Sofie Decleir in OPUSXX © Raymond Mallentjer

Leestijd 4 — 7 minuten

OPUS XX – Theater Zuidpool

Geschiedvervalsing, het is een prachtig literair genre. Nogal wat Midden-Europese schrijvers, voor of na de val van de Muur, hebben zich eraan ‘bezondigd’. Zo heeft de Joegoslavische schrijver Danilo Kiš de geschiedenis van communistisch Europa herschreven, met een diep fatalistische grondtoon. Het kortverhaal Een grafmonument voor Boris Davidovitsj is bijvoorbeeld opgevat als een historisch-wetenschappelijk artikel over een anonieme figuur uit de Russische Revolutie die later een hoofdrol zal spelen op de stalinistische processen. Een andere (ex-)Joegoslaaf, de Bosnische Amerikaan Aleksandar Hemon, schreef, iets recenter, Leven en werk van Alphonse Kauders, waarin een fictieve figuur – zoals Zelig uit de gelijknamige film van Woody Allen – zich brutaal opdringt aan historische figuren gaande van Rosa Luxemburg tot maarschalk Tito. Europeana van de Tsjechische auteur Patrik Ourědník vervalst de geschiedenis niet letterlijk, maar bevat dezelfde toon: afstandelijke verslaggeving van gebeurtenissen, af en toe een absurde of hilarische uithaal, een zekere seksuele fixatie.

Europeana is door Theater Zuidpool bewerkt – flink ingekort, maar zonder de strekking noch de flow aan te tasten – tot OPUSXX. Sofie Decleir speelt deze monoloog. De tekst van Ourědník is zonder meer verwant aan het ‘historisch absurdisme’ van auteurs als Kiš en en Hemon, of, in een nog oudere traditie, aan Kafka en Hašek.. Maar net zo goed verwijst deze vertelling naar Age of Extremes van Eric Hobsbawm, een werk waarin de Britse historicus vanuit scherpe, gedeeltelijk intuïtieve hypotheses de ‘korte twintigste eeuw’ (1914-1991) analyseert. Bij Hobsbawm gaat het over sociaal-economische en culturele processen – welvaartsexplosie en secularisering/ individualisering. Ourědník gebruikt een (schijnbaar) slordige, springerige schrijfstijl om de ‘meest gewelddadige periode uit de wereldgeschiedenis’ op te hangen aan meer poëtische intuïties: volkerenmoorden, gassen en andere chemicaliën, eugenetica, seksuele obsessies in dat laatste lijkt zijn anonieme twintigste-eeuwse burger sterk op Hemons Alphonse Kauders.

Met een aantal niet écht verbazende maar wel opmerkelijke intuïties geeft Ourědník dus structuur aan zijn vertelling. De verteller lijkt geen standpunt in te nemen, maar eerder van de ene verbazing in de andere te tuimelen, alsof iemand hem een discours influistert – ergens heeft hij het ook expliciet over deconstructie en over Foucaults notie van de dood van de auteur. Toch is die neutraliteit misleidend, omdat precies die afstandelijkheid zorgt voor aandacht: als lezer zoek je naar verbanden, naar de redenering in wat zich voordoet als een encyclopedische écriture automatique. Misschien is de seksuele bevrijding wel het hoofdmotief: elke vooruitgang in de welvaartsstaat heeft een erotisch orgelpunt. Maar net zo goed is het een geschiedenis van het gifgas – van y periet tot Zyklon B – en daarmee een verhaal over massamoord en genocide. En bij herlezing merk je ook de voortdurende zorg om de totalitaire wandaden van nazisme en stalinisme vergelijkbaar te maken, en om twijfel te zaaien over de uniciteit van de judeocide: er zit dus een revisionistische ondertoon in. Op iets abstracter niveau toont Europeana de paradox van de ‘maakbare mens’: net wanneer wetenschap, tot eugenetica toe, suggereert dat de mensheid als diersoort in vele opzichten verbeterbaar is, toont de ontwikkeling van de samenleving dat mensen als sociale wezens geen echte vooruitgang kunnen boeken, hoe voluntaristisch de politiek ook wil zijn. Dus toch niet zo neutraal eigenlijk, en dat maakt Ourědník oefening meer dan een bitterzoete frivoliteit.

Die misleidende neutraliteit kan precies een theatraal aanknopingspunt zijn. Een speler op scène moet een standpunt kiezen, moet een reden verzinnen om deze visie op de geschiedenis aan dat publiek mee te delen. Europeana blijkt populaire theaterstof te zijn: een beetje zoeken op internet leverde al drie bewerkingen op, alleen in Frankrijk. Eén speler maakte er slapstick van, met meer of minder illustratieve rekwisieten; een damestrio met blonde pruiken zingt/spreekt als een macabere variant op The Andrew Sisters. Een ernstig duo maakte er een lecture-conférence van. Sofie Decleir staat helemaal alleen op scène, in een geel regenpak, en ze verplaatst zich niet gedurende de hele vertelling, ongeveer anderhalf uur. Het regent op de scène, de hele tijd. Er ontstaat een plas, haar maquillage loopt uit, maar ze reageert amper op de motregen. Ze praat alsof ze alles ter plekke bedenkt, alsof ze zichzelf betrapt op vreemde associaties tussen loopgraven en veralgemeend geloofsverlies, tussen barbiepoppen en het castratiecomplex, tussen Theresienstadt en de strijd tegen het alcoholisme. Ze klinkt als een te groot kind, dat zich wat geneert over haar wereldwijsheid, dat de helderheid van haar inzichten verstopt achter een stroom aan anekdotes. De meest filosofische beschouwingen, bijvoorbeeld de gedachte dat mensen zich in de twintigste eeuw geen feiten meer herinneren, maar de herinnering zelf aan feiten, gaan dan op een interessante manier ‘misplaatst’ klinken. Alsof iemand anders, met dezelfde stem en uit dezelfde mond, commentaar geeft op het verhaal dat ze vertelt: een merkwaardige verdubbeling van een figuur die, in haar theatrale verschijning, nochtans niet op een ‘personage’ wil lijken. Zelfs de associatie tussen de douche en de gaskamers – die voortdurend opduiken, de tekst werkt ook met herhalingen – is iets dat achteraf gebeurt, misschien gewoon mijn Hineininterpretierung. Een streepje Bach, iets meer licht op de piano op de scène: dat zijn de enige pauzes in de woordenstroom van Sofie Decleir. Maar ook die visuele momenten wijzen niet in de richting van een duidelijker standpunt van de actrice. De intrinsieke dramaturgie van Ourědníks verhaal dicteert de theatrale logica, zonder enige inmenging. Sofie Decleir wordt als het ware gespeeld, ze is een woordvoerder in de meest letterlijke zin. En daar hapert de voorstelling. Zoals een jong straatvoetballertje een meesterlijke Zidane-dribbel uitvoert, niet één maar zeker tien keer na elkaar, zo weet deze speelster ook kinderlijkheid en virtuositeit feilloos te combineren. Of dat doelpunten – theatrale meerwaarde – oplevert, daar ga je na drie kwartier enigszins aan twijfelen. Een briljante tirade over het vermeende einde van het humanisme, vrij vroeg in dit betoog, levert amper een kader op waarin je de rest van de anekdotiek kan plaatsen, het blijft een vrijblijvende reflectie. Je laatje voortdurend verrassen door de wendingen van de vertelling, dat wel, of door een ijzeren consequentie – de pleidooien voor eugenetica én de duivelse zuiveringspraktijken klinken steeds gruwelijker. Maar de statische figuur die Decleir neerzet, een figuur waarvan alles afglijdt – om te beginnen de regen – verandert niet. Ze lijkt niet aangedaan. Of is dat gewoon de toestand van de hele mensheid, die vrolijk de voorbije en toekomstige hel negeert? Dat zou wel erg cynisch zijn, en dus onschuldig als theatrale geste. Je zou willen zien hoe een actrice zich blesseert aan haar verhaal, maar meer dan uitgelopen maquillage is het niet. Ligt het aan Ourědník zelf, wiens tekst misschien toch schatplichtig blijft aan het ironische zelfmedelijden dat veel literatuur uit het reële socialisme – het drama van Václav Havel bijvoorbeeld – zo vergankelijk maakt? Misschien, maar ook daar kan een toneelspeelster zich, al was het maar in één flits, tegen verweren. Dat fysieke verzet, dat ontbreekt.

OPUSXX is van februari tot april nog in diverse Belgische theaterzalen te zien. www.zuidpool.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#123

01.12.2010

28.02.2011

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!