Juliano Mher-Kamis © Badums

Jeroen Coppens

Leestijd 11 — 14 minuten

Palestinians in Wonderland?

Over de moord op Juliano Mer-Khamis en de hopeloos-hoopvolle tendens naar artistiek geweldloos verzet in de Palestijnse gebieden

‘Kunst als vrije zelfexpressie in een omgeving vol beperkingen. Kunst als geweldloos verzet, niet alleen tegen de Israëlische bezetting, maar ook tegen stereotiepe beelden van het Palestijns-Israëlisch conflict, van het Israëlische en van het Palestijnse volk.’ Dat is wat Jeroen Coppens aantrof toen hij tijdens de jaarwisseling door de Westelijke Jordaanoever trok. Hij ontmoette er o.a. Juliano Mer-Khamis, de leider van The Freedom Theatre die als acteur en filmregisseurook in Europa bekendheid geniet. Of eerder, genoot? Want op 4 april werd Mer-Khamis voor de ingang van zijn theater doodgeschoten.

Juliano Mer-Khamis was een van de velen die boven de grenzen van het conflict, boven de stereotiepen en hokjes uit kon denken en dromen, in de hoop dat het theater als tegengif kan dienen tegen de oorlogstrauma’s; dat het een toekomst kan bieden aan de getormenteerde Palestijnse jeugd en mee kan bouwen aan de contouren van de Palestijnse identiteit en natie.

Een bittere nasmaak en een cynisch gemoed, dat is wat overblijft na de brutale moord op Juliano Mer-Khamis, artistiek leider van The Freedom Theatre1 in het vluchtelingenkamp van Jenin (Westelijke Jordaanoever) op maandag 4 april 2011. Hij werd voor de ingang van het theater neergeschoten door een gemaskerde man die volgens de politie in verband gebracht kan worden met de extremistische islamitische organisatie Harnas. Zijn ‘resistance through art’-filosofie bracht hem ertoe theater te maken in zeer nauwe samenwerking met de bewoners van het vluchtelingenkamp, om zo geweldloos te protesteren tegen de wantoestanden in het conflictgebied en te bouwen aan de Palestijnse identiteit. De Israëlisch/ Palestijnse acteur en regisseur kleurde steeds buiten de lijnen en durfde tegen de schenen te schoppen, aan beide zijden van het conflict. Mer-Khamis bekritiseerde niet enkel de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de zionistische ideologie waarbij radicale joden stap voor stap meer grondgebied proberen in te palmen; hij onthaalde ook de radicale islam op veel kritiek, specifiek wat betreft de inferieure status van de vrouw in de Arabische wereld. Om die reden kwam hij terecht in de grijze tussenzone van het conflict en werd hij van alle kanten belaagd. Hoewel het kind van zijn joodse moeder Arna, werd hij in Israël door zijn engagement en inzet voor de Palestijnse zaak aanzien als een verrader.2 In Palestina anderzijds, beschouwden radicale moslims hem als een gevaarlijke jood. Aanvankelijk dachten de jongeren van het vluchtelingenkamp zelfs dat hij als spion werkte voor zionistische kolonisten.

Niets van dat alles. Juliano Mer-Khamis was een van de velen die boven de grenzen van het conflict, boven de stereotiepen en hokjes uit kon denken en dromen, in de hoop dat theater als tegengif kan dienen tegen de oorlogstrauma’s; dat het een toekomstkan bieden aan de getormenteerde Palestijnse jeugd en mee kan bouwen aan de contouren van de Palestijnse identiteit en natie. Met de dood van Juliano is de beweging een van haar belangrijkste protagonisten kwijt; desalniettemin blijven talloze bruggenbouwers zich elke dag inzetten om de gespannen situatie via theater en kunst draaglijker te maken. Ondanks het verdriet. Ondanks de bedreigingen. Ondanks de kogels.

In wat volgt, zal ik de bredere context van het artistiek geweldloos verzet in de Palestijnse gebieden schetsen. In december 2010 en januari 2011 trok ik twee weken lang door de Westelijke Jordaanoever. Aanvankelijk uit persoonlijke interesse, met als doel het gebied, het volk en het conflict direct – zonder tussenkomst van een journalistiek kader – te leren kennen. De reis sprak me echter ook al snel aan als theaterwetenschapper en dramaturg: ik trof in het gebied talrijke kleine culturele initiatieven, zoals The Freedom Theatre, vaak verstopt in chaotische, labyrintische vluchtelingenkampen. Ik sprak er met Juliano en andere leiders van het artistieke verzet; stuk voor stuk gedreven voorvechters van de hoop in een dagelijkse realiteit die voor velen eerder uitzichtloos lijkt. Ondanks hun onderlinge verschillen hebben al deze initiatieven allemaal één ding gemeen: ze willen de sociale en culturele toestand in de bezette Palestijnse gebieden thematiseren, overdenken en verwerken via kunst. Kunst als vrije zelfexpressie in een omgeving vol beperkingen. Kunst als geweldloos verzet, niet alleen tegen de Israëlische bezetting, maar ook tegen de stereotiepe beelden van het Palestijns-Israëlisch conflict, van het Israëlische en van het Palestijnse volk.

Beautiful resistance

Het verhaal begint in het vluchtelingenkamp Aida, vlakbij Bethlehem, letterlijk in de schaduw van de veiligheidsmuur.3 Sinds de Arabisch-Israelische oorlog van 1948 biedt het kamp onderdak aan 5000 Palestijnse vluchtelingen. De tenten die er in de jaren vijftig door de Verenigde Naties werden opgebouwd, hebben ondertussen plaats geruimd voor rudimentaire huizen, maar het vluchtelingenkamp blijft een achtergestelde en ongure buurt met veel armoede en regelmatige schermutselingen tussen Palestijnse jongeren en Israëlische militairen. Middenin het vluchtelingenkamp treffen we het Alrowwad-theater aan.4 Dit kleine cultureel centrum functioneert in een relatief onstabiele buurt als een veilige creatieve plek, waar de jeugdige inwoners van Aida op een alternatieve manier kunnen omgaan met de problemen en trauma’s van de bezetting. Gesteund door een team van vrijwilligers, organiseert Abdelfattah Abus-rour er workshops rond video en fotografie, spelnamiddagen, en talloze andere sociale initiatieven voor de lokale gemeenschap.

Maar Alrowwad is vooral bekend voor het theater dat er gemaakt wordt met en door de jongeren van het vluchtelingenkamp. In Blame the Wolf (2009) wordt het sprookje van Roodkapje geherinterpreteerd; de wolf wordt gearresteerd en staat terecht voor zijn daden. Tijdens het proces blijkt echter dat de wolf niet door en door slecht is, zoals algemeen wordt aangenomen, en dat de schuldvraag bijgevolg complexer is dan eerst gedacht. Het stuk gaat daarmee in tegen de stereotiepen en vooroordelen die in elk conflict, en in het bijzonder dat tussen Palestina en Israël, opduiken en zo moeilijk uit te roeien zijn. Niet elke Palestijn is een terrorist. Niet elke Israëli een zionist. En absoluut niemand wordt geboren met een gen voor haat of agressie.

‘This is not your home’

In We are the Children of the Camp (2003) wordt de geschiedenis van de Palestijnse vluchtelingen vanaf 1948 tot op heden geschetst door de kinderen van Aida. Het stuk evoceert vooral de wanhoop waarvan de Palestijnse geschiedenis doordrongen is: de wanhoop toen hun grootouders in 1948 uit hun dorpen verdreven werden, de wanhoop als gevolg van de eerste en tweede intifada en de wanhoop als gevolg van de veiligheidsmuur die het kamp sinds 2005 grotendeels omsingelt. Toch toont het stuk de geschiedenis niet zozeer als klaagzang, maar eerder als een verhaal dat blijvend herhaald moet worden om bij de jongere generatie het besef levend te houden dat er ergens buiten de veiligheidsmuur een plek is, die hun echte thuis is. Ook al kent de jeugd geen andere realiteit dan die van het vluchtelingenkamp. Ook in het Ibdaa Cultural Center5, tien kilometer verderop in het vluchtelingenkamp Dheisheh, wordt de geschiedenis steeds opnieuw herhaald, zowel mondeling als via de graffiti die het hele kamp decoreren, om haar zo over te dragen op de jongere generatie. ‘This is not your home.’ Die harde boodschap is de enige manier om het besef van het recht op terugkeer, dat de Verenigde Naties in 1948 reeds erkenden voor alle vluchtelingen, onder de jonge Palestijnen levendig te houden.

Building a generation

De bewoners van de vluchtelingenkampen zijn vaak kansarm. Om die reden zorgt Alrowwad ook voor naschoolse hulp, kindereducatie en specifieke lessen voor vrouwen. Deze educatieve functie is ook terug te vinden bij andere initiatieven die actief zijn in de kampen. Zo is er de Palestinian Circus School6, een mobiele circusschool die lessen acrobatie geeft aan de jeugd van Ramallah, Jenin en Hebron. Ondanks de vele roadblocks die de Westelijke Jordaanoever zeer vaak moeilijk bereisbaar maken voor Palestijnen7, reizen de monitoren van de circusschool wekelijks door het gebied om de kunst der acrobatie bij te brengen aan jonge Palestijnen. Dat doen ze niet alleen om hen afleiding te bieden voor de alledaagse realiteit in de vluchtelingenkampen, maar ook om de kinderen op te leiden tot performers met eventuele doorgroeimogelijkheden naar hoger onderwijs en/ of carrière in het culturele veld. Dat valt op zijn minst idealistisch, zo niet utopisch te noemen; tot op de dag van vandaag worden er nog regelmatig Palestijnse jongeren gearresteerd, vooral in de vluchtelingenkampen. De grote meerderheid van de jongvolwassenen bracht (korte of langere) tijd door in een Israëlische gevangenis, waardoor hun studies vaak gedwongen onderbroken worden en zo naar de achtergrond verschuiven. In dat klimaat van onzekerheid is het dan ook niet vanzelfsprekend de jonge generatie voor te houden om vanuit kennis hun toekomst vorm te geven. Desalniettemin is het besef van die noodzaak erg aanwezig, en besteden talloze kleinere en grotere organisaties in de Westelijke Jordaanoever veel tijd en energie aan het activeren en opleiden van hun jongeren, niet in het minst omdat het lot van een toekomstige Palestijnse staat in de handen van de jonge generatie zal liggen.

Building a nation

In de zomer van 2011 zal in het Alrowwad-theater in Aida een productie in première gaan waarin de vluchtelingenthematiek benaderd wordt vanuit het werk van de bekende kritische Palestijnse cartoonist Naji al-Ali, die in 1987 vermoord werd in Londen. Hij is de geestelijke vader van talloze cartoons waarin Handala, een jonge Palestijnse vluchteling, centraal staat, en die uitgroeiden tot een symbool voor het Palestijnse verlangen naar vrijheid.8 Handala loopt blootsvoets rond, als een vluchteling, steeds met de rug afgekeerd en de handen op de rug, als teken voor de afwijzing van oplossingen van buitenaf’. Handala is tien jaar, even oud als al-Ali toen hij als kleine jongen zelf verdreven werd uit zijn dorp, en hij zal pas verder opgroeien wanneer hij kan naar huis kan terugkeren. Via het figuurtje van Handala wordt niet alleen de vluchtelingenproblematiek aangeraakt, maar wordt ook op een breder niveau de vraag gesteld naar een Palestijnse identiteit en natie, de mogelijkheidsvoorwaarden en de mogelijke contouren ervan. De productie komt aanstaande zomer bovendien tijdens een korte Europese tournee naar Frankrijk, Luxemburg en Duitsland, zodat de Palestijnse identiteit niet enkel intern overdacht wordt, maar ook actief uitgedragen wordt in de richting van het Westen.

Het is opvallend dat in een tijd waarin op macropolitiek vlak de vredesbesprekingen tussen Israël en Palestina muurvast zitten (en de Palestijnse onafhankelijkheid bijgevolg buiten bereik blijft), op microniveau zeer actief nagedacht wordt over de culturele Palestijnse identiteit en nationaliteit. Deze tendens is ook merkbaar bij het Palestinian National Orchestra, een orkest van Palestijnse musici die concerteren onder de leuze ‘Today an orchestra, tomorrow a nation’. De leden van het Palestinian National Orchestra zijn professionele musici van Palestijnse oorsprong die alle wereldwijd verbonden zijn aan gereputeerde orkesten en die recent voor het eerst samen musiceerden om zo mee vorm te geven aan de Palestijnse identiteit en natie. Op oudejaarsavond 2010 brachten ze in het Ramallah Cultural Palace een klassiek muziekprogramma met onder meer westers repertoire van Mozart, Beethoven en Ligeti, maar ook werk van Palestijnse componisten als Salvador Arnita en Sharbel Dalai, onder leiding van de Zwitserse dirigent Baldur Brönnimann. Het initiatief krijgt zo mogelijk nog meer relevantie doordat het Palestijns Nationaal Orkest actief bruggen probeert te bouwen. Op nieuwjaarsdag 2011 bracht het zijn programma in Jeruzalem en een dag later in de havenstad Haifa in het noorden van Israël. Door actief in confrontatie en dialoog te gaan met een Israëlisch publiek, geeft het orkest een nooit geziene impuls aan de vorming van de culturele en nationale identiteit van de Palestijnen. Met hun concerten overbruggen ze immers letterlijk de kilometerslange muur rond de Westelijke Jordaanoever die het sinds de bouw ervan voor Palestijnen en Israëli’s de facto onmogelijk maakt om elkaar te ontmoeten. In een conflict dat al jarenlang muurvast zit, is de grootste tragedie waarschijnlijk dat de stereotiepen die aan beide kanten van de muur leven over de ander, nooit uitgedaagd of veranderd worden doordat wederzijds contact à la limite onmogelijk geworden is. Palestijnen die in Israël musiceren: it is a big deal.

Palestinian Wonderland?

Een actieve dialoog is bij uitstek aanwezig in Juliano Mer-Khamis’ The Freedom Theatre in Jenin. Zijn joodse moeder stichtte in de jaren 90 reeds het Stone Theatre in Jenin en probeerde toen al de Palestijnse jongeren in het vluchtelingenkamp door dramatherapie en theater te helpen bij het verwerken van de trauma’s die de Israëlische bezetting teweegbracht. Kunst werd een medium waarin de jongeren vrij hun mening konden uiten, wat even krachtig is als maar constructiever dan stenen gooien naar Israëlische tanks. Het Stone Theatre werd vernield tijdens de tweede intifada, meer bepaald toen de Israëli’s in april 2002 een bloedig offensief inzetten tegen de strijders van de Al Aqsa-brigade die operatief waren in het vluchtelingenkamp. Tijdens het offensief vielen talloze doden en nog meer gewonden. Na de tweede intifada keerde Juliano terug om zijn werk verder te zetten: artistiek verzet als een manier om de gespannen toestand in Jenin te veranderen of om op zijn minst via theater alternatieven te verbeelden – en te accepteren. Palestijnse jongens en meisjes worden er dagelijks samengebracht om in de theaterschool een acteeropleiding te volgen en ook regelmatig voorstellingen te spelen, waardoor ze niet alleen de nog steeds explosieve toestand thematiseren en verwerken, maar waarbij ze ook de specifieke regels die de islam voorschrijft en die de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in stand houden, ondervragen en ombuigen.

In januari 2011 ging in Jenin hun adaptatie van Alice in Wonderland in première. Een Arabisch meisje uit het vluchtelingenkamp ontsnapt aan een realiteit van armoede, onderdrukking en conservatisme, en komt terecht in een wondere wereld waarin ze geconfronteerd wordt met fantastische figuren en situaties. Dit buitengewone universum en die wonderbaarlijke ontmoetingen dagen haar uit om na te denken over haar eigen ervaringen in de echte wereld, over haar eigen identiteit, maar ook over wat rechtvaardig is en wat niet. Via de figuur van een Arabische Alice wordt niet alleen de rol van man en vrouw in de islamitische maatschappij in vraag gesteld; het publiek wordt ook uitgenodigd om het lot van de Palestijnen te overdenken en mee te stappen in de wondere wereld van een Palestijnse utopie: onafhankelijkheid en vrijheid. Theater met de kracht van een figuurlijke steen. Maar vaak winnen kogels het van stenen. De kogels (Palestijnse dan nog wel…) waarmee Juliano het zwijgen werd opgelegd, betekenen echter allerminst het einde van het artistieke verzet.

De lont van het artistieke verzet?

De moord op Juliano confronteert ons nog maar eens met de bittere waarheid dat kunst – hoe idealistisch de ambities ook zijn – de wereld niet verandert. Of toch niet op macroniveau. In de documentaire Arna’s Children 9 die Juliano Mer-Khamis draaide over de activiteiten van zijn moeder in het Stone Theater in de periode voor de tweede intifada, worden de grenzen en mogelijkheidsvoorwaarden van het geweldloos artistiek verzet pijnlijk duidelijk. Hij volgde de geëngageerde Palestijnse jongeren die tijdens de jaren 90 bij zijn moeder Arna het Stone Theatre vorm gaven. Toen hij echter na de tweede intifada terugkeerde, bleken drie van de vijf jongeren die tien jaar voordien nog veelbelovende acteurs zouden worden, dood te zijn. Yussef voerde een zelfmoordaanslag uit voor de Al Aqsa-brigade in Israël, Ashraf werd gedood terwijl hij oprukkende Israëlische militairen beschoot, Alla werd gedood toen hij een groep verzetsstrijders leidde tegen de Israëlische invasie.

En nu is de beweging dus ook een van haar lichtende voorbeelden kwijt. Ondanks de dood van hun artistiek leider blijven de mensen van The Freedom Theatre hun activiteiten in het vluchtelingenkamp met verbeten moed verderzetten, tegen beter weten in, net zoals Alrowwad en de talloze andere culturele initiatieven dat doen. Niet alleen omdat ze met hun socio-cultureel werk een centrale en belangrijke plaats innemen in de lokale gemeenschap, maar ook omdat ze leven van de hoop om op microniveau het verschil te kunnen maken. Al is dat verschil klein. En al wordt het soms brutaal in de kiem gesmoord.

En heel misschien kunnen de protagonisten van het geweldloos artistiek verzet via hun coöperatie en dialoog een inspirerend voorbeeld zijn voor het macropolitieke niveau. Laat ons hopen. Want elke kogel, elk te vroeg beëindigd leven maakt pijnlijk duidelijk dat het Palestijnse Wonderland een utopie is die om haar realisatie smeekt.

In dierbare herinnering aan Juliano Mer-Khamis.

 

1 Voor meer informatie, zie: http://www.thefreedomtheatre.org.

2 Juliano Mer-Khamis verklaarde in interviews herhaaldelijk dat hij honderd procent joods en honderd procent Palestijns was. Desalniettemin veranderden zijn standpunten over het conflict doorheen zijn leven radicaal. Als jonge twintiger maakte hij deel uit van het Israëlische leger en verdedigde de Israëlische staat vurig. Nadat hij een bevel van zijn overste negeerde, werd hij echter gearresteerd. Hij trad uit het leger, uit onvrede met de wijze waarop de militairen de Palestijnen behandelden. Sindsdien groeide hij uit tot een van de belangrijkste voorvechters van de Palestijnse onafhankelijkheid en vrijheid.

3 Het is belangrijk op te merken dat de term ‘veiligheidsmuur’ Israëlisch is. HetPalestijns/Israëlische conflict wordt – zoals elk conflict – ook in de taal uitgevochten; de Israëlische term ‘veiligheidsmuur’ benadrukt het doel om Palestijnse zelfmoordaanslagen op Israëlisch grondgebied te vermijden. De Palestijnen daarentegen, verwijzen consequent naar de muur als de ‘apartheidsmuur’, en alluderen daarmee op de discriminatie en het verlies van vrijheid die de muur tot stand brengt. Bovendien zien de Palestijnen de muur als een strategie van Israël om steeds meer Palestijns land te annexeren, daar de muur vaak (ver) in Palestijns gebied gebouwd werd.

4 Alrowwad is Arabisch voor ‘Pioniers voor het leven’. Voor meer informatie, zie: http://www.alrowwad.org.

5 Ibdaa is Arabisch voor ‘het creëren van iets vanuit niets’.

6 Voor meer informatie, zie http://www.palcircus.ps.

7 De facto zorgen deze roadblocks ervoor dat er voor Palestijnen in de Westelijke Jordaanoever hoogstens sprake is van semi-mobiliteit; de talloze wegblokkades worden onaangekondigd geopend en gesloten door Israëlische militairen, met als gevolg dat Palestijnen voor verplaatsingen in eigen gebied vaak afhankelijk zijn van de goodwill van hun bezetters.

8 Voor meer informatie, zie http://www.handala.org.

9 De documentaire werd geregisseerd door Juliano Mer-Khamis en Danniel Danniel en won de prijs voor beste documentaire op het Tribeca Film Festival. Ze is volledig online te bekijken op: http://www.youtube.com/ watch?v=a6EXr A3U F wM.

reportage
Leestijd 11 — 14 minuten

Jeroen Coppens

Jeroen Coppens is doctor-assistent aan de vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen van de Universiteit Gent. Hij doceert er Dramaturgie en doet onderzoek naar visualiteit in theater. Daarnaast is hij ook actief als dramaturg.

reportage