‘Olifant Jezus’ © Phile Deprez

Leestijd 4 — 7 minuten

Olifant Jezus

Julie Van den Berghe/NTGent

Met Lucia Smelt (2001) en Decemberhonger (2011) schreef Oscar van den Boogaard scherpzinnige en vlot speelbare relatiedrama’s voor Tg Stan. Drama’s over scheiding én over het onvermogen tot afscheid, drama’s over sluimerend en aanstekelijk geweld. De B-architecten maakten voor deze producties een nogal dwingend toneelbeeld: een tapijt met een bouwplan van hun woning (Lucia Smelt) en een arena waar elke toeschouwer met zijn neus opzat (Decemberhonger). Toch speelden Sara De Roo en Steven Van Watermeulen ‘zichzelf’, ze ontwierpen hun eigen voorstellingen, ze tastten elkaar letterlijk en figuurlijk af in hun speelstijlen. De scherpe naturel van Sara De Roo botste op het nét niet irritante maniërisme van Steven Van Watermeulen. Twee onverzoenlijke stijlen, eigenlijk, even onverzoenlijk als de herhaalde breuken in het liefdesleven van hun personages. Sara en Steven kwamen elkaar gemiddeld om de tien jaar tegen op scène: een afstudeerstage bij Ivo Van Hove (Toch zonde van die hoer, 1991), en daarna dus deze dialogen in 2001 en 2011. Meer zouden ze niet goed verdragen, vermoedelijk. En Oscar van den Boogaard heeft in zijn stukken die onmogelijkheid feilloos geregistreerd en verwoord.

Olifant Jezus, geschreven voor NTGent, is opnieuw een relatiestuk, maar dan van een heel andere aard. De titel zijn twee woorden die, ergens in een dialoog, gewoon bij elkaar aansluiten: een zin eindigt met ‘olifant’ en de volgende zin begint met een uitroep, ‘Jezus!’. Meer is het niet, maar het wordt wel een programma voor het drama: lijdende mensen, ergens tussen dierenwerelden Heilige Drievuldigheid. Drie figuren zonder naam, een kerngezin: man, vrouw en zoon. De zoon is dood – zelfmoord – en het koppel zakt weg in wat men gemakshalve een depressie noemt. Ze betrappen elkaar op hun dierlijke instincten, nadat elk menselijk gevoel is weggevallen, weggebrand door de dood van de zoon. Hun gesprekken zijn doortrokken van schuldgevoel, zelfverwijt, heimwee naar een harmonieus verleden dat nooit bestond, naar een identiteit – van ieder afzonderlijk en van alle drie samen – die ze achteraf verzonnen hebben, als een verloren paradijs. Vaag verwijzen deze drie mensen naar de Heilige Familie: Jozef, Maria  en Jezus, het onbevlekt ontvangen kind. Vertrouwd terrein voor schrijver Oscar van den Boogaard die het, bijvoorbeeld in zijn columns, wel vaker heeft over het sensuele in de religie. De structuur van de vertelling is eenvoudig. De zoon wordt geboren, de ouders mijmeren over kindsheid en jeugd, de zoon neemt afscheid van zijn ouders, de ouders mijmeren voort, met de illusie van zijn terugkeer. En dwars door deze reconstructie van een verloren leven heen steektsteeds dezelfde wrede vraag op: wie is verantwoordelijk voor dat fatale verleden? En de vraag die daarbij hoort: betekent elk verlies ook dat iemand aansprakelijk is – blijft- voor dat verlies? Nochtans is Olifant Jezus geen zwaarmoedige filosofische dialoog, het koppel kissebist zoals elk koppel, en ondanks de pijn is ironie nooit ver weg.

Het zou fijn geweest zijn als de voorstelling recht had gedaan aan de zin voor ironie – én voor subtiele erotiek – die Van den Boogaard in zijn dialogen toch wel erg goed beheerst. De enscenering van Julie Van den Berghe maakt het helaas onmogelijk om de vermoede subtiliteit in de tekst van Van den Boogaard waar te nemen. Zij bouwt een soort dierentuin voor dit droevige gezin, acteurs Steven Van Watermeulen (de vader) en Elsie de Brauw (moeder) dragen maskers van grote vogels en zitten op de takken van een boom, als gieren die zich te goed zullen doen aan de emotionele lijken die vallen. Vincent van der Valk (de zoon) klimt uit een boom bij zijn symbolische geboorte, de openingsscène van het stuk, die hij in het IJslands speelt. Zowel die taal als zijn geklauter – keurig gezekerd als een alpinist – versterken de kunstmatigheid van het gebeuren. De toon wordt zo gezet voor een vreemd landschap van haast onherkenbare gevoelens, kitscherig als een gemiddeld schilderij van Salvador Dalí. Symbolisch zal het allemaal wel zijn betekenis hebben, maar ik ben na korte tijd al niet meer nieuwsgierig, het zijn tekens die allemaal zeer nadrukkelijk (theater)tekens willen zijn, die een dramatische situatie te overvloedig duiden. Die tekens geven geen impulsen – niet aan de spelers, maar nog minder aan het publiek – om menselijke verhoudingen voelbaar te maken. Zelden was ik getuige van zoveel kunstmatigheid, dramaturgisch verantwoord, intelligent vormgegeven, maar nergens betekenisvol. Ik denk dat de diepzinnigheid opgebruikt is, omdat deze vormentaal de spelers er niet toe aanzet om hun lichamen écht in te zetten. De ‘alpinistische’ openingsscène is ten overvloede symbolisch, niet alleen als paradijselijk moment, maar – en dat is erger – als teken van risicoloos acteren; hij speelt op veilig. Net zoals de maskers elke expressiviteit in de kiem smoren, ook al proberen mooi gechoreografeerde bewegingen dat te compenseren.

Datje tegenover een dramatische tekst die je misschien te evidentrealistisch vindt een parallel universum plaatst, is helemaal verdedigbaar. Maar beide werelden – de al te herkenbare depressie in de dialogen en de biotoop van de menselijke diersoort in de ruimtebe-handeling – raken elkaar niet. Na hun aangrijpend duet in Gif van Lot Vekemans – ook een tekst over de afgrondelijke rouw bij een dood kind – verwacht je dat van Elsie de Brauw en Steven Van Watermeulen wel opnieuw. Op een schaars moment na-een kreet uit de dieptes van de ziel van de moeder – is hun verhouding nooit interessant, nooit lichamelijk uitdagend, nooit de ironie voorbij. Misschien ligt het gewoon aan het feit dat Julie Van den Berghe als regisseur debuteert in de grote zaal, maar dat is een flauw excuus en vooral geen reden om een analyse te maken van dit onbehagen. Indien de historische context van het Vlaamse (stadstheater sinds de jaren tachtig niet grondig veranderd was, dan zou dit een krampachtige poging lijken tot ‘experiment’, een artistiek verantwoorde excuusproductie in een repertoire dat voor het overige een lach en een traan afwisselt – zoals de KVS van Nand Buyl of het NTG van Jef Demedts dat destijds, heel af en toe, probeerden. Maar dat is bij stadstheater NTGent anno 2012 zeker niet het geval. Dit kan geen plichtoefening zijn, want de artistieke ambities klinken geloofwaardig en ze worden ook waargemaakt, nu en dan. Wat niet belet dat ik het gênant vind om deze wellicht goedbedoelde poging tot beeldrijk symbolisme te duiden. Tegen de picturale ijdelheid van Dalí wil ik graag te keer gaan, maar niet tegen het artistieke misverstand dat Julie Van den Berghe hier veroorzaakt. Omdat het jammer is voor de (vermoedelijke) poëtische kracht van Oscar van den Boogaard. Volgende keer zou hij met een regisseur moeten kunnen werken die zijn franjes wegknipt, in plaats van ze uit te rafelen.

www.ntgent.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#131

15.12.2012

14.03.2013

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!