© Archiwum Targów

Leestijd 8 — 11 minuten

Overproductie

Stel u voor, dat u deelneemt aan een workshop. Er zijn mensen van verschillende landen in uw groep en het onderwerp is klimaatactivisme en de daaraan gerelateerde vormen van psychologische ondersteuning. Na een korte discussie wordt het echter duidelijk dat die noodzaak aan steun niet zozeer voortkomt uit activisme, maar vooral vanuit een bepaald model van werk en engagement dat iedereen gemeen heeft ongeacht het werkveld. Dat model kan in één woord omschreven worden: OVERPRODUCTIE. Dit is de bron van uw frustraties, burn-out, chronische vermoeidheid, de spanningen wanneer u samenwerkt met anderen. Voor enkele uren deelt u uw ervaringen, diagnosticeert u alle paradoxen die typisch zijn voor dit fenomeen en denkt u na hoe die vicieuze cirkel doorbroken kan worden. U verlaat de workshop sterk overtuigd dat u de strijd tegen overproductie zal beginnen door uw eigen productie radicaal te verlagen. En nu, stelt u zich voor dat twee dagen nadat u deze respectabele beslissing genomen hebt, een collega u vraagt om een tekst te schrijven… ja, inderdaad, u raadt het correct, u kent de ironie van het lot: een tekst over overproductie in de kunsten.

Waarschijnlijk zal u ermee eens zijn dat het moeilijk is om een lastiger voorstel in te beelden. Wat nu? Weiger ik beleefd, om blijk te geven van mijn integriteit en de sterkte van mijn karakter? Of dien ik beter een blanco pagina in met de woorden: ‘dit is de tekst die ik niet schreef uit protest tegen overproductie’? Of sluit ik uiteindelijk toch maar een flauw compromis met mezelf, waarbij ik mezelf verschuil achter een muur van defensieve bezwaren en verklaringen, om samenvattend te eindigen met de onhandige stelling dat ‘dit de laatste tekst is die ik schreef voor ik begon te protesteren tegen overproductie’?

Als ik er uiteindelijk voor zou kiezen om het pad te volgen van flagrante hypocrisie, om nog een steen toe te voegen aan de muur aan ongelezen teksten, om mijn ecologische voetafdruk verder te vergroten, om – zowel voor mezelf, als voor u, de lezers – tijd te benutten die op een andere wijze dienstbaar had kunnen zijn voor de samenleving, dan heb ik maar één verklaring: een diepe overtuiging dat OVERPRODUCTIE SLECHT IS. En als ik zou kunnen bijdragen, zelfs al was die bijdrage microscopisch klein, aan de verstoring van de fundamenten waarop dit machtige bouwwerk rust, vergeef me dan voor mijn inconsequentie.

OVERPRODUCTIE is het resultaat van de penetratie van marktmechanismen in alle domeinen van ons leven, elke vorm van creativiteit, elke instelling waarbinnen we werken. Het is een element binnen een systeem dat zichzelf voedt met onze activiteit, want het is vooral deze permanente mobiliteit – en niet de inhoud en de betekenissen – die winst genereert. Op het moment dat we stoppen, uitgeput raken, een stap opzij zetten – worden we overbodig voor het systeem. Sterker nog, we zijn volstrekt overbodig voor het systeem wanneer we onze energie richten waar ze echt het verschil maakt, zoals wanneer we zorgen voor zij die zorg nodig hebben, zowel voor kinderen als volwassenen.

Dus, we produceren omdat we moeten. We produceren zodat we tijd kunnen besteden aan zorgwerk. We produceren omdat we verantwoordelijk worden gehouden voor de kwantiteit en niet voor de kwaliteit van wat we geproduceerd hebben. We produceren omdat de instelling waarvoor we werken een ambitieus programma heeft, maar niet over de middelen beschikt om extra personeel aan te werven – een situatie die vaak voorkomt bij culturele instellingen1, zoals blijkt uit het recente rapport van Inicjatywa Pracownicza (Arbeidersinitiatief). We produceren om ons brood te verdienen. We produceren om onszelf een schijn van stabiliteit te geven.

Maar mocht het enkel gaan om externe druk, harteloze marktmechanismen en meedogenloze competitie, dan zou het nog meevallen. We zouden de exacte dreigingen kunnen identificeren en strategieën van verzet kunnen ontwikkelen. Maar in veel velden, zeker in de kunsten, bij wetenschappelijk onderzoek, bij de activiteiten van culturele instellingen en ook bij andere vormen van creativiteit, is (over)productie vaak vrijwillig en vindt er een sterke identificatie plaats met wat we doen. Ik schrijf hier niets nieuws, er is al veel gezegd en geschreven over zelfuitbuiting binnen de kunsten en het culturele veld. We produceren omdat we ons werk graag doen. We produceren omdat wat we produceren belangrijk is voor ons. We produceren omdat we het gevoel hebben een verschil te maken in de wereld. We produceren omdat het betekent dat we kunnen samenwerken met mensen waarmee we graag werken en die we waarderen.

Dit laatste punt is van bijzonder belang, omdat ik met productie niet enkel doel op individuele projecten, maar ook – en misschien vooral – op alle collectieve projecten, acties, evenementen. We aanvaarden uitnodigingen omdat we de mensen die ons uitnodigen leuk vinden. Omdat ze onze vrienden zijn en omdat we hen willen steunen met ons werk. Omdat hun uitnodigingen onze ego’s strelen. Omdat we lijden aan FOMO-syndroom (fear of missing out), of aan de Centraal-Europese variant ervan onder het mom ‘het leven is elders’. Omdat we bang zijn nooit meer een uitnodiging te krijgen. Omdat we de persoon die ons uitnodigde niet willen beledigen, of omdat een weigering om allerlei redenen enorm moeilijk blijkt. En tenslotte, omdat we wilden weigeren, maar omdat we in de drukte van alledag het helemaal vergeten waren, en omdat wanneer de zaak opnieuw boven water komt, het al veel te laat blijkt te zijn om te weigeren. Maar we zitten niet enkel passief te wachten op uitnodigingen. Af en toe komen we ook aanzetten met onze eigen initiatieven. Geen enkel koffiegesprek kan bestaan zonder het rituele: ‘waarom maken we er geen project van?’. Vaak vervallen we in een vicieuze cirkel: we beslissen om projecten te doen met onze vrienden omdat we de tijd tekort komen om samen te zijn buiten het werk om, maar samenwerken – vooral in precaire omstandigheden van tijdsgebrek en economische druk – veroorzaakt spanningen, zet de beste vriendschapsband onder druk, doet sociale banden verkillen.

Een gespannen gezinsleven, een rudimentair sociaal leven, de beste vriendschappen worden tot het uiterste getest – al deze zaken zijn meer dan voldoende om een verenigd front te vormen tegen overproductie, maar toch is het slechts het topje van de spreekwoordelijke ijsberg aan structurele, economische, sociale, en ecologische problemen die onze manier van werken met zich meebrengt. Het is een modus operandi die de omgeving waarin we werken vernielt en de effectiviteit ondermijnt van de instellingen waaraan we verbonden zijn en waar we onze projecten uitvoeren. De overproductie aan evenementen beperkt de reikwijdte ervan: het is moeilijk om op de hoogte te blijven van alle belangrijke evenementen, laat staan om aan elk evenement deel te nemen. Bovendien is er een ongelijke verdeling: grotere centra (zowel steden als instellingen) genereren zoveel evenementen dat participatie onhaalbaar wordt, terwijl andere plaatsen worstelen om zelfs de meest elementaire werking overeind te houden.

Maar we hebben nog steeds geen volledig beeld. Het wordt nog erger. In een wereld aan de vooravond van een ecologische catastrofe, of correcter, een wereld waar die catastrofe zich al begint te voltrekken, heeft elke actie die we ondernemen een bijkomende kost. Onze (over)activiteit consumeert middelen en verbruikt energie. Dit zorgt voor nog meer paradoxen. We zouden graag deelnemen aan de strijd voor een betere, of op z’n minst een minder slechte wereld, maar tegelijkertijd ervaren we een dilemma: de acties die we organiseren rond de klimaatcrisis dragen net bij aan onze ecologische voetafdruk; de acties die we voeren om arbeidsomstandigheden te verbeteren zorgen ervoor dat andere collega’s meer overuren moeten kloppen. Door te schrijven over onze dwangmatige neiging tot overproductie, dragen we net bij aan de verdere overwinning ervan.

Hoe dit bestrijden?

Het narratief dat elke verandering bij jezelf begint is verdacht. We zullen de wereld niet redden door rietjes en plastic zakjes op te geven (alhoewel we dat in een geredde wereld ongetwijfeld zullen doen), omdat onze individuele consumptiekeuzes niet de logica ondermijnen van het hele systeem dat aan de basis ligt van de klimaatcatastrofe. Overproductie is echter een van die voorbeelden waar ‘bij onszelf beginnen’ noodzakelijk is voor anti-systematische en noodzakelijke actie. We moeten ‘bij onszelf beginnen’ omdat wijzelf – onze lichamen, onze creativiteit, onze activiteit – de agenten en vehikels van het neoliberale systeem geworden zijn. We versterken het door een reeks aan kleine, alledaagse handelingen en beslissingen. We legitimeren het door de manier waarop we werken. We kunnen het openlijk bekritiseren op elke mogelijke manier, we kunnen elke dag starten door feilloos Simon Spinger’s essay Fuck Neoliberalism te reciteren, maar ons anti-kapitalisme zal hol zijn zolang onze daden het systeem blijven bestendigen.

Een einde stellen aan overproductie is een noodzakelijke stap om het concept dat productiviteit de belangrijkste maatstaf is voor ons handelen onderuit te halen, om op die manier het hele systeem te ondermijnen. De paradox is dat enkel de meest geprivigelieerden onder ons de kans krijgen om los te breken uit de vicieuze cirkel aan overproductie. Als ik voor mezelf een situatie kan voorstellen waarbij ik mijn eigen productiviteit kan verlagen zonder een elementaire economische zekerheid te verliezen, dan ben ik geprivilegieerd. Dat is exact de reden waarom ik het moet doen. Niet om mijn privilege te versterken met ostentatief nietsdoen, maar om een ruimte te scheppen waarin dat gevoel van stabiliteit en veiligheid gedeeld kan worden met meer mensen.

Niet ‘self-care‘ maar ‘collectives of care

Het zou gemakkelijk zijn om verzet op te wekken tegen overproductie door te wijzen op de schade die het veroorzaakt aan onze fysieke en mentale gezondheid, de negatieve impact die het heeft op onze privélevens, en hoe het onze ontwikkelingskansen beperkt in andere levensdomeinen dan werk. Ik doe dit echter bewust niet. Zoals Jodi Dean recent schreef, ‘heeft de individualistische retoriek van self-care het belang onderdrukt van collectieve arbeid om onze gemeenschappelijke doelen te bereiken’. Enkel de mechanismen in vraag stellen die onze verhoogde productiviteit afdwingen, of zelfs het verlagen van die dwang, is niet voldoende om deze wereld te redden. Maar de tijd en ruimte die het creëert, kunnen we gebruiken om een reeks andere veranderingen op gang te brengen.

Laten we samen handelen om dit doel te bereiken. Laten we het voorstel volgen van de auteurs van het Undisciplining Political Ecology manifest, om collectives of care op te richten. Laten we gebruik maken van bestaande organisaties en instellingen om collectieve actie te ondernemen. Laten we lid worden van vakbonden, die een krachtig instrument kunnen zijn om veranderingen af te dwingen in de manier waarop we ons werk organiseren. Een van die veranderingen zou een fundamentele verkorting van onze arbeidsduur kunnen zijn. Zoals bijvoorbeeld de New Economics Foundation opmerkt, zou dit helpen om in één klap een aantal van de meest dwingende problemen op te lossen: het zou onze CO2-uitstoot veranderen, onze consumptiepatronen beïnvloeden, en ook andere activiteiten die onze planeet belasten; het zou zowel overwerk als werkloosheid oplossen, het zou een eerlijkere distributie van zorg- en huishoudelijke taken mogelijk maken, en simpelweg onze levenskwaliteit verbeteren2. Laat ons ook proberen om onze werkplekken te transformeren in feministische culturele instellingen, volgens de voorstellen die vorig jaar ontwikkeld zijn tijdens het Forum voor de Toekomst van Cultuur, die Iwona Kurz ‘een reconstructie van de fundamentele grondslagen van het denken over cultuur en samenleving’ noemde. ‘Waarden die traditioneel als vrouwelijk bestempeld worden, zoals zorg en samenwerking, zouden de fundamentele basis moeten vormen voor de hele constructie van het sociale leven, onze instellingen en onze politiek’. Laten we niet geloven dat het bestaande systeem de enige denkbare sociaaleconomische realiteit is. Er zijn alternatieven. Eén van hen – een alternatief dat rechtstreeks voortkomt uit ecologische actie en de bezorgdheid om de toekomst van de planeet – is het post-groei plan, dat oproept voor een shift weg van het paradigma van economische groei dat gefetisjeerd wordt door het neoliberale systeem, en in plaats daarvan een transformatie voorstaat van menselijke relaties, oproept tot de decentralisering en democratisering van de manieren waarop kennis geproduceerd en gedeeld wordt, aanzet tot actie voor ecologische en sociale gerechtigheid, en – natuurlijk – de mogelijkheid schept tot een fundamentele verandering in onze arbeidsomstandigheden. Federico Demaria, François Schneider, Filka Sekulova en Joan Martinez schreven hierover, bijvoorbeeld.

Laten we dus stoppen met overproductie, want overproductie vernielt niet alleen wat belangrijk en goed is in deze wereld, maar belet ons ook om op te komen voor datgene wat nog de moeite waard is om voor te vechten.

Zoals vele andere vormen van creativiteit, is deze tekst ook het resultaat van collectieve actie. Het zou niet geschreven zijn zonder talloze gesprekken, ontmoetingen, inspirerende projecten van bekenden (of onbekenden), teksten geschreven door anderen en, natuurlijk, zonder de uitnodiging om deze tekst te schrijven. Die zou niet geschreven zijn zonder de vele mensen uit mijn directe en indirecte omgeving die recentelijk hun ervaringen hebben gedeeld, die duidelijk aantoont hoezeer overproductie ons allemaal schaadt. Veel dank aan allen met wie ik de afgelopen maanden gesproken heb, met wie ik geklaagd heb over een kop koffie of grapjes mee maakte tijdens pauzes op het werk, in het bijzonder aan de deelnemers en deelneemsters van de bijeenkomst ‘Internationalisme na het Einde van de Globalisering’, waarnaar ik in de inleiding verwijs, en aan de deelneemsters en deelnemers van het evenement ‘Art as Usual’, dat plaatsvond als onderdeel van het Eerste Klimaatplateau voor Hedendaagse Kunst. Ik bedank alle leden van de verschillende comités van Inicjatywa Pracownicza , die hun tijd wijden aan de strijd voor betere arbeidsomstandigheden voor een brede groep mensen. Bedankt aan iedereen die betrokken is bij het populariseren van post-groei denken, dat het alternatief kan zijn dat we zo dringend nodig hebben. En natuurlijk: bedankt aan iedereen met wie ik samenwerk en iedereen waarmee ik onproductieve tijd doorbreng.

 

Oorspronkelijk in het Pools verschenen in DIALOG, januari 2020 / 1 (758).

Vertaling: Jonas Vanderschueren

In English: https://reshape.network/article/overproduction

De redactie van Etcetera dankt Kunstenpunt en RESHAPE voor de publicatie van deze tekst.

1Zie ook het gesprek van Jakub Majmurek met Łukasz Jaskuła (in het Pools) Praca w warszawskiej kulturze staje się luksusem. (Werken in het Warschause culturele veld wordt een luxe)2Anna Coote, Jane Franklin, Andrew Simms 21 Hours. Why a Shorter Working Week Can Help Us All to Flourish in the 21st Century, New Economics Foundation, London 2010. 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 8 — 11 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Weronika Parfianowicz

Weronika Parfianowicz is cultuurwetenschapster, verbonden aan het Departement Cultuurgeschiedenis en Urban Studies -Instituut voor Poolse Cultuur (IKP) van de Universiteit Warschau, schreef het boek Europa Środkowa w tekstach i działaniach. Polskie i czeskie dyskusje (Centraal-Europa in teksten en activiteiten, Poolse en Tsjechische discussies – genomineerd voor de Jerzy Giedroyc Prijs van de Marie Curie-Skłodowska Universiteit in Lublin). Interesseert zich in de geschiedenis van moderne Tsjechische cultuur, verder ook in de ruimtes en gebruiken van Centraal-Europese steden, met een bijzondere aandacht voor huisvesting.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!