Heinrich von Kleist

Leestijd 3 — 6 minuten

Over het marionettentheater

“Ik zei hem dat ik zeer goed wist, welke wanorde het bewustzijn sticht in de natuurlijke bevalligheid van de mens.

Een jonge man, een kennis van mij, had namelijk, door een doodgewone bemerking, als het ware voor mijn ogen, zijn onschuld prijsgegeven en het paradijs van die onschuld, ondanks alle denkbare bemoeiingen, achteraf nooit teruggevonden. (…) Hij vroeg mij welk voorval ik bedoelde. Ik baadde mij, vertelde ik, zowat drie jaar geleden in het gezelschap van een jonge man, wiens beschavingspeil door een wonderbare bevalligheid gekenmerkt was. Hij moet ongeveer in zijn zestiende levensjaar zijn geweest en slechts van heel nabij kon men de eerste sporen van ijdelheid, welke door de gunst der vrouwen was opgewekt, waarnemen. Het toeval wou , dat wij kort daarvoor te Parijs de jongeling hadden gezien, die een splinter uit zijn voet trekt; het afgietsel van dit beeld is bekend en bevindt zich in de meeste Duitse verzamelingen. De blik, welke hij, op het ogenblik dat hij zijn voet op het bankje zette, om hem af te drogen, in een grote spiegel wierp, herinnerde hem daaraan; hij glimlachte en zei mij, welke ontdekking hij had gedaan. Ik had, precies op hetzelfde ogenblik, dezelfde ontdekking gedaan; doch zij het om de echtheid der gratie, welke hij vertoonde, op de proef te stellen, zij het wellicht, om zijn ijdelheid enigszins heilzaam te keer te gaan: ik lachte en uitte de mening – dat hij spoken zag! Hij kleurde, en hief zijn voet een tweede maal op, om het mij te tonen; doch de proef, zoals trouwens gemakkelijk te voorzien was, mislukte. In verlegenheid gebracht, hief hij zijn voet een derde, een vierde en nog wel tien maal omhoog: doch tevergeefs: hij bleek niet bij machte diezelfde beweging nog eens uit te voeren. En wat zag ik? De bewegingen welke hij beproefde, hadden iets zo komieks, dat ik mezelf beheersen moest om mijn lachen te bedwingen. Van die dag af, ja, als het ware van dat ogenblik af, greep er een onbegrijpelijk verandering plaats in die jonge man. Hij placht hele dagen voor de spiegel te staan en de ene aanlokkelijkheid na de andere viel van hem af. Een onzichtbare en onbegrijpelijke macht scheen zich, als een ijzeren netwerk, om het vrije spel van zijn gebaren te leggen, en eer er een jaar verlopen was, viel er geen spoor meer in hem te ontdekken van de lieflijkheid, welke de ogen van hen die hem vroeger omringd hadden, in verrukking hadden gebracht” (…)

“De beer stond, toen ik verbaasd op hem toetrad, op zijn achterpoten, met de rug geleund tegen een paal, waar hij aan vastgemaakt was, de rechterklauw slagvaardig opgeheven, en hij blikte mij in de ogen; dat was zijn vechterspostuur. Ik wist niet of ik droomde, toen ik mij tegenover zulk een tegenstander bevond; maar: Stoot er op los! Stoot er op los! zei de heer von G… en beproef maar eens of u hem klein krijgt Zodra ik mij van mijn verbazing hersteld had, viel ik met de degen op hem aan; de beer maakte een zeer geringe beweging met zijn klauw en pareerde de stoot. Ik beproefde hem door list te misleiden, de beer verroerde niet. Ik viel weer, met een onverhoedse behendigheid, op hem aan, een mensenborst zou ik ongetwijfeld getroffen hebben: de beer maakte een uiterst korte beweging met zijn klauw en pareerde de stoot Nu bevond ik mij bijna in dezelfde toestand als de jonge heer von G… De ernst van de beer dreigde mij mijn kalmte te doen verliezen, stoten en kunstgrepen wisselden elkaar af, ik droop van het zweet: tevergeefs! Niet enkel, dat de beer, als de eerste vechter ter wereld al mijn stoten pareerde; doch op schijnbewegingen (wat hem geen vechter ter wereld zou verbeteren) scheen hij niet eens acht te geven: zijn oog in het mijne, alsof hij mijn ziel daarin kon lezen, stond hij, de klauw slagvaardig opgeheven, en wanneer mijn stoten niet ernstig bedoeld waren, verroerde hij niet eens.” (…)

“Wij zien, dat naarmate in de organische wereld, de reflex donkerder en zwakker wordt, de bevalligheid daarin steeds stralender en overrompelender naar voor treedt, (Maar zoals de kruising van twee lijnen, aan de ene zijde van een punt, na een tocht door het oneindige, plots weer opduikt aan de andere zijde, eigen vertaling) of evenals het beeld in de holle spiegel, nadat het zich in het oneindige verwijderd heeft, plots weer dicht voor ons staat, zo vertoont zich ook, wanneer het inzicht als het ware door een oneindigheid is gegaan, de gratie opnieuw en wel op een wijze, dat zij tegelijkertijd in die menselijke lichaamsbouw het zuiverst aan de dag treedt, welke, ofwel helemaal geen, ofwel een oneindig bewustzijn heeft, namelijk in de ledepop of in de god.”

Uit: Uber das Marionettentheater, Heinrich von Kleist (1810), vert. Paul Hardy.

essay
Leestijd 3 — 6 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Heinrich von Kleist

essay