.
(koster op, dronken, in ondergoed)
Koster Meneer Pastoor.
Pastoor Ah! Ge zijt er. Al een uur wachten we op u. Het is een wonder…
Koster Ik kom mijn ontslag geven. Ik ben bekeerd.
Pastoor Wat zijt ge zolang in de boskes blijven doen?
Koster Luisteren naar de preek.
Pastoor Welke preek, zoon?
Koster Die van Pan, papa.
Abt Laat hem, meneer pastoor. Hij stinkt naar bier.
Koster Ik ben verlicht.
Abt Het schijnt zo ja. Schaamt gij u niet? Een klerk van de kerk. Ga naar huis, ge zijt zat.
Koster Ja!… Vol van God, Ik ben veranderd. Ik geloof in Pan, Allemachtig! Heer van hemel en aarde. Ik wil zijn martelaar zijn.
Pastoor Nu zijt ge toch aan het zwanzen, hé Jozef.
Koster Het spijt me voor u, meneer Pastoor. Ik verlaat de wijngaard van uw Heer. Ik ben getroffen geweest, zoals Sint-Paulus op weg naar Damascus.
Abt Zoudt gij het niet beter over Judas hebben.
Koster Ik heb Pan gehoord. Hij is God, dat kan niet anders.
Abt Hij is zot geworden.
Pastoor Mijn kind, laat me nu toch niet sterven van schaamte en verdriet. Biecht uw vergissing. Misschien hebt ge van de verboden vrucht gegeten. De geest is gewillig maar het vlees is zwak. Petrus verlooch… de heilige Petrus… verloochende zijn meester voor een kuisvrouw! Zegt uw akte van berouw en uw zonden zullen vergeven zijn.
Koster Ik geloof in de almachtige Pan, Meester op aarde als in de hemel. Opgestaan onder de doden om ons te zeggen…
Abt Houdt u koest gij! Verrader.
Meester Laat hem spreken. Ik wil weten…
Abt We zijn hier niet bijeen om naar het sermoen van de duivel te luisteren. Ge ziet welk effekt het op de koster heeft gehad. Hij wist heel goed wat hij deed door dit dorp te verkiezen boven de grote stad. Valse goden hebben altijd geteld op de simpelen van geest, vrouwen en kinderen, om hun koninkrijk op aard te stichten. Hij weet waarom hij de koster en de houder van onze bok gekozen heeft als zijn apostels.
Koster Hij heeft met uw wijsheid niets van doen. Wij hebben geen Latijn geleerd, het is waar. Maar het is juist daarom dat hij ons verkoos, onze God. En daarom koos hij als huis, deze stal en als vrouw het meiske dat paste op de geiten. Maar morgen zal hij tempels hebben, en uw koninkrijk zal vallen. En hij heeft er nog bijgezegd…
Abt Een zottekesspel!
Meester Laat ons eens zien. Wat predikte hij verder uw Goede god?
Koster Dat het gedaan is met kerken en pastoors.
Pastoor Maar dat kan toch niet! Heeft hij dat echt gezegd?
Koster Echt. Geen kerken meer. Mijn kerk is dit gezegende bos, deze open plek als een altaar, de bomen als zuilen, het oneindige azuur haar gewelf. De vogels zingen mijn missen. De bloemen… wierook.
Pastoor Monsterlijk! Mijn kind, bedenkt goed: zonder kerken, wat moet er van ons geworden? En van onze religie?
Koster Mijn tempel, is heel de natuur, heel de zee, heel de aarde, heel de hemel, heel… alles.
Abt Wat een leer! Geen mens vindt er zich in terug.
Pastoor Jozef! Ge gaat te ver.
Abt Zwart schaap! Dat zich laat leiden door het gouden kalf. Het is zonde met hem te twisten. Hij gaf zich aan de duivel.
Pastoor Moeten we hem dan niet uitdrijven.
Abt Is het alles?
Koster Hij zei ook dat hij geen oorlog bracht maar vrede; dat we allen broers en zusters waren en dat we elkander moesten liefhebben. En toen hebben we mekaar vastgepakt en gekust.
Abt Oh! Oh! Oh!
Koster Hij zei ook dingen die niet in het evangelie staan.
Abt Dat zal wel.
Koster Dat de goden dood zijn. Of beter: dat we zelf goden zijn. En we begonnen te dansen en te zingen van contentement.
Abt Ziedaar de demagogie. Ge doet het grauw geloven dat ze god zijn, en ze geloven het direct.
Koster Ik weet niet meer precies hoe hij het allemaal zei, maar het was zo schoon. De tranen stonden in onze ogen. Hij preekte dat de liefde gezegend was en puur. En hij kuste zijn vrouw. Vóór ons allemaal.
Koster Hij heeft ons gezegd dat we ons niet hoefden te schamen voor onze lichamen. Er is geen slecht in de natuur. En hij toonde ons Paniskas buik, die was als de zon zo dik en hij zei: Gezegend is haar buik. En wij allemaal: En de vrucht. En de vrucht!
Abt Meneer pastoor, moeten we blijven luisteren?
Pastoor Legt u fatsoenlijk uit, Jozef, of ik pak uw woord af.
Meester Elke verklaring hebben we nodig. Pans woorden zijn van kapitaal belang om een oordeel te vellen over zijn leer en de gevolgen.
Koster Hij heeft ook gezegd dat we de beesten graag moesten zien en respecteren als onze mindere broeders. En de planten ook, heel de natuur kom. Alles wat leeft. Omdat alles… Hij is… Pan.
Een nieuw rijk ontstaat op deze aarde, het rijk van Pan.
De antieken kenden hem al, aanbaden hem, maar hun ondeugden en wreedheden joegen hem op de vlucht. Dolend over woestijnen en zeeën, voor vele, vele jaren. Maar nu is hij teruggekeerd. En daarom is het feestdag, heeft hij gezegd, voor heel het omliggende. Ik ben teruggekomen op deze lentenacht omdat ik mij welgekomen zou kunnen voelen, om ullie te verschijnen tussen de bloemen en het fruit. Maar ik kom hier onder ullie geen mirakels doen, ik ben de zoon van moeder natuur. En haar wetten zijn de mijne. Ik kom ullie het plezier van leven teruggeven, de joligheid, de gezonde en pure liefde, de duisternis wegnemen, ullie redden van de dood en de hel, die zwaar heeft gewogen op ullie. Ik ben de jonkheid en de antieke wijsheid. Ik zal ullie nieuwe liedjes leren, of beter liedjes van vroeger die ullie vaders nog kenden, maar die ullie al lang vergeten zijt. Ik zal ze ullie opnieuw leren, ‘s avonds in het maanlicht, na de werkuren. Want ik heb mijn fluit meegebracht. En ullie zonen en dochters zal ik doen dansen op de klanken van mijn fluit. Ik zie ullie graag, heeft hij dan geroepen. En ik heb ullie gekozen omdat ge simpele harten zijt en puur en omdat bij ullie het hart van de antieken niet het minst veranderd is. En we zijn door onze knieën gegaan. En hij hief zijn armen omhoog en de lach kwam op onze gezichten, we waren zijn kinderen.
Ik wierp me aan zijn voeten en heb geroepen “Mijn God. mijn God, Ik zal uw woord verkondigen, u dienen en volgen,” En ook de rest volgde. Ze zijn allemaal bekeerd. Hij is God, zeker! Ik ben zijn getuige, want hij is zo schoon gelijk de goede God van het paradijs.
Petrus en Anna Glorie halleluia.
Koster En glorie zijn zij die hij zijn vader en moeder noemde.
Abt Welk een afschuwelijke redevoering. De strijd die we moeten strijden, is nog niet gewonnen, en het zal nauwelijks kunnen. Maar de Heer is met ons.
Koster Hij is tegen ullie.
Abt Wij aanvaarden zijn uitdaging.
Meester Niet minder dan de burgemeester ben ik van mening geen open gevecht te beginnen met Pan. De woorden die deze man hier kwam te zeggen, leren ons dat we hier met een handige en gevaarlijke tegenstander te doen hebben. In zijn theorie steekt er iets subversiefs, zelfs anarchistisch. Iets wat ik verre van kan goedkeuren en waartegen de gemeenschap het recht heeft zich te verdedigen. Hij hanteert op de koop toe een afstotelijk cynisme. Maar hier moeten we het over eens zijn, er zit ook een deel waarheid in deze redevoering.
Abt Een deel waarheid! Alles is godslastering, ketterij. Onbeschaamde leugens. Een ontheiligende parodie?
Meester Het is geen parodie. Laat ons niet onverdragelijk worden. Er is daar een zekere onbekrompenheid van gedachten. (burgemeester op)
Burgemeester Mijne heren. Ik heb met het volk gesproken. Ze… verspreiden zich langzamerhand. Er is geen kwaaie wil onder hen. Ze zijn enkel dronken, gepakt door een onverklaarbare dronkenschap. We moeten ze met zachtheid behandelen, zonder deze zouden er maleuren gebeuren. Mijn vrouw brengt de meest aangetasten naar huis. Het is een ontzettend schandaal. Maar ik sta in voor de orde, en aldus heb ik me dan ook met Pan in verbinding gesteld en hem beleefd gevraagd binnen te treden.
Pastoor Hoe?
Burgemeester In de boskes. In de boskes zou intreden. Of hij dat zou willen doen. Niet in het klooster natuurlijk, meneer pastoor, als het dat is waar ge bang voor waart. Dat zou veel te eisend, te veel… te eisend zijn geweest. Hij is geen God…
Abt Hij is een duivel
Burgemeester …zonder opvoeding. Ik leen me niet tot fanatieke handelswijzens. We moeten schipperen. Zoniet zijn we verloren.
Abt Schipperen met de duivel!
Burgemeester Nog één keer, of het nu God is of de duivel, dat heeft weinig belang. Alleen bij deze voorwaarden kan ik verantwoordelijk zijn voor de orde. Zoniet doe ik afstand van mijn functies. Daarbij ik herhaal het, hij heeft een goede indruk op mij gemaakt, en zijn vrouw ook. Het is een zacht mens.
Abt Ja! Dat komt zeker door de uitgenomen ongepastheid van haar kleding.
Burgemeester Dat is een detail. Zoek niet naar het kleine vliegje in het oog van een ander, maar naar de… hè… in uw eigen oog. Ze hebben ons volk tot kalmte gemaand en verzocht naar huis terug te keren. De meesten hebben hun kleren al terug aan.
Pastoor En zij?
Burgemeester Hebben zich in de boskes teruggetrokken. Zolang het schandaal zich niet in het publiek voltrekt, is het mijn zaak niet.
Abt De moderne politiek.
Burgemeester Alle goden zijn gelijk voor de wet, ik kant me tegen elke vervolging. Die tijd is voorbij. We leven in een eeuw van tolerantie voor elk, zelfs voor de goden.
Meester Meneer Maurice heeft gelijk. Hoe beklagenswaardig het ook moge zijn, we moeten zwichten voor de feiten. Ik stel een modus vivendi voor. Het is het enige redelijke dat ons nog te doen staat. We kunnen hem een concordaat voorstellen.
Burgemeester Dat is het. Laten we hem een concordaat voorstellen. We moeten daarvoor de juiste termen opzoeken, meester.
Abt De kerk kan niet schipperen.
Pastoor Er zijn omstandigheden… Maar laten we toch liever een pact sluiten.
Burgemeester Meneer pastoor heeft gelijk.
Koster Zonder twijfel,
Meester Vanzelfsprekend, de onverdraagzaamheid…
Pastoor Ja, ge moet kunnen plooien, meester.
Burgemeester Laten we het nu vlug opstellen. We mogen geen tijd verliezen, ik wil er in ieder geval al op drukken dat de stand van het koppel duidelijk gevestigd en in orde gebracht moet worden volgens de burgerlijke wetten. Als zij weigeren te trouwen voor meneer pastoor, wat te vrezen valt, dan moeten ze getrouwd worden in het gemeentehuis, voor mij dus. En dit in de aanwezigheid van vier getuigen.
Meester Dat is zeker dat.
Burgemeester Meester, wilt gij akte nemen van het eerste punt. Als morgen de secretaris nuchter is, zal hij het wel in het net overschrijven. Dus: als er uit dit huwelijk kinderen geboren worden…
Pastoor Hoop ik dat het natuurlijke kinderen zullen zijn.
Burgemeester Meneer pastoor, is het mij toegestaan? Als twee echtgenoten alleen voor de gemeente getrouwd zijn, hoeven hun kinderen…
Pastoor Dan zijn de kinderen daarom niet natuurlijk.
Burgemeester Maar, meneer pastoor.
Pastoor Ik wil zeggen, volgens de wetten van de natuur. Zonder horenkens, zonder bokkepoten.
Burgemeester Ah ja, natuurlijk!
Meester Dat is zeker dat.
Burgemeester Ja, wat het koppel zelf betreft, kunnen we natuurlijk ook hun kostuum, als u mij toelaat het zo te zeggen, niet tolereren. Hoe ze sinds vannacht rondlopen…
Abt Onverdraaglijk!
Pastoor Het betaamt dat zij fatsoenlijk gekleed gaan. Redelijk en menselijk, zoals iedereen, En past op hé, een wit laken is geen kostuum.
Garde Geen horenkens en geen beestevel.
Burgemeester Ja, ja.
Pastoor Het best zou zijn dat hij een lang kleed droeg en een kap om alles te verstoppen.
Burgemeester Volkomen juist!
Meester, noteert: Pan zal, ten alten tijde, een kostuum dragen, dat gelijkt op dat van meneer pastoor… Maar misschien iets langer. En een kap over zijn hoofd.
Pastoor Zet er ook bij, iets dat past bij zijn ouderdom. Dat hij er niet uitziet als een jonge schobbejak. Hij heeft hiervan al genoeg misbruik gemaakt. Met zijn seksuele spelletjes…
Burgemeester Goed! Maar welke ouderdom mag hij dan wel hebben? Petrus, kent gij den ouderdom van uw schoonzoon?
Anna Hij heeft er geen burgemeester.
Burgemeester Hoe wilt ge zeggen?
Anna Dat hij niet veroudert.
Burgemeester Hij moet verouderen als iedereen, en zo rap als zijn appels. Het is in het bijzonder van de jeugd dat we moeten oppassen. Het is de leeftijd van dwaze streken. Hij zou op zijn minst zeventig moeten zijn, een man van die leeftijd…
Pastoor Pardon! Dat is nu juist den ouderdom van de wijsheid, waarop een mens ten volle zijn maturiteit bereikt.
Laten we zeggen, negentig jaar. Minimum.
Meester En maximum?
Burgemeester Honderd. Hij mag in geen geval de honderd passeren.
Pastoor Waarom niet?
Burgemeester Het zou in de gazet komen. En publiciteit heeft hij niet nodig. Daarbij, hij zal over zijn leeftijd niet spreken. …Meester.
Meester Dat is zeker dat.
Abt Terwijl ge nu toch bezig zijt, kunt ge hem misschien vragen helemaal te zwijgen, dat zou misschien veel beter zijn. Allez, denk ik hé!…
Garde Misschien wel.
Burgemeester Dat is overdreven, Ik ben voor de vrijheid boven alles, op voorwaarde dat zij niet ontaardt in losbandigheid.
Meester Dat is zeker dat.
Burgemeester Dat is overdreven… Hij zou er trouwens nooit in toestemmen zich zijn woorden terug te trekken. Laten we hem gewoon vragen weinig te spreken. En in ieder geval niet over politiek.
Pastoor En over religie, en de moraal. Onze parochianen hebben niets te zien met zijn vertellingskes. Het zijn simpele zielen. We moeten ten allen prijze vermijden dat hij hun hoofd doet draaien met zijn zotteklap.
Burgemeester Heel juist, heel juist.
Pastoor Het gaat om de zedelijke gezondheid van onze zwakke gemeenschap, dewelke het niet ontbreekt aan tere individuen, vrouwen vooral, die geloof schenken aan onzinnige legendes of godsgeschiedenissen die het gezond verstand tarten. Wat moet er van ons geworden als dergelijke culturen hier op een dag geloof vinden?
Meester Die van Priapos bijvoorbeeld.
Burgemeester … ja… de hele gemeentelijke administratie zou onmogelijk worden.
Pastoor En de administratie van de sacramenten.
Burgemeester Maar hoe moeten we dat opschrijven. …
Meester We moeten eisen dat hij met zijn verhaaltjes niet aan het intellectuele niveau van de gemeente voorbijgaat, of aan de sociale status die hij inneemt.
Pastoor Maar wat zal die status zijn?
Petrus, wat zijt ge van plan te doen met uw schoonzoon.
Petrus God, meneer pastoor, ik weet het niet. Wat hij wilt zeker. Als hij wilt werken, aan werk mankeert het hier niet. Mijn vrouw en ik, we hebben altijd gedacht dat onze schoonzoon mij zou opvolgen en voor de bok zou zorgen. Zoals ik mijn vader opvolgde en hij zijn vader. Maar zoiets vraagt ge toch niet aan de goeie God.
Abt We hebben u reeds uitdrukkelijk verboden hem die naam te geven.
Burgemeester In ieder geval moet hij werken. Er is in onze gemeente geen plaats voor vadsigaards. Hij zorgt dus voor de bok. En dat hij niet afwijkt van de spreektaal en gedachten van de mensen van die klasse.
Pastoor Dat hij alleen maar over zijn bok spreekt, kom. En met fatsoen.
Garde Dergelijke praat is ook gevaarlijk. Met de bok, ik weet niet. Daar komen alleen scheve moppen van.
Burgemeester Maar waar moet hij dan over praten?
Meester Over ‘t weer. (grinnikt)
Pastoor Maar dan geen voorspellingen. Ze moesten eens uitkomen! Oh… verwarring!
Meester Dat is zeker dat.
Garde Ik stel voor hem ook het fluitspelen te verbieden…bij volle maan, of bij alle andere manen.
Pastoor Goed gezien.
Garde …En te dansen.
Pastoor De muziek verslapt de zeden.
Burgemeester En als hij danst, ziet ge zijn bokkepoten.
Abt Gaat ge hem dan wel toestaan te gaan en te staan waar hij wil
Burgemeester Ah nee! We zetten hem onder toezicht van de garde.
Garde Ja maar…
Abt Wat hij vooral moet weten, is dat het hem ten allen tijde verboden is, op straf van onmiddellijke onderwerping aan de justitie, mirakels te brengen, of zich te gedragen op een hoe dan ook mirakuleuze manier, of zelfs buitengewoon.
Burgemeester We zijn allemaal akkoord. Vraagt er nog iemand het woord… dan sluit ik nu de discussie.
Meester, wilt ge dan nu overgaan tot de lezing van het concordaat.
Meester Minuutje…
… „De genaamde PAN, God of geen god, voor het moment zonder beroep, gehuisvest in deze gemeente, verklaart de volgende artikels van het concordaat, gesloten door de genoemde enerzijds en de raad der wijzen van deze gemeenschap anderzijds, te aanvaarden: artikel 1: De genaamde PAN, verbindt zich te verbinden… ja, nee… enfin… in ieder geval, zonder uitstel tot een rechtmatig, wettig huwelijk, voor ons, in aanwezigheid van vier getuigen. En dit met Sylie, Fauntje, Neptuna… ja?… bijgenaamd PANISKA, dochter van Petrus, herder, en Anna zijn vrouw,… punt. Paniska, geboren in deze gemeente, 15 jaar geleden, beoefent het beroep van geitenhoedster, arikel 2: De kinderen geboren uit deze vereniging moeten natuurlijk zijn. Het is te zeggen, gebouwd volgens de regels, voorschriften en wetten der natuur of de gebruikelijke… vormen… van onze gemeenschap, artikel 3: Het getrouwde paar zal gekleed gaan… gaan punt. Alsook hun kinderen, reeds geboren of nog te verwachten. Dit volgens de wetten van fatsoen, overeenkomstig met de wensen van de Heilige kerk, en de goede zeden en gewoontes van de gemeenschap. De eerdergenoemde PAN zal gezien zijn natuurlijke… ja… he… onnatuurlijke gebreken, gekleed gaan in een lang kleed, pij, hermetisch gesloten, alsook lang genoeg, en zo zijn poten bedekkend, Dit ongeacht het seizoen… toch? Daarbij zal hij ook altijd een kap dragen, dewelke zijn oren zal bedekken.
artikel 4: Hij zal nooit, aan wie ook, behalve misschien aan zijn vrouw, naaste verwanten of familie tot de tweede graad, tonen: niet zijn voeten, niet zijn oren. En zal er ook niet over spreken, onder welk voorwendsel ook. artikel 5: Hij zal de ouderdom aannemen van tussen de 90 jaar minimum en de 100 jaar maximum, en zich daar in verschijning en gewoontes naar gedragen. Nog meer, hij zal over zijn ouderdom niet spreken, artikel 6: Hij zal begrensd worden in zijn vertellingen, zwijgzaam elke guitigheid vermijden, of zich tenminste op dit vlak niet onderscheiden van elke andere bewoner van ons dorp. In het bijzonder zal hij niet spreken over politiek, niet over theologie, niet over filosofie, niet over moraal. Noch over mythologie. Ook niet over fysica, chemie of alchemie. Niet over de gewone geschiedenis, de gewijde…, niet over astronomie, astrologie of meteorologie. Hij zal zeer nauwgezet elk symbool, fabel, sprookje of literatuur in het algemeen, mengen met zijn eigen verhalen. Hij zal niets goed- of afkeuren, en strikt de neutraliteit bewaren bij vroegere, huidige en toekomstige opinies, artikel 7: Hij zal niet dansen, zal niet zingen of spelen op de… PAN-fluit,.. toch?,., of enig gelijkaardig instrument, kom. artikel 8: Hij zal het beroep uitoefenen van hoeder van de gemeentelijke bok, zonder gerechtigd te zijn. Hij zal ook niet spreken over het vermelde beroep, zelfs niet met fatsoen, artikel 9: Hij zal zich niet lenen voor het uitleggen van dromen, het voorspellen van de toekomst, het lezen voor regen… of zelfs goed weer. Hij zal ook geen handen lezen. Hij zal de zegen niet geven, niet vervloekingen uitspreken. Zich zonder list of enige kunst, onthouden van elke tovenarij of hekserij, in ‘t kort gezegd, artikel 10: Hij zal geen blinden genezen of doven, geen melaatsen of lammen. Hij zal geen doden opwekken. Kort: hij zal geen gebruik maken van de illegale alternatieve geneeskunde. Of zich voordoen als God. in één woord: hij zal zich onthouden zich te gedragen op een miraculeuze, geniale of eenvoudig buitengewone manier, om zo in staat te zijn tot het verspreiden van verbijstering en verwondering in de geesten van onze burgers, artikel 11: Hij zal geen mens, man of vrouw… of kind… of dier, terreur… eh paniek… of schrik of ontsteltenis kom… inblazen, noch door schreeuw of woord of gebaar of kramp of voorkomen of blik… eh, hoe hij ziet. artikel 12: Aan de andere kant zat hij de bevoegdheid hebben, weliswaar onder de surveillantie van de garde, en zonder daarvan misbruik te maken, vrij te gaan om te wandelen op het grondgebied van de gemeente, uitgezonderd de velden, weilanden, dreven en domeinen behorende aan de kerk. Hij zal de gemeente alleen verlaten als het is: voor goed. artikel 13: Hij zal, met al zijn doen en laten, gehoorzamen en respectvol zijn tegenover de kerkelijke en civiele autoriteiten, en elk voorwendsel tot schandaal vermijden, voor de rest zal hij zich onderwerpen aan de wetten van het land, als ook aan de gebruiken en gewoontes van de gemeente. Voilà.
Burgemeester Heel goed, heel goed, heel goed, heel goed, heel goed, heel goed… héél goed. Ik stel voor te stemmen voor het geheel der artikelen door rechtstaan of blijven zitten. (iedereen staat)
Ik neem aan dat rechtstaan mag verstaan worden als ja, en dus verklaar ik de bewoording van het concordaat voor aangenomen bij eenheid van stemmen.
Meester Willen de heren dan nu ondertekenen alstublieft.
Petrus Meester.
Meester Ja.
Petrus Ik kan niet schrijven, meester.
Abt Gij moet niet kunnen schrijven gij.
Burgemeester Ja…. als uw schoonzoon ook niet kan schrijven, dat hij dan een kruiske zet.
Abt Ik denk dat het gepaster zou zijn hem in dat geval een bolleke te doen zetten.
Pastoor Jaja, zeker geen kruiske.
Burgemeester Ik dacht dat het duidelijk was dat hij begint met zich te kleden?…
Meester Het staat geschreven, Maurice.
Burgemeester Wie zal het hem gaan brengen?
Abt Daar het om een civiele acte gaat, burgemeester, denk ik dat best…
Burgemeester De garde gaat, jaja.
Garde, gij gaat terstond het concordaat aan de betrokkene en iedere aanwezige hardop voorlezen en laten ondertekenen.
Garde Ik ga direct. (Garde af) (stilte)
Abt Ik bid voor de garde. Ik ben maar bang dat we niks vergeten zijn.
Pastoor En het kon voor u niet rap genoeg gaan?
Burgemeester …Maar we zijn iets vergeten! We moeten de garde terugroepen.
Pastoor Wat zijn we dan vergeten?
Burgemeester De staart!
Pastoor Hoe wilt ge zeggen?
Burgemeester Zijn staart. We zijn zijn staart vergeten.
Abt Ziet ge wel!
Pastoor Had hij dan echt een staart dan?
Abt Natuurlijk dat!
Petrus Oh! Meneer pastoor, een heel kleintje, gelijk een eekhoorntje.
Pastoor Miserie! Miserie! Wat gaan we hier nog allemaal horen. Een staart.
Burgemeester Een aanhangsel Meester, een aanhangsel, schrijft op: Bij artikel vier moet worden gezet: niet zijn oren, niet zijn voeten,… niet zijn staart….Hij zal dat aanhangsel ook moeten tekenen.
Pastoor Hoort ze roepen.
Meester De massa.
Pastoor Ze juichen de garde toe.
Burgemeester Het is getekend.
Abt Daar twijfel ik aan.
Burgemeester Luistert.
Abt Ze luiden de klokken. Wie heeft er de brutaliteit de klokken te luiden, zonder mijn toestemming?
Pastoor Het zal zuster overste zijn. Haar intenties zijn goed. Het is de feestklok! God zij gezegend. (garde op)
Garde Hij weigert! Alles. Hij weigert alles.
Pastoor Hoe?
Garde Hij heeft zelfs niet geluisterd.
Abt Ik had het wel gedacht.
Koster Goed gedaan! Leve Pan!
Petrus en Anna Leve God!
Pastoor Dat is het einde van de wereld.
Abt De apocalyps.
Meester Jamaar, jamaar. Niks is verloren.
Abt Alles is verloren.
Pastoor Ik ga naar Rome. De paus moet komen.
Burgemeester En de regering! De koning misschien.
Garde Ze komen.
Allen Niet waar.
Garde Kijkt.
Koster Ze komen!
Pastoor Wat doen we nu?
Abt Dat hij hier het spelleke van ginder niet komt herhalen.
Anna Wij wonen hier hé, manneke! Hij komt wanneer hij wilt.
Burgemeester Maar dat kan ik niet toestaan! We geraken nog onder de voet met die blote lijven.
Meester Oh? Zo nieuw is dat allemaal niet. In Athene, ten tijde van Dionysos…
Burgemeester We zijn hier niet in Athene, meester. Ik kan het niet toestaan. Dat ze in hun blote rondlopen, maar ik ga in oppositie.
Petrus Ze zijn er!
Pastoor Ik word niet goed.
Abt Niet kijken, het is onverdragelijk. Retro Satanas! Retro Belzebub!
Burgemeester Vluchten.
(abt leest uit de apocalyps. Petrus en Anna, plus de koster dansen, Pan en Paniska op, met op haar arm haar eerste zoon.)
Abt Doek!

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

theatertekst
Leestijd 38 — 41 minuten

#21-22

15.05.1988

14.08.1988

Charles Van Lerberghe