Sarah Vanagt

Leestijd 8 — 11 minuten

EEN ONMOGELIJKE RECONSTRUCTIE VIA EEN BRIEFWISSELING

Sarah Vanagt (23j.) en de vanuit Rwanda gevluchte Raissa Nvuyekure (14 j.) over hun herinneringen aan de genocide, het begin van een dialoog.

Over mijn herinneringen aan de Rwandese genocide kan ik alleen maar kort of algemeen zijn. Bovendien ben ik niet zeker dat het om herinneringen aan de berichtgeving van het moment zelf gaat. Ik vermoed dat veel – en het is onmogelijk om het precies te reconstrueren – van wat ik mij nu meen te herinneren met latere beelden en getuigenissen verweven is. Die herinneringen bestaan uit beelden van hakmessen en lijken in het water, tien dode blauwhelmen, kindsoldaten, een constante verwarring tussen Hutu’s en Tutsi’s, het gevoel er niets van te begrijpen. Ik was in die tijd nog maar net begonnen met het lezen van de krant en probeerde ook de berichtgeving over Rwanda te volgen. Ik kwam niet verder dan het verwarrende verwarrend te noemen, het gruwelijke gruwelijk, het onvoorstelbare onvoorstelbaar. Ik dacht dat dat vooral aan mij lag, had het gevoel te jong en te onwetend te zijn, raakte steeds maar weer verstrikt in de lange namen van de betrokken partijen, koesterde nog de hoop dat ik er, mits meer referentiepunten, ooit iets van zou begrijpen of het op zijn minst zou kunnen duiden.

Aan het begin van deze zomer stuurde ik een brief naar Raissa, een vanuit Rwanda naar België gevlucht meisje van 14. Wij kenden elkaar nauwelijks. Haar moeder kende mijn vader en ik wist vaagweg dat zij en haar jongere zussen na hun aankomst in België met mijn vroegere speelgoed hadden gespeeld. Op mijn eerste brief volgde een aantal brieven en gesprekken. Raissa bleek uiteindelijk liever over moeilijke dingen te praten dan erover te schrijven. Hoe meer ze mij vertelde en hoe meer ‘zicht’ ik eindelijk kreeg op de verschillende elementen die deel uitmaakten van de genocide, des te duidelijker het me werd dat de gebeurtenissen in Rwanda in 1994 (en in vele opzichten ook nog daarna) in die mate verwarrend, gruwelijk en onbegrijpelijk zijn dat ze mijn voorstellingsvermogen volledig te boven gaan. De eerste brief die ik Raissa na lang aarzelen schreef stond vol met voorzichtige formuleringen. Nu ik die brief herlees vraag ik me af of ik wel voorzichtig genoeg ben geweest, of ik mij haar herinneringen niet onbewust – door mijn leefwereld naast die van haar te plaatsen – heb willen toe-eigenen. Dat is natuurlijk nooit mijn bedoeling geweest. Ik denk dat ik – misschien voor het eerst, ik bedoel dan in een persoonlijke relatie – geconfronteerd werd met de vraag: hoe toch te spreken wanneer men alleen maar kan zwijgen.

Hieronder volgen enkele fragmenten uit onze brieven, gesprekken, aantekeningen.

Op een zomeravond gaan wij samen eten en Raissa vertelt over bepaalde momenten uit haar kindertijd alsof die al jaren en jaren achter haar ligt. Op dat moment ben ik volgens mij zenuwachtiger dan zij. Ik weet niet waar te beginnen en stel uiteindelijk de vraag: woonde je in een stad of in een dorp? Ze is geduldig, noemt de naam van haar stad, vergelijkt die qua grootte met enkele andere steden en beschrijft hoe ze daar leefde voor de oorlog.

Ja, inderdaad, ik was jong, had net in februari mijn achtste verjaardag gevierd. Ik kwam nooit iets tekort Mijn ouders werkten allebei.(…) We hadden een groot huis met een tuin. We hadden veel dieren (kippen, geiten, schapen, konijnen, katten, honden, enz.) en deden aan groenten- en fruitteelt Kortom, ik had een perfect leventje. Tot die befaamde 7 april 1994, de dag waarop de president werd vermoord. Iedereen vond het wel erg maar niemand dacht aan de gevolgen die het heeft gehad.

De eerste dagen vernamen we van de radio dat we thuis moesten blijven, dat er mensen in Kigali (de hoofdstad) vermoord werden. We moesten thuis blijven. Er waren geen winkels open. Wij hebben het nog overleefd door het fruit en de groenten die we thuis hadden. Papa was op dat moment op stage in België. We bleven gewoon thuis en hoopten dat het wel over zou gaan. Maar dat was dus niet zo. We hadden geen contact meer met de buitenwereld en we zagen in de verte de bergen in brand opgaan. Veel mensen begonnen te vluchten. Maar dan op een dag kregen we een telefoontje van iemand die de baas zocht Mijn mama vroeg wie de baas zocht en toen legde die man neer. Even later kregen we een ander telefoontje van iemand die zei dat we onmiddellijk moesten vluchten, dat mijn papa op de lijst stond van de mensen die gedood moesten worden.

Ik heb Raissa’s vlucht uit Rwanda getekend. De tekening lijkt op een stratenplan, een ganzenbord, waarbij de chronologie en het perspectief niet kloppen. Het was voor mij een manier om ons gesprek te onthouden, om al de verschillende elementen uit haar verhaal, alle zijtakjes en sprongen, in kaart te brengen. Enkele weken later toon ik haar de tekening. Ze zegt: ‘Het is eigenlijk nog niet zo verkeerd, wat je getekend hebt.’ Ondertussen verlegt ze met haar vingers de straten. Maakt ze de barrages die de straten versperden breder. Vertelt ze dat de soldaten die de toegang controleerden heel vaak niet eens konden lezen wat er op haar paspoort stond. Ze wijst me haar school die ik vergeten was, en toont me waar het huis van de zwangere buurvrouw zou staan, wiens buik werd opengereten, wiens kindje verplet werd waarna ze pas zelf onthoofd werd. Raissa zegt: ‘Waarom konden ze haar niet in één keer vermoorden? Het kon niet gruwelijker.’ Op de stippellijn van haar vlucht uit Rwanda teken ik drie hoofden met dikke rechte streepjes voor de mond: Raissa met haar twee zusjes. Ze is acht en mag aan niemand zeggen wie ze is, houdt haar lippen stijf op elkaar want in elke mens schuilt een potentiële vijand. De stippellijn mondt uit in het pleintje in Antwerpen waar zij uiteindelijk terecht is gekomen. Ze komt aan in België en krijgt die lippen niet meer van elkaar. Ze denkt: ik moet zwijgen, zwijgen, zwijgen. Straks komen ze ons hier allemaal vermoorden.

Raissa vertelt over het zogenaamde leven van alledag tijdens de onzekere weken voor het ‘uitbreken’ van de genocide. Hoe de onzekerheid, de angst, het tegenstrijdige, steeds meer in alles voelbaar werden. Ze zegt: ‘Ik zal nooit vergeten hoe ik op een avond, enkele dagen na de moord op de president, in bad stond.’ Zij staat in bad en staart verschrikt naar het trillende gordijn. Ze is doodsbang, wil niet uit het bad en wil er ook niet blijven. Tussen de wapperende plooien door ziet ze lijken, of denkt ze lijken te zien. En daar staat ze in haar blootje. Buiten in de tuin gaat haar moeder koppig door met het planten van bloemen – ‘Oorlog in Rwanda? Nooit.’ Enkele dagen later zitten ze in de laadruimte van een legervliegtuig. Nu, zes jaar later, weet ze wat ze toen niet wist. Dat ze de mensen die haar kwamen vermoorden gekruist heeft tijdens de vlucht. Dat ze via een omweg in België zou belanden. Wat ze zou vergeten. Wat ze nooit zou vergeten.

Natuurlijk zal ik van dit alles nooit iets begrijpen. Onze beide leefwerelden nu en toen, onze ervaringen en herinneringen zijn zo volstrekt anders dat ik plotseling niet meer weet waarom ik nu eigenlijk aan die correspondentie begonnen ben, wat ik er nu eigenlijk van verwacht of wil. Als kind van acht, en ook nog als meisje van 14, oefende ik mijn stukjes op de piano. Ondertussen beleefde ik de ene dagdroom na de andere. Het kwaad dat ik meemaakte was ingebeeld. De pijn die ik voelde, legde ik mezelf op. Die en die gingen dood, ik werd ongeneeslijk ziek, ja, er brak zelfs oorlog uit, ik moest vluchten, ik was alleen, ik had niemand meer. Tot ik beneden moest gaan eten en aan tafel vrolijk uit de doeken deed wat ik die dag had meegemaakt op school. Het verlies had mij nog niet geraakt, dus ging ik het zoeken. Raissa heeft niet veel tijd gehad om haar eigen pijn te verzinnen. De gruwel overviel haar en ze moest al heel jong een manier vinden om ermee om te gaan. Haar dagdromen gaan sindsdien waarschijnlijk minder over haarzelf en meer over mensen waarvan ze niet eens weet of, hoe en waar ze leven.

Wat mij uit ons eerste gesprek misschien het meest is bijgebleven, als beeld dan tenminste, is wat ze verteld heeft over de fotoalbums die verspreid lagen in de straten. Ik probeer het te zien: alle foto’s, alle herinneringen door elkaar, zonder namen, zonder uitleg, zonder reden. En dan iemand die erdoor loopt, verdwaasd. Iemand die de foto’s wil redden. Wat ging er door haar heen toen ze een jaar later dat pakje ontving met die verloren gewaande foto’s? Heeft ze geprobeerd om de modder weg te wassen, of vindt ze het juist belangrijk dat dat nu ook bewaard blijft? Er zal van die verschrikkingen tenslotte niet veel anders overblijven dan de modder tussen die foto’s. Later vertelt Raissa dat ze die modder inderdaad bewaard heeft. Soms kon het ook niet anders; als ze de modder er zou afhalen, zou ze meteen ook de foto’s beschadigen, de beelden vernietigen. Die modder is nu een wezenlijk deel van haar herinneringen.

En dan zet ze me op mijn plaats en wijst me op het veel ergere verlies van praktische papieren. ‘Als het hier ooit oorlog wordt, Sarah, vergeet dan niet jouw diploma’s mee te nemen.’ Natuurlijk, wat in de eerste plaats telt is hoe je na de genocide verder leeft, in een nieuw land, zonder enig spoor van je kunnen, zonder referenties. Dat herhaalt ze wel meer, dat ze vooruit wilt, dat ze niet wil dat de ervaringen van de vlucht en van de genocide de rest van haar leven gaan bepalen. Dat is een duidelijke keuze. ‘Het gaat tenslotte over drie weken van mijn leven,’ zegt ze, ‘ik wil niet dat het de enige en belangrijkste gebeurtenis van mijn verdere leven wordt.’ Daarbij ontkent ze niet dat ze het heeft meegemaakt en wil ze ook weten wat er precies gebeurd is. ‘Dat is ook van mij. Maar het is niet alles.’

Raissa laat vallen dat ze de mensen kent die nu in hun huis wonen in Rwanda. Ze zijn er ingetrokken omdat het leeg stond en omdat haar familie niet meteen terug verwacht werd. Wat de nieuwe bewoners niet nodig hadden, hebben ze waarschijnlijk op straat gegooid, misschien ligt het daar zelfs nog,

zo zegt ze. Ik zoek een manier om haar te zeggen: ‘Ik kan er niet bij, hoe zou ik er ook bij kunnen?’ Toen ons huis verkocht werd, hakten de nieuwe eigenaars een boom uit de tuin om. Die boom zag ik in stukjes voor de deur liggen en ik vond de stille aanblik van de dode boom toen een vreselijk gezicht, ik vond het wreed. Ik wilde het niet zien, wilde het niet weten. Naast haar ervaringen verdwijnt zoiets natuurlijk in het niets, wordt het zelfs misplaatst om het te vermelden -wat in een andere context niet het geval hoeft te zijn. Heeft het zin om haar zulke dingen te schrijven? Kan je zoiets doen? Raissa zegt: ‘Ja, dat is voor mij juist belangrijk. Het is de eerste keer dat ik over deze dingen spreek. Doordat jij over jouw ervaringen vertelt, kan ik die van mij verwoorden. Het is voor mij ook de eerste keer dat iemand op die manier over zijn eigen leefwereld spreekt, hier, in België. Daardoor zie ik mijn eigen ervaringen ook plots op een heel andere manier.’ Dat stelt me enigszins gerust.

Van ons huis herinner ik me alleen de indeling, de tuin, mijn slaapkamer. Het is raar, sommige dingen kan ik me heel helder herinneren: wat we aten op de dag van de vlucht, hoe de glazen op tafel stonden. Andere dingen ben ik vergeten: hoeveel kamers er nu precies waren in ons huis. Nog andere dingen kon ik me twee jaar geleden nog herinneren maar nu niet meer. Ik heb ondertussen geleerd dat al het materiële niet zoveel belang heeft, dat er belangrijkere dingen zijn in het leven. De vraag blijft nog altijd of ik terugga. Daar kan ik nu nog niet op antwoorden. Ik zou het wel willen, om te zien hoe het er nu aan toegaat, van buitenaf (want van binnenuit is nog te gevaarlijk), maar ik weet zelf wel dat het nooit zoals vroeger zal zijn. Dat alles zal ik binnen een paar jaar wel duidelijker weten.

Raissa’s achternaam betekent: zij die van ver komt. Ze zegt dat ze blij is dat er nu BELG op haar paspoort staat, een vast punt, eindelijk, na zoveel omzwervingen. Ze is wel nieuwsgierig naar hoe het er nu aan toegaat in Rwanda. Tegelijk is ze maar weinig hoopvol. Er lopen nog veel moordenaars rond, er zitten nog veel onschuldigen in de gevangenissen. Niemand weet hoeveel, noch waarom ze daar zitten. Er heerst een militaire dictatuur. Er heerst grote onzekerheid. Nieuws over doden en over levenden sijpelt maar heel traag en via omwegen binnen. Mensen kopen elkaar voortdurend om. ‘Corrupter kan niet,’ zegt ze, ‘dat was al zo voor de genocide, wat moet dat nu zijn?’ Sinds al die verkrachtingen heeft het aidsvirus zich in bepaalde gebieden verspreid onder 40% van de bevolking. De oorlog is eigenlijk nog bezig. Ik herhaal nog maar eens dat ik het me niet kan voorstellen, waarop zij nog maar eens herhaalt dat er zoveel is dat je je niet kan voorstellen.

 

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

Sarah Vanagt

artikel